Samenvatting Class notes - Arts&Patient 3

Vak
- Arts&Patient 3
- 2021 - 2022
111 Flashcards en notities
1 Studenten
  • Deze samenvatting

  • +380.000 andere samenvattingen

  • Een unieke studietool

  • Een oefentool voor deze samenvatting

  • Studiecoaching met filmpjes

Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.

Samenvatting - Class notes - Arts&Patient 3

  • 1609974000 Opfriscollege longfysiologie

  • Er is in de long een gelijkheid van perfusie en ventilatie.
    • Allebei 1L 
    • Formule van diffusie 
      Diffusie = dP x (Area x Gas solubility)/ (Thickness x rMolecular weight) 
  • Wat zijn de oplossingen van het lichaam om de diffusie van zuurstof te faciliteren?
    • Binding van zuurstof aan hemoglobine 
      • Houdt delta P constant
      • Grandient van alveoli naar capillairen
      • Zolang er bloed blijft stromen, wordt er zuurstof weggevangen en blijft de diffusie doorgaan. 
      • CO2 kan niet binden aan hemoglobine
      • delta P kan verstoord worden bij bijvoorbeeld een koolmomoxide (CO) intoxicatie
    • Dunne alveolaire membranen (Thickness) 
      • dikte neemt toe bij interstitiele longaandoeningen (longontsteking, hartfalen en fibrose)
    • Groot alveolair oppervlak (Area)
      • bij longemfyseem is door roken de oppervlakte afgenomen
    • De oplosbaarheid van het gas (Gas solubility)
      • Koolstofdioxide is beter oplosbaar dan zuurstog 
      • Co2 kent geen diffusiestoornis -> gaat er altijd door heen -> kan niet stapelen in weefsels 
  • Het lichaam regelt dat in de long en weefsels via een rechtsverschuiving (makkelijkere afgifte van zuurstof aan myoglobine).
    • Hoe hoger de temperatuur (in de spier): hoe makkelijker O2 bindt en loslaat
    • Hoe lager de pH (in de spier): hoe makkelijker O2 bindt en loslaat
    • Hoe hoger de pCO2 (in de spier): hoe makkelijker O2 bindt en loslaat
  • Door wat wordt de zuurstofcontent bepaald?
    Hemoglobine & SaO2 (saturatie O2)
    • Bepalen hoeveelheid zuurstof die per liter opgevangen wordt 

    * Dus niet door de PaCo2!
  • Wat kunnen oorzaken zijn van een lage zuurstofsaturatie?
    • Diffusiestoornis (door een verdikt alveolair membraan)
      • longfibrose of het Acute respiratory distress syndrome (ARDS)
    • Ventilatie perfusie mismatch: meer ventilatie dan pefusie of meer perfusie dan ventilatie in bepaalde longdelen
      • Longatelectase: er is wel doorstroming, maar geen ventilatie. Zuurstofgehalte wordt heel laag
      • Shunt: wel perfusie, maar helemaal geen ventilatie, bijvoorbeeld bij een longtumor in de luchtweg of COPD 
    • Hypoventilatie 
      • Lichaam is hier redelijk resistent voor, doordat het een hele grote drang heeft om zuurstof aan hemoglobine te binden
  • Wat valt er uit de Wet van Fick te halen?
    • Zuurstofopname = cardiac ouput Q (SV x HF) x constante factor x hemoglobine (de zuurstofsaturatie)
    • Zuurstofsaturatie = je opname aan zuurstof = arterieel (O2 rijk in alveoli) - gemengd veneus (O2 arm in spier) 
    • Spier optimaliseert zuurstoftransport: hoe meer zuurstof je eraf kan halen, hoe beter het is. 
      • Gemiddeld is de arteriele saturatie 98% en de veneuze saturatie 71%. Hoe meer spier, hoe meer eraf. 
  • Door de hoge oplosbaarheid van CO2 (wat eigenlijk altijd werkt) is de diffusie van CO2 volledig afhankelijk van de alveolaire pCO2. 
  • Hoe wordt je hypercapnisch?
    Te hoog pCO2 

    • Het effectieve deel dat ademd van de long is onvoldoende (COPD)
    • Je ademt te weinig in (intoxicatie benzodiazepine)  
  • In de kliniek wordt de CO2 vooral gebruikt om de mate van alveolaire ventilatie te meten.
  • Hypercapnie is te behandelen met ademhalingsondersteuning door middel van een tube (invasief) of een masker (non-invasief).
  • Wat kan dyspneu veroorzaken?
    • Luchthonger: door chemoreflexen (bepaald door de PaCO2 die stijgt, je moet hierdoor ademen, maar dit lukt niet door bijvoorbeeld een vernauwde luchtweg) 
    • Verhoogde arbeid door bijvoorbeeld een obstructie: je moet veel werk verzetten om te ademen, maar het lukt je nauwelijks om te ademen met je ademhalingsspieren. 
      • Ademarbeid = dV x dP (drukverschil long en uitademing) 
      • Bij astma groot drukverschil
    • Strak gevoel op de borstkas door mechanoreceptoren in de borstkas
      • bij scoliose moet je veel arbeid verzetten om de borstkas uit te kunnen zetten (hierbij ook verhoogd ademarbeid)
    • Stuwing pulmonaal veneuze vaatbed: rek op pulmonale venulen leidt tot kortademigheid 
  • 1610319601 Fysiologie van het ademhalingssysteem

  • Rust:
    • 4L verse lucht 
    • 5L bloed
    Inspanning:
    • Luchtstroom x20
    • Bloedstroom x6 
  • Pharynx -> larynx -> trachea -> bronchien -> bronchioli -> terminale bronchioli -> respiratoire bronchioli -> alveoli
  • Welke twee zones zijn er te onderscheiden na de larynx?
    • De geleidende zone:
      • top trachea -> terminale bronchioli
      • verdediging tegen toxische stoffen en microben, verwarmen van lucht en stemvorming
    • Respiratoire zone: 
      • respiratoire bronchioli -> alveoli
      • gaswisseling
  • Infecties voorkomen:
    • De bronchioli kunnen samentrekken als reactie op irritatie
    • Er bevinden zich macrofagen in de luchtwegen en alveoli 
  • Alveoli
    Wand alveoli:
    • type-I alveolaire cellen (grootste gedeelte)
    • type-II alveolaire cellen
      • zit tussen type-I cellen
      • produceert surfactant (voorkomt het inklappen van de alveoli) 


    Meestal is het interstitium afwezig en zijn de basale membranen van het alveolaire-oppervlakte epitheel en van het endotheel van de capillaire wand gefuseerd.
  • Sommige alveoli zijn met elkaar verbonden door kleine portien waar lucht doorheen kan. Deze zijn erg belangrijk als de luchtweg naar de porie verstopt zit door een aandoening.
  • Hoe werkt inademing en uitademing
    • Tijdens de inademing spannen de intercostale spieren en het diafragma zich aan 
      • n.phernicus: contractie diafragma 
    • Als de spieren aanspannen, wordt de borstkas groter en als ze ontspannen wordt de borstkas kleiner
    • Als de borstkas kleiner wordt, worden de longen kleiner waardoor de lucht in de alveoli zo'n hoge druk krijgen dat deze uit de longen stroomt
      • Uitademen is een passief proces
  • Welke factoren zorgen voor luchtweerstand?
    • Lengte van de luchtpijp
    • Straal van de luchtpijp
    • Interactie tussen bewegende moleculen


    Belangrijkst: straal van de luchtpijp (^4)
    * Transpulmonale druk: wordt bij inademing groter, waardoor de luchtweg groter wordt en de luchtwegweerstand kleiner
    * Laterale tractie: elastische bindweefsel zorgt ervoor dat de luchtweg groter wordt bij inademing
  • FEV1: het gemeten volume in de eerste seconde bij geforceerde expiratie
    • Pten met een obstructieve longziekte hebben een verlaagde FEV1
    • Pten met een restrictieve longziekte hebben een normale FEV1-waarde, maar zij hebben een verlaagde vitale capaciteit
    • Anatomische dode ruimte (VD): lucht die de alveoli niet bereikt waardoor deze lucht niet meedoet aan de gaswisseloing
    • Alveolaire ventilatie (VA): het volume van de nieuwe lucht die de alveoli binnendringt per minuut
  • Fysiologische dode ruimte: alveolaire dode ruimte + anatomische dode ruimte
    • Alveolaire dode ruimte: de lucht bereikt de alveoli wel, maar wordt niet gebruikt bij de gaswisseling (hemoglobine is al verzadigd) 
  • Respiratoir quotient (RQ): de verhouding tussen de geproduceerde koolstofdioxide concentratie en de geconsumeerde zuurstofconcentratie.
    • 0.8
  • Wat zijn de factoren die de waarde van alveolaire PO2 bepalen?
    • De PO2 van de atmosferische lucht
    • De snelheid van de alveolaire ventilatie
    • De snelheid van de totale lichaamsconsumptie van zuurstof
  • In rust zijn de pulmonale capillairen in de longapex gesloten.
    • Ze zijn open tijdens inspanning en zorgen zo voor gasuitwisseling 
    • Hypoventilatie: meer CO2 productie dan in de alveoli kan diffunderen
      • PCO2 > 40 mmHg
    • Hyperventilatie: te veel CO2 afgegeven door 'te goede' ventilatie
      • PCO2 < 40 mmHg
  • Door wat kan de diffusie van gassen tussen alveoli en capillairen verminderd zijn?
    • Longoedeem: sommige alveoli zijn gevuld met vloeistof, waardoor het totale oppervlak van de alveoli verlaagd is
    • Longfibrose: alveolaire wanden zijn verdikt door bindweefsel (fibrose)
  • Hoe werkt ventilatie-perfusie matching?
    • Als er een verlaagde luchtstroom is in delen van de long, dan zal door een lage zuurstofdruk vasoconstrictie optreden en door een lage koolstofdioxidedruk bronchoconstrictie. 
      • Dit resulteert in een verlaging van de bloedstroom, waardoor het bloed naar gezonde delen van de long kan stromen.
  • Waar kan zuurstof gevonden worden?
    • Opgelost in plasma
    • Cytosol van erytrocyten
    • Gebonden aan hemoglobine (grootste gedeelte)


    *Oplosbaarheid van zuurstof is laag (2%) 
  • Anemie: enorme afname van hemoglobine in het bloed
  • Tussen een PO2 van 10-60% stijgt de Hb-saturatie zeer snel, hierboven stijgt deze langzaam.
  • In weefsels is de PO2 zeer laag, waardoor er altijd diffusie plaatsvindt vanuit het bloed naar de weefsels. 
    • Omdat dit constant gebeurt, is de PO2 van de interstitiele vloeistof altijd lager dan de PO2 van het bloed. 
  • Aangezien CO2 beter oplosbaar is dan zuurstof bevat het bloed meer opgelost CO2, plusminus 10%
  • Carboanhydrase: vormt HCO3
    • De gevormde HCO3 wordt per molecuul getransporteerd, tegen 1 chloride-ion, naar het bloedplasma
    • Hierdoor is de H+ concentratie gestegen en werkt HCO3 als buffer op de pH op peil te houden 
  • Metabole acidose en alkalose
    Metabole acidose ontstaat als de H+-concentratie is verhoogd en metabole alkalose ontstaat als de H+-concentratie is verlaagd.
    • Hierbij spelen perifere chemoreceptoren een rol 
    • Als er een H+-verlaging optreeft in het arteriele bloed, dan veroorzaakt dit een verlaging van de PCO2 doordat de ventilatie wordt verlaagd door de perifere zenuwen

    Intensieve beweging:
    • Alveolaire ventilatie 20x zo hoog
    • Hierbij stijgt de PCO2 van arterieel vloed niet, omdat arteriele PCO2 is bepaald door de alveolaire PCO2 en deze bepaald wordt door de CO2 productie 
    • Tijdens inspanning stijgt de alveolaire ventilatie gelijk aan de CO2 productie, waardoor de PCO2 in het arterieel bloed gelijk blijft

    • Tijdens inspanning daalt de PO2 in veneus bloed. 
    • In arterieel bloed verandert de PO2 nauwelijk 
    • De H+-concentratoe stijgt in het arteriele bloed omdat melkzuur, gemaakt door de spieren tijdens inspanning, in het bloed komt. Dit veroorzaakt de hyperventilatie bij zware inspanning. 

      
  • Welke factoren stimuleren ventilatie tijdens inspanning?
    • De reflex van mechanoreceptoren in gewrichten en spieren
    • Een verhoging van de lichaamstemperatuur
    • Respiratoire neuronen die geactiveerd worden door spieren
    • Een verhoging van de plasma kalium concentratie
    • Een verhoging van de plasma adrenaline concentratie
    • Een respons van neurale bijdrage
  • Receptoren niezen: neusholte of pharynx
    Receptoren hoesten: larynx, trachea en bronchi
    • Hypoxische hypoxie (hypoxemie): gedaalde arteriele PO2 
      • meest voorkomend
    • Anemische hypoxie (CO-hypoxie): zuurstof is vervangen door koolstofmonoxide waardoor er een zuurstoftekort is
    • Ischemische hypoxie: een tekort van bloedtoevoer naar de weefsels
    • Histotoxische hypoxie: de opname van zuurstof in de cellen is niet optimaal door een toxische stof 
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Laatst toegevoegde flashcards

Wat zit er allemaal in de nasale secretie?
  • IgA-antilichamen
  • Lysozymen
  • Interferonen
Hoe ziet Tronto de zorg als praktijk?
Zorg: een activiteit van de mens om 'de wereld' in stand te houden.

4 fasen van zorg:
  1. Caring about: persoon wordt herkend als zorgbehoevend
  2. Taking care of: persoon neemt de zorg op zich
  3. Care-giving: de zorg wordt verleend
  4. Care-receiving: patient ontvangt zorg 

4 morele componenten:
  1. Aandacht
  2. Verantwoordelijkheid
  3. Bekwaamheid
  4. Reponsiviteit
Op welke niveau's kan in- en uitsluiting onderscheiden worden?
  • Macroniveau:
    • beleidsniveau, opstellen van een beleid
  • Mesoniveau: 
    • institutioneel niveau, intstellingen die bepaalde groepen uitsluiten
  • Microniveau:
    • medewerkersniveau
Wat zijn de 3 kenmerken voor de openlijke negatieve houding ten aanzien van allochtonen?
  • Autochtonen voelen zich superieur
  • Autochtonen ervaren de aanwezigheid van allochtonen als problematisch 
  • Negatieve eigenschappen van een aantal allochtonen worden toegschreven aan de gehele groep
Wat is etnocentrisme?
Etnocentrisme: de 'eigen' culturele normen en waarden zijn de maatstaaf voor de beoordeling van 'anderen'
Welke vormen van stigamtisering zijn er?
Stigma: verwijzen naar een eigenschap die een persoon in diskrediet brengt.

  • Lichamelijke kenmerken: misvormingen of ziekten
  • Geestelijke kenmerken: zwak karakter en onnatuurlijke driften
  • Tribale kenmerken: ras, natie en religie  


Mensen met een stigma lopen het risico op voorhand te worden afgewezen ongeacht hun andere eigenschappen. 
Op welke alarmsymptomen moet er gelet worden?
  • Koorts
  • Nachtzweten
  • Verminderde eetlust
  • Vermagering
  • Verminderd (of veranderd) defecatiepatroon
Welke somatische aandeningen zijn noodzakelijk om uit te sluiten?
  • Tuberculose
  • Ernstige nier- of leverinsufficientie
  • Carcinomen
Welke factoren stimuleren ventilatie tijdens inspanning?
  • De reflex van mechanoreceptoren in gewrichten en spieren
  • Een verhoging van de lichaamstemperatuur
  • Respiratoire neuronen die geactiveerd worden door spieren
  • Een verhoging van de plasma kalium concentratie
  • Een verhoging van de plasma adrenaline concentratie
  • Een respons van neurale bijdrage
Metabole acidose en alkalose
Metabole acidose ontstaat als de H+-concentratie is verhoogd en metabole alkalose ontstaat als de H+-concentratie is verlaagd.
  • Hierbij spelen perifere chemoreceptoren een rol 
  • Als er een H+-verlaging optreeft in het arteriele bloed, dan veroorzaakt dit een verlaging van de PCO2 doordat de ventilatie wordt verlaagd door de perifere zenuwen

Intensieve beweging:
  • Alveolaire ventilatie 20x zo hoog
  • Hierbij stijgt de PCO2 van arterieel vloed niet, omdat arteriele PCO2 is bepaald door de alveolaire PCO2 en deze bepaald wordt door de CO2 productie 
  • Tijdens inspanning stijgt de alveolaire ventilatie gelijk aan de CO2 productie, waardoor de PCO2 in het arterieel bloed gelijk blijft

  • Tijdens inspanning daalt de PO2 in veneus bloed. 
  • In arterieel bloed verandert de PO2 nauwelijk 
  • De H+-concentratoe stijgt in het arteriele bloed omdat melkzuur, gemaakt door de spieren tijdens inspanning, in het bloed komt. Dit veroorzaakt de hyperventilatie bij zware inspanning.