Samenvatting Class notes - Bestuursrecht

Vak
- Bestuursrecht
- Alex
- 2019 - 2020
- Hogeschool Leiden (Hogeschool Leiden, Leiden)
- HBO - Rechten
220 Flashcards en notities
1 Studenten
  • Deze samenvattingen

  • +380.000 andere samenvattingen

  • Een unieke studietool

  • Een oefentool voor deze samenvatting

  • Studiecoaching met filmpjes

Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.

Samenvatting - Class notes - Bestuursrecht

  • 1565301600 Leerdoelen les 1

  • Wat houdt het specialiteitsbeginsel in?
    Dit houdt in dat een bestuursbevoegdheid alleen mag worden uitgeoefend in overeenstemming met de doelstelling van de bevoegdheidverlenende wet.
  • Wat houdt het legaliteitsbeginsel in?
    Dit houdt in dat het bestuur niet mag handelen tenzij de wetgever dit heeft toegestaan.
  • Waar gaat het formeel bestuursrecht over?
    Dit gaat over de procedures die door het bestuur moeten worden gevolgd bij het nemen van besluiten, de vorm en inrichting van besluiten en de procedures die moeten worden gevolgd bij het bieden van bestuursrechtelijke rechtsbescherming.
  • Formeel bestuursrecht kan worden verdeeld in bestuursprocesrecht en het besluitvormingsrecht.
  • Wat regelt het besluitvormingsrecht?
    Dit regelt de totstandkoming van een besluit (H2 t/m H5 Awb).
  • Wat regelt het bestuursprocesrecht?
    Dit regelt hoe je bepaalde rechtsmiddelen kunt inzetten (H2 en H6 t/m H8 Awb).
  • Waar heeft het materieel bestuursrecht betrekking op?
    Dit heeft betrekking op de inhoud van besluiten.
  • Tot het materiële bestuursrecht reken we de wetten waarin bestuursbevoegdheden worden toegekend en genormeerd.
  • Het bijzonder bestuursrecht is versnipperd over vele bijzondere bestuurswetten. Elke bijzondere wet regelt niet meer dan een specifiek onderdeel van het algemeen belang.
  • Het algemeen bestuursrecht betreft de regels die voor alle delen van het bijzonder bestuursrecht relevant zijn. Het gaat dan vooral om procedurele bepalingen.
  • De algemene wet moet altijd in samenhang met een bijzondere bestuurswet geraadpleegd worden.
  • De algemene wet geeft de procedureregels die het bestuur in acht moet nemen bij de uitoefening van een in een bijzondere wet toegekende bestuursbevoegdheid.
  • Waar gaat het bij autonomie om?
    Hierbij gaat het om de bestuursbevoegdheden die verband houden met regeling en bestuur van de eigen huishouding.
  • Wat wil medebewind zeggen?
    Dit wil zeggen dat er een (verplichte) medewerking door de decentrale overheidsbesturen is aan de uitvoering van wetten in formele zin die op rijksniveau door de wetgever zijn gemaakt.
  • Wat houdt decentralisatie in?
    Dit houdt in dat de centrale overheid zich niet alleen bezighoudt met het bestuur, maar dat taken ook worden overgeheveld en uitgevoerd door de lagere overheden.
  • Gelede normstelling: de regels die een bepaald handelen van burgers normeren, zijn te vinden in diverse lagen wetgeving.
  • 1565388000 Leerdoelen les 2

  • In welk artikel staat het begrip 'bestuursorgaan'?
    In art. 1:1 Awb.
  • In welk artikel staat het begrip 'a-orgaan'?
    In art. 1:1 lid 1 sub a Awb.
  • Het kunnen uitoefenen van een bestuursbevoegdheid is geen wettelijke voorwaarde om a-orgaan te zijn!
  • In welk artikel staat het begrip 'b-orgaan'?
    In art. 1:1 lid 1 sub b Awb.
  • Een zelfstandig bestuursorgaan is een bestuursorgaan van de centrale overheid dat bij de wet, krachtens de wet bij de algemene maatregel van bestuur of krachtens de wet bij ministeriële regeling met openbaar gezag is bekleed en dat niet hiërarchisch ondergeschikt is aan een minister.
  • De publiekrechtelijke rechtspersonen zijn de Staat, de provincies, de gemeenten en de waterschappen, benoemd in art. 2:1 Awb.
  • Een publiekrechtelijke rechtshandeling is gebaseerd op openbaar gezag.
  • Wat houdt openbaar gezag in?
    Dit houdt in dat voor het uitoefenen van een bestuursbevoegdheid en het tot stand brengen van een besluit de instemming of toestemming van een burger niet is vereist.
  • Waar gaat het om bij attributie?
    Hierbij gaat het om het toekennen van een nieuwe bevoegdheid (bevoegdheidstoekenning).
  • Wanneer is er sprake van delegatie?
    Hiervan is sprake als het gaat om het overdragen van een al bestaande bevoegdheid van het ene bestuursorgaan aan het andere bestuursorgaan (bevoegdheidsoverdracht).
  • Wanneer is er sprake van mandaat?
    Hiervan is sprake als een bevoegd bestuursorgaan een ambtenaar machtigt om namens hem besluiten te nemen. Het bevoegde bestuursorgaan blijft volledig verantwoordelijk.
  • In welk artikel staat het begrip 'belanghebbende'?
    In art. 1:2 Awb.
  • Wat is een belang?
    Dit is het voor- of nadeel dat iemand ergens bij heeft.
  • Wat is een direct-belanghebbende?
    Dit is degene waarop het besluit is gericht.
  • Wat zijn derde-belanghebbenden?
    Dit zijn anderen dan de mensen tot wie dat besluit is gericht.
  • Als aan de OPERA-criteria wordt voldaan, is er sprake van een rechtstreeks bij het besluit betrokken belang en kan iemand worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van art. 1:2 Awb.
  • Wat wordt er bedoeld met een objectief belang?
    Hiermee wordt bedoeld dat het geen subjectieve beleving mag zijn die door anderen niet wordt gedeeld.
  • Wat wordt er bedoeld met een persoonlijk belang?
    Hiermee wordt bedoeld dat jouw positie duidelijk te onderscheiden moet zijn van die van anderen.
  • Wat wordt er bedoeld met een eigen belang?
    Hiermee wordt bedoeld dat je niet kunt opkomen voor de belangen van anderen (tenzij je gemachtigd bent).
  • Wat wordt er bedoeld met een rechtstreeks belang?
    Hiermee wordt bedoeld dat er een direct verband moet zijn tussen het besluit het jouw belang.
  • Wat wordt er bedoeld met een actueel belang?
    Hiermee wordt bedoeld dat eventuele, nog onzekere belangen niet voldoende zijn.
  • Bevoegdheidscriterium: worden door een besluit publieke belangen geraakt die door de wetgever ten grondslag zijn gelegd aan een specifieke bestuursbevoegdheid, dan kan het bestuursorgaan dat die bevoegdheid uitoefent als belanghebbende worden aangemerkt.
  • Art. 1:2 lid 3 Awb voorziet in de mogelijkheid om (a) algemene (statutaire) en (b) collectieve belangen te behartigen. Dit lid is van belang voor rechtspersonen die bepaalde bovenindividuele belangen behartigen, zoals milieuorganisaties.
  • Rechtspersonen kunnen als belanghebbende worden aangemerkt als zij algemene of collectieve belangen in het bijzonder behartigen op basis van hun doelstelling en blijkens hun feitelijke werkzaamheden.
  • Het bestuur moet overeenkomstig het geschreven en ongeschreven recht handelen als het publiek- of privaatrechtelijke rechtshandelingen verricht en als er feitelijk wordt gehandeld.
  • Wat houdt de eis van wetmatigheid van bestuur in?
    Dit houdt in bestuurshandelingen op een wettelijke grondslag moeten steunen?
  • Wat zijn twee andere namen voor de eis van wetmatigheid van bestuur?
    Het wetmatigheidsbeginsel en het legaliteitsbeginsel.
  • Wat zijn belastende bestuursbevoegdheden?
    Dit zijn bestuursbevoegdheden op grond waarvan het bestuur eenzijdig verplichtingen kan opleggen aan burgers.
  • De uitoefening van belastende bestuursbevoegdheden moet gebaseerd zijn op de wet.
  • De uitoefening van regelgevende bevoegdheid van een bestuur resulteert in een algemeen verbindend voorschrift. Avv’s worden ook wel wetgeving in materiële zin genoemd.
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Samenvatting - Class notes - Bestuursrecht

  • 1505858400 Week 1

  • Welke bestuursniveaus bestaan er en noem 1 voorbeeld van een bestuursactiviteit?
    • Het rijk; verlenen van studiebeurzen
    • De provincie; toezicht op de gemeenten
    • De gemeente; verlenen vergunningen/bijstandsuitkeringen
  • Wat is het dagelijkse bestuur op rijksniveau?
    De regering (de koning + ministers)
  • Wat is het algemeen en dagelijks bestuur op provinciaal niveau?
    Het algemeen bestuur: de provinciale staten
    Het dagelijks bestuur: de gedeputeerde staten
  • Wat is het algemeen en dagelijks bestuur op gemeentelijk niveau?
    Het algemeen bestuur: gemeenteraad
    Het dagelijks bestuur: het college van B&W
  • Wat wordt er er verstaan onder autonome bestuursbevoegdheden?
    Deze bevoegdheden hebben te maken met het regelen en het besturen van de eigen huishouding
  • Wat is medebewind?
    Sprake van verplichte medewerking door de lagere overheden, aan de uitvoering van wetten in formele zin die op rijksniveau zijn gemaakt.
  • Na de 2e wereldoorlog ontstond de verzorgingsstaat in Nederland. Wat betekende dit?
    De overheid bemoeide zich toen met alle aspecten van het maatschappelijke leven
  • In de afgelopen jaren is Nederland uitgegroeid tot een nachtwakersstaat. Wat betekend dit?
    Het uitgangspunt is dat de staat zich met een beperkt aantal taken moest bezighouden zoals defensie, orde en veiligheid etc.
  • Geef 2 redenen waarom we bestuursrecht hebben
    1. De overheid wil de maatschappij reguleren, het gedrag van de burger sturen
    2. Het doel is het algemeen belang behartigen
  • Wat wordt er verstaan onder de eis van wetmatigheid van bestuur?
    Dit is het legaliteitsbeginsel. Het bestuur mag alleen maar handelen als de wetgever een specifieke bevoegdheid, in de wet, heeft verleend.
  • Wat bevat het algemeen bestuursrecht?
    Betreft regels die voor alle dele van het bijzonder bestuursrecht relevant zijn.
  • Wat is het bijzonder bestuursrecht en noem 2 voorbeelden en 1 kenmerk van het bijzonder bestuursrecht
    Elke bijzondere wet regelt niet meer dan een specifiek onderdeel van het algemeen belang. Een kenmerk van het bijzondere bestuursrecht is de versnipperde structuur. 
    Voorbeelden: sociaal zekerheidsrecht/belastingrecht/milieurecht
  • Als het algemeen en het bijzonder bestuursrecht in strijd zouden zijn met elkaar, welke gaat dan voor?
    Bijzonder gaat altijd voor het algemene bestuursrecht
  • 1505944800 Week 2

  • Wat is een bestuursorgaan?
    Een orgaan van de overheid, belast met behartigen van publieke belangen
  • Wat is een belanghebbende?
    Een persoon wiens belangen rechtstreeks bij de uitoefening van een bestuursbevoegdheid betrokken is.
  • Welke bestuursorganen kennen we in Nederland per bestuursniveau?
    • Rijk: Regering/ministerraad/ministers en staatssecretarissen
    • Provincie: Provinciale staten/gedeputeerde staten/commissaris van de Koning
    • Gemeente: Gemeenteraad/college van B&W/Burgemeester  
    • Waterschappen: Algemeen directeur/dagelijks bestuur/voorzitter
  • Is een openbaar lichaam een rechtspersoon?
    Nee een openbaar lichaam heeft geen rechtspersoonlijkheid
  • Noem een voorbeeld van een a-orgaan
    Een burgemeester
  • Noem een voorbeeld van een b-orgaan
    APK-keurder
  • Wat is het verschil tussen een openbaar lichaam en een bestuursorgaan?
    Een openbaar lichaam is een instantie, staat of deel die publiekrechtelijk is gevormd. Het openbaar lichaam is de hoofdtak die je kunt onderverdelen in bestuursorganen.
  • Welke 3 bouwstenen zijn er van een bestuursrechtelijke rechtsverhouding?
    • Bestuursorgaan 
    • Besluit (bestuursbevoegdheid)
    • Belanghebbenden 
  • Welke 5 criteria bestaan er om een derde belanghebbende vast te stellen? (licht ze ook toe)
    1. Objectief bepaalbaar: moet meetbaar zijn, geen emoties
    2. Persoonlijk belang: wat onderscheid jou van alle andere Nederlanders, hoe raakt het jou persoonlijk. Hierbij wordt gekeken naar het afstand- en zichtcriterium. 
    3. Eigen belang: je moet voor jouzelf opkomen niet voor een ander.
    4. Rechtstreeks belang: is er een causaal verband
    5. Actueel belang: gaat het om het heden en niet de toekomst
  • Wat is het afgeleid belang als het gaat om de derde belanghebbende?
    Als er sprake is van een belang dat niet direct het gevolg is van een besluit maar door een contractuele of een vergelijkbare relatie
  • Welke 2 functies kent het belanghebbende begrip:
    1. Functie in de besluitvormingsfase
    2. Functie in de rechtsbeschermingsfase
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Samenvatting - Class notes - Bestuursrecht

  • 1452466800 LEH 1: Inleiding

  • Wat is besturen op macro- en microniveau?
    Macroniveau is het niveau van de algemene beleidsontwikkeling en vaststelling.

    Microniveau is de concrete rechtsvaststelling en de uitvoeringshandelingen (besluiten betrekking hebbende op individuele gevallen zijn ‘beschikkingen’).
  • Wat houdt normatieve benadering van de democratische rechtsstaat in?
    Staat behoort aan een aantal vereisten te voldoen -> de overheid is principieel onvrij te handelen anders dan ter verwezenlijking van recht, op basis van het recht en in overeenstemming met het recht.
    In een democratische rechtsstaat dient men het overheidshandelen te beoordelen vanuit drie centrale beginselen / niet tot elkaar herleidbare invalshoeken (dimensies).
  • Wat zijn de drie centrale beginselen van een democratische rechtstaat?
    1. Democratie: burgers moeten zeggenschap hebben;

    2. Het liberale rechtsstaat denken: vrijheid, rechtszekerheid en rechtsgelijkheid t.o.v. overheidshandelen;
    3. Sociale rechtsstaat: overheid moet actief omstandigheden scheppen die het de burger mogelijk maken aan zijn leven gestalte te geven (sociale rechtvaardigheid).
    Naast de centrale beginselen (zeggenschap, vrijheid, rechtszekerheid, rechtsgelijkheid en sociale rechtvaardigheid), bestaan ‘nadere’ beginselen die een uitwerking vormen van de centrale beginselen en daaraan dienend zijn. Bijvoorbeeld politieke verantwoordelijkheid,openbaarheid, rechtelijke controle, machtsverdeling, etc.
  • Noem de nadere beginselen van democratie, de Liberale rechtsstaat en de Sociale rechtsstaat.
    Democratie:
    a. Beslissen door algemeen vertegenwoordigde organen;
    b. Kiesrecht;
    c. Politieke verantwoordelijkheid;
    d. Decentralisatie;
    e. Inspraak;
    f. (Politieke) burgerschapsrechten;
    g. Openbaarheid.
    Liberale rechtsstaat.
    a. Wetmatigheid;
    b. Machtsverdeling;
    c. Grondrechten;
    d. Rechterlijke controle;
    e. Voorlichting.
    Sociale rechtsstaat.
    Deze nadere beginselen zijn beperkt doordat democratisch gelegitimeerde organen zelf beleidskeuzes en prioriteiten moeten kunnen stellen:
    a. Effectiviteit;
    b. Doelmatigheid.
  • Wat is besturen?
    Het van overheidswege behartigen van het algemeen belang waar dit naar constitutionele en politiek-democratische maatstaven noodzakelijk wordt geacht.
  • Wat doet een bestuur?
    Het behartigt het algemeen belang.
  • Wat doet bestuursrecht?
    Het ziet op juridische aspecten (rechtsbetrekking overheid en burger) van besturen.
  • Waarom is bestuursrecht van, voor en tegen het bestuur?
    Voor: bestuursrecht geeft de grondslag aan bestuursoptreden en instrumenteert dit.
    Van: uitoefening van de bevoegdheden die de wetgever aan het bestuur toekent
    Tegen: het biedt de burger waarborgen tegen bestuursoptreden.
  • Wat is het verschil tussen het materiële en formele bestuursrecht?
    Het materiële bestuursrecht kan worden omschreven als de concrete rechten en verplichtingen van burgers en de daarmee corresponderende bevoegdheden.

    Het formele bestuursrecht bestaat uit het bestuursprocesrecht zoals geldt voor de bestuursrechtelijke rechtsbeschermingsprocedures (contentieus formeel bestuursrecht).
    Daarnaast wordt ook het bestuursrechtelijk procedurerecht voor de voorbereiding en vaststelling van besluiten, met inbegrip van hun openbaarheid tot het formele bestuursrecht gerekend (non-contentieus formeel bestuursrecht).
  • Ontwikkeling en Opkomst:
    Na de middeleeuwen ontstonden er absolutistische regiems met uitgebreide stelsels van bestuursrechtelijke regels.
    De Amerikaanse en Franse revoluties brachten verschil in publieke en private bevoegdheden en machtenscheiding.
    1840-1880: invoering ministriele verantwoordelijkheid en parlementair stelsel  en algemeen kiesrecht (mannen 1917, vrouwen 1922).
    Economische crisis jaren 20-30 zorgt voor nadere normstelling (beschikking).
    Na WW2: verzorgingsstaat (bestemmingsplan), gelede normstelling komt tot volle bloei
    Jaren 80: omvang overheidsapparaat staat ter discussie --> heroverweging overheidstaken
  • Wat is het verschil tussen het bijzondere deel en het algemene deel?
    Het bijzondere deel bestaat uit wetten, algemene maatregelen van bestuur, ministriële regelingen, gemeentelijke en provinciale verordeningen en de daarop gebaseerde plannen, beschikkingen en andere besluiten, die de rechtsverhoudihngen binnen een concreet bijzonder gebied van overheidsactiviteiten regelen. Zoals wonen, werken, milieu, verkeer, onderwijs etc.
    Het algemene deel vormt hiervan deels een abstractie en generalisatie en bestaat voor een ander deel uit autonoom ontwikkelde onderwerpen. Is grotendeels vastgelegd in het Awb.
  • Wat zijn de functies van bestuursrecht?
    Legitimerend: Er moet een juridische grondslag zijn voor het bestuursoptreden, deze juridische grondslag zal uiteindelijk herleid worden uit de grondwet. Deze functie staat voor het in het leven roepen van bestuursorganen, toekennen van bevoegdheden en het regelen besluitvormingsprocedure.
    Instrumenteel: het gebruik van bestuursrecht ten behoeve van de vaststelling en de uitvoering van overheidsbeleid, vooral in de bijzondere delen. (plaatsing fiets veroorzaakt overlast).
    Waarborgfunctie: het waarborgen van de rechtspositie van de burger.
  • Wat zijn de fundamentele beginselen en uitgangspunten van het bestuursrecht?
    - Legaliteitsbeginsel
    - Specialiteitsbeginsel
    - Rechtszekerheidsbeginsel
    - Gelijkheidsbeginsel
    - Eis van stelselmatigheid
    - Beginsel van sociale rechtvaardigheid
  • Wat wordt verstaan onder het legaliteitsbeginsel?
    Overheidshandelen moet gebaseerd zijn op een vooraf aanwezige wettelijke bepaling. Het voorkomt dat de wetgevermet terugwerkende kracht regels kan opleggen. De uitvoerende macht bezit uitsluitend die bevoegdheden die haar uitdrukkelijk door de (Grond)wet zijn toegekend.
  • Wat wordt verstaan onder het specialiteitsbeginsel?
    Een bestuursorgaan mag alleen  beschikken over min of meer naar doel afgebakende bevoegdheden. Bestuursbevoegdheid wordt niet in het algemeen toegekend in het bestuursrecht, maar altijd met het oog op de behartiging van specifieke publieke belangen
  • Wat wordt verstaan onder het rechtszekerheidsbeginsel?
    Een burger mag, onder bepaalde voorwaarden, kunnen vertrouwen op uitlatingen van een bestuursorgaan waarin dingen worden toegezegd maar die later niet nagekomen (kunnen) worden door het bestuursorgaan.
  • Wat wordt verstaan onder het gelijkheidsbeginsel?
    De overheid moet gelijke gevallen op gelijke wijze behandelen (art. 1 Grondwet).
  • Wat wordt verstaan onder de eis van stelselmatigheid?
    = verbod op willekeur: wanneer de uitoefening van een discretionaire bevoegdheid blijk geeft van een zodanige gebrekkige afweging belangen, of zodanige gebrekkige feitenkwalificatie dat in redelijkheid niet meer van een rechtmatige belangenafweging of kwalificatie gesproken kan worden
  • Wat wordt verstaan onder het beginsel van sociale rechtvaardigheid?
    De drie dimensies van de democratische rechtsstaat:
    Burgers hebben zeggenschap over overheidshandelen de macht van liberale democratisch gelegitimeerde overheid moet worden beperkt, en voorspelbaar en  vrij van willekeur zijn sociale rechtsstaat. (de overheid is niet voor zichzelf maar voor de burgers = verwezenlijking van sociale rechtvaardigheid).
     
  • Wat wordt verstaan onder het fair-play beginsel?
    Dit gebod vereist dat bestuursorganen open en eerlijk optreden, betrokkenen adequaat informeren, geen informatie achterhouden, belanghebbenden niet aan het lijntje houden of burgers ongeoorloofd onder druk zetten.

    Op sommige punten raakt dit beginsel het beginsel van verbod van vooringenomenheid. Dit beginsel is verwant aan de formele zorgvuldigheidsbeginselen.
  • Wat wordt verstaan onder het verbod van détournement de pouvoir?
    Dit verbod vormt de keerzijde van het specialiteitsbeginsel. Dat een bestuursorgaan zijn bestuursbevoegdheid niet mag gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze is verleend is een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Het verbod geeft uitdrukking aan het specialiteitsbeginsel, het is een verbod van machtsmisbruik, oneigenlijk gebruik van bevoegdheid en onzuiverheid van oogmerk.

    Zandvoortse Woonruimtevorderingsarrest: De vorderingsbevoegdheid op grond van de voormalige woonruimtewet werd in casu door het bevoegde gezag niet toegepast met het oog op een doelmatige verdeling van woonruimte (het boogde publieke doel), maar om het in rekening brengen van een te hoge huurprijs aan de huurder te beëindigen.
  • Wat wordt verstaan onder het verbod van détournement de procedure?
    dit is de formele variant van het verbod ddp. het houdt in dat er door het bestuur geen lichtere procedure mag worden gevolgd om tot een besluit te komen, wanneer daarvoor een met meer waarborgen omklede procedure openstaat. 

    Het beginsel waakt er voor dat aan de belangen van burgers niet tekort wordt gedaan door procedurele waarborgen te ontwijken of te omzeilen via een lichtere procedure.
  • Wat wordt verstaan onder het verbod van willekeur?
    dit verbod is ontleend aan de rechtspraak van de HR. Dit verbod hangt samen met marginale toetsing.

    Het verbod van willekeur strekt ertoe om het uitoefenen van bestuurlijke discretie de maat te nemen aan de hand van een rechtmatigheidsnorm, zonder de beleidsvrijheid van het bestuur aan te tasten. --> maakt het mogelijk de rechtmatigheid van de bestuurlijke belangenafweging (beleidsvrijheid) of de kwalificatie van feiten door het bestuur te toetsen zonder dat de rechter in de verantwoordelijkheid van het bestuur treedt.

    Introductie van verbod van willekeur: Van Doetinchem-arrest.
  • Wat wordt verstaan onder het materieel zorgvuldigheidsbeginsel?
    Het samenstel van normen dat tot uitdrukking komt in art. 3:4 Awb (verbod van willekeur en het evenredigheidsbeginsel) wordt wel aangeduid als materieel zorgvuldigheidsbeginsel.
  • Wat wordt verstaan onder het materieel rechtszekerheidsbeginsel?
    Dit beginsel kan zich verzetten tegen de intrekking of wijziging  van (begunstigende) besluiten met terugwerkende kracht. Het beginsel voorkomt bijvoorbeeld ook dat minder gunstig beleid met terugwerkende kracht wordt tegengeworpen aan belanghebbenden die onder oud beleid een concreet verzoek o om een financiële tegemoetkoming deden en ook konden doen. De omstandigheden van het geval zijn bepalend.
  • Wat wordt verstaan onder het formeel rechtszekerheids- of duidelijkheidsbeginsel?
    Besluiten moeten duidelijk worden geformuleerd, voldoende houvast bieden en niet voor verschillende uitleg vatbaar zijn. Burgers (en anderen) hebben het recht om te weten waar zij rechtens aan toe zijn en wat er van hen verwacht wordt.
  • Wat is het verschil tussen het materiële en formele rechtszekerheidsbeginsel?
    Het materiële rechtszekerheidsbeginsel kan zich verzetten tegen de intrekking of wijziging van (begunstigende) besluiten met terugwerkende kracht. Ook voorkomt het beginsel dat minder gunstig beleid met terugwerkende kracht wordt tegengeworpen aan belanghebbenden. De omstandigheden van het geval zijn bepalend of er sprake is van ‘strijd’ met het beginsel. In het financiële bestuursrecht wordt aan het materiële rechtszekerheidsbeginsel mede invulling gegeven door het instellen van wettelijke en buitenwettelijke verjarings- en vervaltermijnen.
    Het formele rechtszekerheidsbeginsel houdt in dat besluiten duidelijk moeten zijn geformuleerd, voldoende houvast bieden en niet voor verschillende uitleg vatbaar zijn.
  • Wat is een bestuursrechtelijke rechtsbetrekking?
    Dit is de door het recht beheerste relatie tussen het bestuur en de burger.
  • Wat is het verschil tussen een rechtsplicht en burgerlast?
    Aan een burgerlast hoeft een burger geen gevolg te geven, aan een rechtsplicht wel.
  • Wat is het verschil tussen privaatrecht en publieksrecht?
    Bij privaatrecht komen de bevoegdheden het rechtssubject toe, omdat hij rechtssubject is.

    Bij publiekrecht is een juridische grondslag nodig.
  • Hoe ziet de benadering vanuit het algemene deel eruit?
    Awb
  • Hoe ziet een benadering naar maatschappelijk onderwerp eruit?
    - Sectorale indeling (ministeries)
    - Facetmatige indeling (sectoren geclusterd)
    - Functionele indeling (sluit aan bij maatschappelijke activiteit)
  • Hoe ziet de instrumentele benadering eruit?
    Er zijn structurerende elementen:
    - organisatie
    - wetgeving
    - nadere regelgeving / planning
    - uitvoering
    - handhaving
    - rechtsbescherming
  • Wat is de doelstelling van de Awb?
    - harmonisatie
    - systematiseren en vereenvoudigen van wetgeving
    - codificeren onwtikkelingen
    - voorzieningen treffen ten aanzien van onderwerpen die zich naar hun aard niet voor regeling in een bijzondere wet lenen (restcategorie).

    De Awb is een aanbouwwetgeving.
  • Wat is de verhouding tussen strafrecht en bestuursrecht?
    Strafrecht werkt ten dienste van de handhaving van het bestuursrecht.
  • Noem de gradaties van harmonisatie.
    - dwingend recht: moet gelden voor het gehele bestuursrecht, mag aalleen bij wet in formele zin van worden afgeweken
    - regelend recht: moet worden beschouwd als voor normale gevallen de beste regeling, mag bij bijzondere wet van worden afgeweken.
    - aanvullend recht: geldt in het geval dat een bijzondere wet (in materiële zin) het onderwerp niet regelt.
    - facultatief recht: slechts van toepassing  indien dit bij (bijzonder) wettelijk voorschrift of bij besluit van het betrokken bestuursorgaan is bepaald.
  • Welke eigenschappen heeft de structuur van de Awb?
    - inwendig: huidige wet opgehangen aan centrale begrippen (bestuursorgaan, besluit, beroep)
    - uitwendig: gelaagde structuur
  • Langs welke twee wegen beïnvloedt het Europese recht de besluitvorming van Nederlandse bestuursorganen?
    - via indirecte weg: veel NLse wetgeving die door bestuursorganen moet worden uitgevoerd betreft in principe geïmplementeerd Europees recht.
    - via directe weg: sommige Europese regels moeten rechtstreeks worden toegepast (met name EG-verordeningen).
  • Wat zijn doorwerkingsinstrumenten?
    Doorwerkingsinstrumenten moeten er voor zorgen dat Europees recht effectief kan worden gerealiseerd. We kennen de volgende instrumenten:
  • Wat zijn de drie doorwerkingsinstrumenten om het communautaire recht voorrang te verlenen?
    1. Rechtstreekse werking: voor veel Europeesrechtelijke regels geldt dat zij rechtstreeks bij de nationale rechter kunnen worden ingeroepen en dat de nationale bestuursrechters hen rechtstreeks moeten toepassen (ook wanneer dat in strijd is met nationaal recht).
    2. de (verdrag)conforme interpretatie: de rechter moet het nationale recht zoveel mogelijk interpreteren conform het Europese recht.
    3. Francovich-aansprakelijkheid: deze aansprakelijkheid ziet onder meer op situaties waarin belanghebbenden schade ondervinden door niet-tijdige of onjuiste omzetting van Europese richtlijnen in nationale wetgeving.
  • Wat wordt verstaan onder “inspraak”? En welke drie elementen zijn hierbij van belang?
    Inspraak is het naar voren brengen van je eigen zienswijze, wat resulteert in het daadwerkelijk beïnvloeden van het overheidsbeleid en andere overheidshandelingen, drie elementen zijn van belang:

    1. Georganiseerde mogelijkheid voor burgers om hun mening of gedachten te uiten;
    2. Burgers dienen gelegenheid te hebben in discussie te treden met bestuurders en ontwerpers;
    3. Burgers mogen verwachten dat de uitkomst van de discussie, binnen redelijke grenzen, van invloed is op de uiteindelijke beslissing.
    Indien geen gebruik wordt gemaakt van dit recht, wordt het beroepsrecht van de burger verspeeld.
  • Art. 11 Auteurswet: Ten behoeve van openbaarheid rust er geen auteursrecht op wetten, verordeningen, besluiten door de openbare macht uitgevaardigd, noch op rechterlijke uitspraken en administratieve beslissingen.
  • Leg het besluitvormingsmodel Awb (H4 + H5 Awb) van de Awb uit.
    - Start ambtshalve of op aanvraag belanghebbende;

    - Bestuursorgaan stelt relevante feiten en af te wegen belangen vast;
    - Afhankelijk van de aard van het besluit wordt het proces van voorbereiding ondersteund door formele hoorplichten of de facultatieve uniforme openbare voorbereidingsprocedure (UOV);
    - Rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen worden afgewogen (motivatie waarom bepaalde belangen hogere of lagere prioriteit hebben)
    - Besluit wordt gemaakt met inachtneming dat dit de belangen van burgers niet onevenredig mag benadrukken, noch anderszins in strijd mag zijn met geschreven of ongeschreven recht.
    De Awb heet een gelaagde structuur (van algemeen naar bijzonder), echter door aanbouwwetgeving gaat dit niet in alle gevallen op.
  • Uit welke fasen bestaat de toets aan het gelijkheidsbeginsel?
    1. Fase waarin wordt nagegaan of er sprake is van vergelijkbaarheid (vergelijkbaarheidstoets);

    2. Fase waarin wordt nagegaan of er (gegeven de vergelijkbaarheid) een voldoende objectieve rechtvaardiging bestaat voor ongelijke behandeling.
    Het verbod van discriminatie zoals vastgelegd in Art. 1 van de Grondwet is als constitutioneel beginsel verbonden met het gelijkheidsbeginsel en komt tevens tot uitdrukking in veel bepalingen van Europees en Internationaal recht.
  • Noem de verschillende benaderingen van het bijzondere deel van het bestuursrecht.
    1. Benadering vanuit het algemeen deel: rechtsfiguren en procedures worden uitgelegd aan de hand van de begrippen en systematiek van het algemeen deel (Awb);

    2. Benadering naar maatschappelijk onderwerp: onderscheid wordt gemaakt tussen sectorale (terreinen van overheidsbeleid), facetmatige (geclusterd in hoofdgebieden) en een functionele (naar maatschappelijke activiteit waarop het rechtsgebied betrekking heeft) benadering;
    3. Instrumentele benadering: (politieke) doelstellingen worden geformuleerd en instrumenten die de doelstellingen moeten verwezenlijken worden gekozen.
  • Wanneer de instrumentele functie wordt verbonden met de beginselen van de democratische rechtsstaat, kan het (bijzonder) bestuursrecht aan de hand van de volgende elementen worden gestructureerd:
    - Organisatie;
    - Wetgeving;
    - Nadere regelgeving en planning;
    - Uitvoering;
    - Handhaving;
    - Rechtsbescherming.
  • Wat is juridisering?
    Juridisering kan worden omschreven als de ontwikkeling waarbij in maatschappelijke relaties het juridische aspect steeds belangrijker of zelfs dominant wordt.
  • Wat is het Europees verbod op omgekeerde verticale (of rechtstreekse) werking?
    Het Europees verbod op omgekeerde verticale (of rechtstreekse) werking houdt in dat geen directe verplichting aan de burger opgelegd mag worden i.v.m. de rechtszekerheid. Dit kan namelijk in strijd zijn met rechtstreeks werkende bepalingen (is wel van toepassing, maar er vloeit geen verplichting uit voort en lost dus niets op). Nationale rechters proberen dit op te lossen door de beoordeling of een direct belanghebbende negatieve gevolgen ondervind van een beroep van een derde op een niet-tijdig of onjuist geïmplementeerde richtlijnbepaling (met directe werking).
  • Europees bestuursrecht ziet primair op het recht dat geldt tussen de instellingen van de Unie en de lidstaten en de Europese burgers. Daarnaast gaat het ook om het geheel van rechtsnormen afkomstig uit het unierecht die het nationale bestuursrecht inkleuren, modificeren of ter zijde stellen. Het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheiden (EVRM) is van grote invloed op zowel het algemene als de bijzondere delen van het (nationale) bestuursrecht. Daarnaast is ook het Europese Unierecht van grote invloed. Van daaruit staan de uitgangspunten supranationaliteit, voorrang en rechtstreekse werking namelijk centraal. Hierdoor verloopt de doorwerking van het Europese rechte in het nationale recht autonoom (d.w.z. onafhankelijk van nationaal constitutioneel recht).
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Samenvatting - Class notes - Bestuursrecht

  • 1454454000 Bestuursrecht

  • Tekstboek Hoofdstuk 1
    1.1.1 Karakterisering
    Bestuursrecht is het recht voor, van en tegen het overheidsbestuur.
    Drie functie van het bestuursrecht:
    1. Legitimerende: de juridische grondslag voor het optreden van een bestuursorgaan.
    2. Instrumentele: het gebruik van bestuursrecht voor de vaststelling en de uitvoering van overheidsbeleid.
    3. Waarborgfunctie: het garanderen van rechtsbescherming bij een onafhankelijke rechter. Algemene materiële en formele waarborgen in de Awb en ongeschreven algemene beginselen van behoorlijk bestuur vormen ook een invulling van deze functie. 

    Overheidsbestuur kan duiden op twee betekenissen:
    1. Het kan duiden op de bestuursorganisatie
    2.Of op de activiteit, de functie van het besturen
  • Notities groepsbijeenkomst:

    Casus Cafe ' De Uitspanning'
    Is in casu sprake van een besluit?
    De brief is in feite een afwijzing van de aanvraag. 
    Voldoet de brief aan de besluitcriteria van art. 1:3 onder 1 Awb.

    1. Aanvraag 7 januari
    2. Opheffen verbod
    3. Verkeerde bestuursorgaan
    4. Datum 
    5. Zienswijze mogelijkheid
    6. Niet meer tijd tot beslissen
    7. leges van 75 euro
    8. Brief ondertekening
    9. Loco-burgemeester  
  • Welke rechtsregels zijn van toepassing/belang:

    1:3 Awb--> besluit
    1:1 Bestuursorgaan
    4:8 Zienswijze
    4:13 Beslisstermijn
    1:3 APV drie weken voor aanvraag
    2:3 Doorzendplicht (uit de rechtspraak blijkt dat het 3 dagen is!)
    4:7 Awb
    2:21 APV
    6:2 AWB
  • Dienende overheid
    Bestuursorganen zijn met name in het leven geroepen om ervoor te zorgen dat de overheid goed functioneert. 


    Specialiteitenbeginsel:
    Art. 3:4 Awb. 


    Er is juridisch niets tegen de voorbereidingsprocedure in te bergen. Wel is het mogelijk om bij eventuele schade die men door een rechtsgevolg daarvan ondervindt, vergoed te krijgen. 


    Onderscheid tussen de aanvraag en .......en derde:
    Een derde kan een zijdelings belang dan wel een afgeleid belang hebben bij een besluit. 


    Van de beslisttermijn van 8 weken kan worden uitgeweken. 

  • 1.3
    a Een bestuursrechtelijke rechtsbetrekking is door het recht beheerste relatie tussen het bestuur en burgers.
    b De wederkerige rechtsbetrekking brengt volgens de wetgever mee dat de burger inspraak moet hebben bij bestuurlijke besluitvorming en dat (binnen het kader van de wet) rekening moet worden gehouden met belangen van de burger. Maar de wederkerig rechtsbetrekking brengt ook met zich dat de burger rekening moet houden met de positie en de belangen van het bestuur.

    Het gaat om een verhouding die wordt beheerst door het recht, een 'rechts' betrekking. Bij de uitoefening van bestuursbevoegdheden zal het bestuur de abbb's in acht moeten nemen. Het bestuur mag anderzijds van de burger verwachten dat hij het bestuur behulpzaam is bij de uitoefening van bestuursbevoegdheden. Bijv. info verstrekken die nodig is om te beoordelen of de burger voor een bepaalde vergunning in aanmerking komt.

    In het bestuursrecht wordt, in tegenstelling tot het privaatrecht, niet samen besloten, maar- uiteindelijk- eenzijdig door het bestuur. 

    De overheid kan, als het moet, nog altijd eenzijdig haar wil doorzetten. Er is dus over het algemeen geen sprake van een horizontale verhouding tussen overheid en burger. 
  • 1.3 C
    Het bestuur behartigt per definitie het algemeen belang. Alle handelingen van het bestuur zal dan ook daarop gericht moeten zijn. Het bestuur mag een eigen- van het algemene belang vreemde- belang nastreven. 

    Deze notie/aantekening is van belang bij de normering van het bestuurshandelen. 
    Bestuursorganen moeten zich onthouden van praktijken die de rechtspositie van de burger ondermijnen (fair play). 
  • 1.4 A
    Een convenant gesloten tussen een projectontwikkelaar en de gemeente is niet in een publiekrechtelijke wet geregeld. Het wordt gezien als een overeenkomst in de zin van het Burgerlijk Wetboek. De gemeente kan als een privaatrechtelijke rechtspersoon als rechtssubject in het privaatrechtelijke rechtsverkeer deelnemen.


    Als een overheidsorgaan bijv. een gemeente een overeenkomst sluit (dus contractspartij is), dient er bij de toepassing van de privaatrechtelijke regels rekening te worden gehouden met publiekrechtelijke regels en beginselen. In zoverre werkt het bestuursrecht door in het toepasselijke recht.
  • 1.5 
    Bestuursorgaan: 
    A een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld

    B of een ander persoon of college, met enig openbaar gezag bekleed. 


    De Awb kent een gelaagde structuur. Dit betekent dat de Awb is opgebouwd van algemeen naar bijzonder. 
    Een beschikking is een bijzonder soort besluit. art. 1:3 lid 2 Awb. 


    1.7 
    a art. 3:7 lid 1 Awb is dwingend 
    b art. 3:10 Awb  is facultatief (facultatief betekent: er kan voor de toepasselijkheid daarvan worden gekozen. 
    c art. 4:1 is regelend  (met de term 'bij wettelijke voorschrift' wordt gedoeld op een wet in materiële zin.)
    d art. 4:13 lid 2 Awb is aanvullend 
  • 1.9 
    Het Europees recht beïnvloedt de besluitvorming van de Nederlandse bestuursorganen via de indirecte weg: veel Nederlandse wetgeving die door bestuursorganen moet worden uitgevoerd betreft in principe geïmplementeerd/ingevoerd Europees recht. Zo kennen we in het ruimtelijk bestuursrecht en het natuurbeschermingsrecht veel wettelijke regelingen en/of bepalingen aan die een Europeesrechtelijke origine kennen. 


    In de tweede plaats wordt de Nederlandse besluitvorming via de directe weg beïnvloed: sommige Europese regels moeten rechtstreeks worden toegepast. Het gaat daarbij met name om EG-verordeningen. Deze zijn rechtstreeks toepasselijk (self- executing) in de Lidstaten. 
  • 1.10
    De drie 'doorwerkingsinstrumenten' welke door het Hof van Justitie zijn ontwikkeld t.a.v. gevallen waarin het Nederlandse recht in strijd is met Europees recht:

    1. Bij de rechtstreekse werking (self-executing) van Europese regels geldt dat zij rechtstreeks bij de nationale rechter kunnen worden ingeroepen en dat de nationale bestuursrechters hen rechtstreeks moeten toepassen. (In geval van strijd met nationaal recht, wordt het nationaal recht buiten toepassing verklaard!)

    2. De (verdrag)conforme interpretatie: de rechter moet het (met EG-recht strijdig) nationaal recht zoveel mogelijk interpreteren conform het Europese recht.

    3. De zogenaamde Francovich-aanspraakelijkheid: Deze aansprakelijkheid ziet onder meer op situaties waarin belanghebbenden schade ondervinden door niet-tijdig of onjuiste omzetting van Europese richtlijnen in nationale wetgeving.
  • Werkboek hoofdstuk 2. Opgaven
    2.2 a 
    Als er gesproken wordt over rechtspersoon, wordt ermee bedoeld de rechtspersoon die in Boek 2 van het BW wordt gehandeld. Bij een OVK met een ondernemer is de gemeente als privaatrechtelijke rechtspersoon contractpartij. Een rechtspersoon handelt via zijn organen; het afsluiten en ondertekenen van de OVK waarbij de gemeente partij is, geschiedt door de organen van de gemeente. De burgemeester is zo'n orgaan.


    Aan de burgemeester komt ingevolge art. 171 lid 1 Gemeentewet bevoegdheden toe in het privaatrechtelijke verkeer. (bijv. het ondertekenen van een contract bij een aannemer). Diezelfde burgemeester ontleent aan de APV de bevoegdheid om sluiting van een horeca-inrichting te bevelen. In dat geval handelt hij niet als vertegenwoordiger van de privaatrechtelijke rechtspersoon, maar op eigen titel: aan de burgemeester als bestuursorgaan ( en niet aan de gemeente) is immers een eigen publiekrechtelijk bevoegdheid toegekend.
  • 2.2. b ambt en ambtsdrager
    Eberhard v/d Laan is de persoon die zijn handtekening zet onder het contract en onder de beschikking. (inhoudende de last tot sluiting) o.g.v. de APV. Daarmee bindt hij niet zichzelf, maar het ambt waaraan de bevoegdheid toekomt om die rechtshandeling te verrichten. Dat ambt is geen 'reële' persoon; het heeft een 'drager' nodig om te handelen. Dat ambt (de 'burgemeester') is juridisch gezien de handelende persoon. Mr. Lorman is alleen behulpzaam geweest bij de uitoefening van bevoegdheden. Hij is echter geen ambtsdrager. 
  • 2.5 a
    De NV Luchthaven Schiphol behoort tot de privaatrechtelijke ingestelde rechtspersonen. Weliswaar is er een Wet van 11 december 1957 houdende oprichting van die NV, maar die wet is slechts nodig om de ministers te machtigen om tot de privaatrechtelijke rechtshandeling van oprichting van die NV over te gaan. De NV zelf is niet bij wet ingesteld; het kan dus geen rechtspersoon zijn als bedoeld in art. 2:1 BW. 

    2.5 b
    De Afdeling beroept zich op de wetsgeschiedenis van de Awb. Hoewel aanvankelijk in de parlementaire stukken als uitgangspunt was genomen dat privaatrechtelijke rechtspersonen tot de overheid moeten worden gerekend, omdat organen van publiekrechtelijke lichamen een ' overwegende invloed' uitoefenen op het beheer van die privaatrechtelijke rechtspersonen, is dat standpunt later verlaten. 

    De Afdeling acht dat van doorslaggevende betekenis en schaart zich in de uitspraak achter het standpunt van de regeringscommissaris, zoals bij de parlementaire behandeling verwoord, dat die ' overwegende overheidsinvloed' uitsluitend een rol kan spelen bij beantwoording van de vraag of de privaatrechtelijke rechtspersoon tot de 'openbare dienst' in de zin van de Ambtenarenwet kan worden gerekend. 
  • 2.5 c
    Een privaatrechtelijk ingestelde rechtspersoon kan volgens de Afdeling alleen onder het begrip 'bestuursorgaan in de zin van de Awb' vallen, als zij 'met enig openbaar gezag is bekleed'  

    Een persoon of college is met enig openbaar gezag bekleed ' indien en voor zover haar een of meer overheidstaken zijn opgedragen en de daarvoor benodigde publiekrechtelijke bevoegdheden zijn toegekend'. Alleen als dus kan worden aangetoond dat aan de NV Schiphol bij wettelijk voorschrift een exclusieve (publiekrechtelijke) bevoegdheid is toegekend, zou zij als bestuursorgaan in de zin van art. 1:1 lid 1 onder b Awb kunnen worden aangemerkt. 
  • 2.6
    In de rechtspraak is uitgemaakt dat personen in dienst van een rechtspersoon die krachtens privaatrecht is opgericht, toch ambtenaar zijn als deze rechtspersoon onder overwegende overheidsinvloed staat.

    De rechtspersoon die onder overwegende overheidsinvloed staat, behoort tot de 'openbare dienst'. Voor zover de rechtspersoon jegens deze ambtenaren beslissingen neemt, is zij bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1:1 lid 1 onder b Awb.

    Criteria voor overwegende overheidsinvloed:
    a Heeft een bestuursorgaan een overwegende invloed op de samenstelling van het bestuur en de benoeming van bestuursleden van de stichting?
    b Heeft dit bestuursorgaan een belangrijke invloed op de financiën van de stichting?
    c Speelt dit bestuursorgaan een rol t.a.v. het personeelsbeleid?
    d Heeft dit bestuursorgaan een goedkeuringsbevoegdheid t.a.v. een of meer besluiten van de rechtspersoon?


    O.b.v. voorgaande is de stichting geen ' openbare dienst'. Er is weliswaar financiële afhankelijkheid en invloed op de samenstelling van het bestuur, maar dat is niet voldoende. Het personeelsbeleid is een zaak van de directeur. Het gemeentebestuur heeft hierop geen directe invloed; hoogstens indirect via de raad van toezicht. Er zijn verder geen goedkeuringsbevoegdheden!
  • Conclusie is dan ook dat daar de stichting niet behoort tot de openbare dienst, zijn zijn werknemers niet aan te merken als ambtenaar. Bij de ontslagbeslissingen heeft de directeur dus niet als bestuursorgaan als bedoeld in art. 1:1 lid 1 onder b Awb gehandeld.

    2.7
    De Afdeling heeft in zijn uitspraak inzake NV Luchthaven Schiphol bepaald dat een privaatrechtelijke rechtspersoon wegens een 'overwegende overheidsinvloed' op het beheer uitsluitend in de positie van bestuursorgaan kan staan ten opzichte van personen die zijn aangesteld als ambtenaar bij die rechtspersoon, maar niet tegenover anderen.

    Een vereiste om ook naar buiten toe (dus buiten de sfeer van het ambtenarenrecht) als bestuursorgaan te kunnen worden aangemerkt is indien aan een rechtspersoon een of meer overheidstaken zijn opgedragen en dat de daarvoor benodigde publiekrechtelijke bevoegdheden zijn toegekend.
  • 2.8 a
    Indien een orgaan van een rechtspersoon (i.c. Stichting Silicose) niet krachtens publiekrecht is ingesteld, is dat orgaan geen 'a' orgaan. De Stichting Silicose is opgericht bij een privaatrechtelijke rechtshandeling en dus niet krachtens publiekrecht ingesteld.

    2.8 b
    Gronden voor het oordeel t.a.v. de uitoefening van openbaar gezag:
    De overheid heeft een financiële regeling getroffen met oud-mijnwerkers met silicose. Dit is geschied zonder grondslag in een materiële wet doet hier niet aan af. De Staatssecretaris heeft kennisgenomen van de criteria uit het Reglement m.b.t. de beoordeling van vergoedingen. Er is dus een inhoudelijke relatie tussen de Staatssecretaris en de Stichting bij de toekenning van de vergoedingen. De Stichting beschikt niet over financiële middelen uit ander bron dan de overheid. Dus is er ook een financiële relatie tussen de Stichting en de overheid.

    Genoemde relaties betekenen dat er een zodanige band is tussen de Staatssecretaris en de Stichting dat de Stichting bij de toekenning van de vergoeding openbaar gezag uitoefent ex art. 1:1 lid 1 onder b Awb.
  • 2.8 c
    Er dient gekeken te worden naar de criteria uit de uitspraak NV Luchthaven Schiphol om vast te kunnen stellen of de Stichting behoort tot de openbare dienst en jegens haar personeel handelt als bestuursorgaan. 

    Dit zijn ander criteria dan die welke moeten worden gehanteerd bij de beoordeling of de stichting die bij het verstrekken van bepaalde vergoedingen geen wettelijke regeling uitvoert, desalniettemin handelt als bestuursorgaan ex. art. 1:1 lid 1 onder b Awb. De onderhavig uitspraak beidt t.a.v. die vraag geen uitsluitsel, want de betreffende kwestie (moeten de bij de Stichting werkzame personen worden aanmerkt als ambtenaar in de zin van de Ambtenarenwet) is in de uitspraak van de Stichting Silicose niet aan de orde. Wel komt in de uitspraak naar voren dat de statuten niet voorzien in invloed van de staatssecretaris op de samenstelling en werkwijze van het bestuur. 
  • Belangrijke samenvatting m.b.t. begrip ' Bestuursorgaan'


    A-organen
    Het a-bestuursorgaanbegrip staat bekend als een ruim bestuursbegrip. Ook organen van rechtspersonen ingesteld krachtens publiekrecht die niet over publiekrechtelijke bevoegdheden/bestuursbevoegdheden beschikken, zoals het KNMI, vallen daaronder.  Aan een a-orgaan wordt immers de voorwaarde gesteld dat dat orgaan deel moet uitmaken van een rechtspersoon ingesteld krachtens publiekrecht (een formele eis); de eis dat een dergelijk orgaan ook openbaar gezag moet uitoefenen (een materiële eis) wordt t.a.v. a-organen niet gesteld. 


    Dit brengt met zich dat op dergelijke als toch hoofdstuk 2 Awb en- via de schakelbepaling uit art. 3:1 lid 2 Awb- de abbb uit afdeling 3.2 t/m 3.4 Awb van toepassing zijn. (d.w.z. dat deze bepalingen van toepassing zijn op de privaatrechtelijke en feitelijke handelingen die zij verrichten!
  • B-organen
    De zogeheten B-organen betreft een 'restcategorie'. Daarom dient men bij beantwoording van de vraag of er sprake is van een bestuursorgaan in de zin van Awb altijd eerst te bekijken of er sprak eis van een a-orgaan. Enkel indien een orgaan niet kan worden aangemerkt als een a-orgaan, moet worden bekeken of er niet toch sprake is van een b-orgaan. De zinssnede in art. 1:1 lid 1 onder b Awb 'met enig openbaar gezag bekleed' duidt op het beschikken over publiekrechtelijke bevoegdheden, dus op het vermogen om bindende besluiten te nemen. 


    Soms worden besturen van rechtspersonen in de zin van art. 2:3 BW (niet zijnde 'rechtspersonen ingesteld krachtens publiekrecht')- bij wet(toelijken voorschrift)- belast met de uitoefening van publiekrechtelijke bevoegdheden. In veel gevallen gaat het daarbij om stichtingen, maar het kan ook gaan om een NV of BV die openbaar gezag uitoefent.  


    (a) Uitgangspunt is dat deze b-organen hun bevoegdheid moeten ontlenen aan een wet( legaliteitsbeginsel). 
  • (b) Uitzonderingen daarop zijn echter wel mogelijk. Bijv. een situatie waarin een rechtspersoon een 'publieke taak' (oftewel overheidstaak) uitoefent zonder dat daarvoor een wettelijke grondslag bestaat. Daarbij wordt aangenomen dat o.b.v. het publieke taak-criterium slechts zogenoemde begunstigende besluiten (in het bijzonder betreffende uitkeringen en subsidies) kunnen worden genomen.

    Bijv. de uitspraak inzake Stichting Silicose. De bevoegdheid van deze stichting om uitkeringen te verstrekken is niet neergelegd in een wettelijk voorschrift, maar wordt afgeleid uit de aanwezigheid van een overheidstaak.

    (c) Het criterium 'overwegende overheidsinvloed' (NV Luchthaven Schiphol) is enkel van belang voor de beantwoording van de vraag of er bij een rechtspersoon ingesteld krachtens privaatrecht ambtenaren werkzaam zijn. Een dergelijke rechtspersoon is dan slechts bestuursorgaan i.h.k.v. het Ambtenarenrecht.  
    Bij beantwoording van de vraag of de rechtspersoon 'naar buiten toe' jegens de burgers bindende besluiten kan nemen, speelt het criterium 'overwegende overheidsinvloed' geen rol.

    Een belangrijk verschil t.o.v. de a-organen is dat b-organen slechts als bestuursorgaan worden aangemerkt voor zover zij zich bezighouden met de uitoefening van een publiekrechtelijke bevoegdheid. Daarbuiten, bijv. als zij dus privaatrechtelijk dan wel feitelijk handelen, kunnen zij niet worden aangemerkt als bestuursorgaan. De Schakelbepaling van art. 3:1 lid 2 Awb is voor hen niet van toepassing omdat zij niet als bestuursorgaan worden aangemerkt.
  • 2.9
    F-OPERA criteria t.a.v. het begrip ' belanghebbende' ex art. 1:2 lid 1 Awb

    - feitelijk belang (het belang moet geen fictie of verzinsel zijn)
    - objectief bepaalbaar belang (een subjectief belang bijv. smaak, gedachte, eer volstaat niet, hoe sterk dit ook mag zijn)
    persoonlijke belang (de persoon moet zich voldoende onderscheiden van willekeurige anderen. Bijv. bij een beschikking gericht tot die geadresseerde persoon)
    - eigen belang (opkomen voor het belang van een ander is niet mogelijk. Het is wel mogelijk om als gemachtigde een ander te vertegenwoordigen (artikel 2:1 lid 1 Awb).
    - rechtstreeks bij het besluit betrokken belang (er moet voldoende causaal verband aanwezig zijn tussen de gevolgen van het besluit en het geraakte belang- actueel belang)
    - Actueel belang het belang moet actueel zijn, dus niet gericht op eventuele toekomstige gebeurtenissen.

    Hij moet dus objectief in de positie verkeren dat hij in zijn eigen belangen concreet gevolgen van het besluit zal ondervinden die daaruit direct voortvloeien (direct geraakt ofwel rechtstreeks bij het besluit betrokken belang) en dat hij zich persoonlijk onderscheidt van anderen die gevolgen zullen ondervinden (persoonlijk belang).
  • Belanghebbende ex art. 1:2 lid 2 Awb

    - een aan het bestuursorgaan toevertrouwd belang: er moet sprake zijn van een bestuursorgaan als bedoel in art. 1:1 Awb; het toevertrouwd zijn van een belang moet blijken uit de taken en bevoegdheden die bij of krachtens de wet aan het bestuursorgaan zijn toegekend.

    - het toevertrouwd belang moet rechtstreeksworden geraakt (met rechtstreeks wordt gedoeld op de eis van heb begrip belanghebbende ex. art. 1:2 lid 1 Awb. De zes factoren dus!) Voorzover mogelijk moeten deze zes factoren ook getoetst worden bij een belanghebbende ex. art. 1:2 lid 2 ( t.a.v.bestuursorganen) en lid 3 Awb(t.a.v. rechtspersonen).
  • Belanghebbende ex art. 1:2 lid 3 Awb (Rechtspersonen)

    - er moet sprake zijn van een rechtspersoon: het bestaan ervan kan worden aangetoond met de notariële akte waaruit de oprichting blijkt;

    - is er geen notariële akte, dan is toch aan het criterium van rechtspersoon voldaan als er sprake is van een organisatie die beschikt over een ledenbestand, een zekere organisatiegraad heeft en als eenheid deelneemt aan het rechtsverkeer

    - blijkens de statuten en feitelijke werkzaamheden moet een bepaald algemeen of collectief belang in het bijzonder worden behartigd door deze rechtspersoon

    - dit betreffende algemeen of collectieve belang moet rechtstreeks bij het besluit zijn betrokken)
  • 2.11 a
    Ja, de rechter is van oordeel dat de bewoners/omwonenden zelf een rechtstreeks belang hadden bij de vergunning. Kennelijk hebben ze volgens de rechter als direct omwonenden een feitelijk, eigen, actueel, objectief bepaalbaar, persoonlijk en rechtstreeks betrokken belang. Echter uit het besluit van de ledenvergadering is de rechter gebleken dat het echt de bedoeling was dat de Vereniging als zodanig het beroep zou instellen. 

    b De rechter onderzoekt of de Vereniging een 'eigen' belang kan stellen. Hij kan uit de doelstellingen die in de statuten zijn opgenomen niet afleiden dat het belang van de Vereniging in het geding is als een aantal leden van de Vereniging nadelige gevolgen ondervindt van een besluit. 
  • 2.11 c
    De uitspraak van 23 augustus 2006 ( De vereniging Land- en Tuinbouworganisatie Noord) biedt beduidend meer mogelijkheden voor belangenorganisaties om o.g.v. statutaire doelstelling op te komen voor de belangen van een groep leden dan oudere rechtspraak. 

    Deze ruimte is er ALLEEN voor belangenorganisaties die opkomen voor collectieve belangen. Aan belangenorganisaties die opkomen voor algemene belangen worden  hogere eisen gesteld m.b.t. de concreetheid van de statutaire doelstellingen. Bovendien moeten zij aantonen dat zij ook feitelijke werkzaamheden verrichten ter bevordering van het algemeen belang waar zij voor staan. Deze feitelijke werkzaamheden mogen zich niet beperken tot het voeren van juridische procedures en daarmee samenhangende activiteiten. 
  • 2.11 d Of iemand belanghebbende is, is voor de toepassing van de Awb van doorslaggevende aard in de volgende gevallen:
    1. Als iemand een bestuursorgaan verzoekt een besluit te nemen. Een verzoek om een besluit te nemen wordt nl. alleen aangemerkt als een aanvraag in de zin van art. 1:3 lid 3 Awb als dat verzoek door een belanghebbende wordt gedaan. 

    2. De 'hoorplicht' bij de voorbereiding van een besluit. (Art. 4:7 en 4:8 Awb) geldt alleen t.a.v. belanghebbenden. Verder geldt als hoofdregel dat alleen belanghebbenden zienswijzen in kunnen brengen als de uniforme openbare voorbereidingsprocedure wordt gevolgd. (art. 3:15 Awb). Ook de hoorplicht in de fase van bezwaar en administratief beroep (art. 7:2 en art. 7:16 Awb). geldt alleen voor belanghebbenden. 
  • 3. Awb-beroep staat alleen open voor belanghebbenden (art. 8:1 Awb). 
    4. Alleen belanghebbenden kunnen als partij deelnemen in het geschil bij de rechter. 

    2.12
    Regelmatig oordeelt de Afd. in een geval waarin een persoon slechts geraakt wordt door een besluit via een contractuele relatie met degene tot wie het besluit is gericht- dat van belanghebbendheid geen sprake is omdat het belang van appellante (i.c. Stichting B.E.K.A. '66) geen rechtstreeks belang is, maar afgeleid is van het belang van de aanvrager van de subsidie ( i.c. Voetbalvereniging Alexandria' 66). Dit geldt te meer wanneer de aanvrager en de (rechts)persoon een bezwaar- dan wel een beroepsprocedure voeren en daarbij hetzelfde doel nastreven (i.c. vernietiging van het intrekkingsbesluit). Zij hebben dan een parallel belang. 

    Daar de subsidie-intrekking de Stichting B.E.K.A. ' 66- als eigenaar van het pand- in haar eigendomsbelang raakt, wordt zij i.c. wel als belanghebbende. 
  • Leereenheid 3
    Uitgangspunt bij het legaliteitsbeginsel is dat bevoegdheden van bestuursorganen terug te voeren dienen te zijn op een uitdrukkelijke bevoegdheidstoekenning door de wetgever. Soms wordt de eis van een wettelijke grondslag niet onverkort gesteld. Zo wordt wel eens de redenering gevolgd dat een (niet in de wet neergelegde bevoegdheid) wel in de wettelijke regeling besloten moet worden geacht te liggen. De zogeheten 'geïmpliceerde bevoegdheden'.


    3.2 
    In de literatuur en jurisprudentie is als algemeen uitgangspunt aanvaard dat, los van specifieke intrekkingsbepalingen in enige bijzondere wet, een bestuursorgaan de bevoegd niet kan worden ontzegd een begunstigende beschikking in te trekken indien deze onjuist was en de geadresseerde dit wist of behoorde te weten. 


    De bevoegdheid wordt dan geïmpliceerd geacht in de bevoegdheid tot weigering van de beschikking. 


    Het aannemen van geïmpliceerde bevoegdheden staat eigenlijk op gespannen voet met het legaliteitsbeginsel. In vooral oudere regelgeving de bevoegdheid tot intrekking en wijziging vaak niet geregeld zijn, omdat de wetgever ervan uitging dat zulke bevoegdheden besloten lagen in de bevoegdheid tot verlening van bijv. een vergunning. 
  • In aanwijzing 129 van de Aanwijzingen voor regelgeving is bepaald: ' Indien intrekking of wijziging van een op een regeling berustende beschikking mogelijk moet zijn, wordt de bevoegdheid daartoe uitdrukkelijk geregeld.' 

    I.c. is een wettelijke intrekkingsregeling (art. 30f de Wet op de kansspelen). In dat geval lijkt het legaliteitsbeginsel zich er tegen te verzetten dat een vergunning op andere dan de wettelijke gronden wordt ingetrokken. 

    3.3 Vier manieren van bevoegdheidsverkrijging
    1 Attributie: een bevoegdheid wordt gecreëerd en toegekend aan een overheidsorgaan;
    2. Delegatie: een bevoegdheid wordt door het ene overheidsorgaan aan het andere overgedragen:
    3. Mandaat: een bevoegdheid wordt namens een overheidsorgaan uitgeoefend door een ander
    4. Bevoegdheidsverkrijging krachtens ongeschreven grondslag.
  • De rechtspersoon UWV is krachtens publiekrecht ingesteld. (art. 2 Wet SUWI). Het bestuur is een orgaan van deze rechtspersoon. Hieruit volgt dat het bestuur van de UWV een bestuursorgaan is ex. art. 1:1 lid 1 onder a Awb.

    3.4 a Inspecteurs van de Belastingdienst zijn zelf een bestuursorgaan in de zin van de Awb.(het betreft immers een ambt binnen een staatsorganisatie waaraan een eigen bevoegdheid komt) en dragen voor de uitoefening van hun bevoegdheden een eigen juridische verantwoordelijkheid (zij treden bij een geschil waarover in beroep wordt geoordeeld als 'verweerder' op). 

    b Een minister of een staatssecretaris kan aan de belastinginspecteur bindende aanwijzingen geven (art. 10:22 Awb), daar de belastinginspecteur onder hun verantwoordelijkheid. 

    c Uit art. 10:22 Awb blijkt verder dat het bestuursorgaan (de minister/staatssecretaris) in het algemeen aanwijzingen kan geven ter zake van de uitoefening van de toegedeelde bevoegdheid. (dus tot het vaststellen van belastingaanslagen). 
  • 3.4 d Voor organen die niet ondergeschikt zijn aan de minister geldt dat de minister geen aanwijzingensbevoegdheid heeft, tenzij de wet anders bepaald. Het bij wet voorzien in een bevoegdheid om aanwijzingen per te geval te geven ligt bij zelfstandige bestuursorganen niet in de rede, omdat de reden van het instellen van dergelijke organen juist is dat de behartiging van een bepaalde taak op afstand van de minister en meer in het algemeen van de 'politiek' wordt geplaatst. Dit laatste is vooral van belang als een taak een uitvoeren karakter heeft en/of onpartijdig oordeelsvorming van groot belang wordt geacht. 


    3.5 a Delegatie behoeft een wettelijke grondslag (art. 10:15 Awb). Een grondslag voor delegatie kan echter ook in een andere wettelijke regeling van gelijke of hogere rang zijn gelegen. Art. 165 Gemeentewet voorzien in een algemene delegatiemogelijkheid voor het college van burgemeester en wethouders. 


    b Delegatie aan ondergeschikten is niet geoorloofd. (art. 10:14 Awb). Het overdragen van bevoegdheden aan bijv. het hoofd van de afdeling bouw- en toezicht van een gemeente is niet geoorloofd omdat hij werkzaam is onder verantwoordelijkheid van het college van burgemeester en wethouders en derhalve ondergeschikt is aan het college. 
  • 3.6 a Conform art. 107 Provinciewet kan het college van gedeputeerde staten een bevoegdheid die het heeft voor het gebied van een gemeente overdragen aan het bestuur van die gemeente. Gedeputeerde staten is die specifieke bevoegdheid kwijt. De gemeente past vervolgens die bevoegdheid onder eigen juridische verantwoordelijkheid toe. Gedeputeerde staten dragen dus niet meer de juridische verantwoordelijkheid voor de wijze waarop bijv. de vergunningsbevoegdheid wordt uitgeoefend. 

    GS zijn bevoegd ter zake van de gedelegeerde bevoegdheid beleidsregels vast te stellen die burgemeester en wethouders bij de uitoefening van hun bevoegdheid in beginsel moeten naleven (art. 10:16 lid 1, 4:81, 4:84 Awb). GS kunnen op het al dan niet vaststellen van de beleidsregels en op de inhoud daarvan worden aangesproken. GS kunnen tevens de delegatie te allen tijde beëindigen (art. 10:18 Awb). Laat het college de delegatie in stand, dan is het daarop aan te spreken. 
  • 3.6 b GS kunnen slechts beleidsregels en geen aanwijzingen per geval geven ter zake van de besluitvorming op een aanvraag van een vergunning. (art. 10:16) Zij zijn niet bevoegd om opdracht te geven voor bijv. de intrekking van een vergunning die door de burgemeester en wethouders al verleend is.

    c Zolang GS het delegatiebesluit niet intrekken (art. 10:18), zijn zij de bevoegdheid betreffende de verlening, wijziging en intrekking van vergunningen kwijt. Een bestuursorgaan dat een bevoegdheid delegeert, kan deze bevoegdheid niet meer zelf uitoefenen. (art. 10:17). Zouden zij onmiddellijk het delegatiebesluit intrekken, dan zouden gedeputeerde staten daarna wel bevoegd zijn tot intrekking van de milieuvergunning.

    3.7 a O.g.v. art. 10:9 Awb is ondermandaat mogelijk.
    c Het besluit op bezwaar van 24 januari 2011 was in strijd met art. 10:3 lid 3 Awb. Daarin is bepaald dat in een en dezelfde zaak het primaire besluit en de beslissing op bezwaar niet in mandaat door dezelfde persoon mag worden genomen.
  • 3.8 a De verwijderingsbevel is een publiekrechtelijke rechtshandeling. Zo'n tot de burger gericht bevel is een rechtshandeling die wordt verricht o.g.v. de in de Gemeentewet toegekende publiekrechtelijke bevoegdheid. Er wordt aan de geadresseerde immers een rechtsplicht opgelegd; i.c. de rechtsplicht om zich te verwijderen uit een door hem aangewezen gebied van de gemeente. Bij overtreding daarvan, kan strafrechtelijk tegen de geadresseerde worden opgetreden. 

    b De burgemeester van een gemeente is een orgaan van de gemeente  (een krachtens publiekrecht ingesteld rechtspersoon). Hij/Zij is derhalve een a-orgaan in de zin van art. 1:1 lid 1 Awb. De burgemeester kan aldus een politieambtenaar mandateren om namens hem een besluit te nemen die dus een publiekrechtelijke rechtshandeling betreft die op schrift is gesteld. 

    c Een beslissingsmandaat m.b.t. het opleggen van een bevel dat een persoon in zijn grondwettelijke en verdragsrechtelijk gewaarborgde vrijheid van beweging beperkt, met het oog op het uitzonderlijke karakter van deze bevoegdheid niet geoorloofd is. De aard van een bevoegdheid bijv. tot het geven van bevelen die het grondrecht van bewegingsvrijheid substantieel zouden inperken, staat in de weg van de verlening van mandaat en is dus in strijd met art. 10:3 lid 1 Awb. 
  • Leereenheid 4
    Hoofdregel is dat een bestuurshandeling publiekrechtelijk is als deze steunt op een bestaande geschreven bevoegdheid om eenzijdig publiekrechtelijke rechtsgevolgen in het leven te roepen. 

    Ook t.a.v. andere bestuurshandelingen kan het zinvol zijn als ze als 'besluit in de zin van de Awb' te behandelen, ofschoon/hoewel ze niet voldoen aan de wettelijke definitie uit art. 1:3 Awb. 

    Soms kunnen er nl. goede redenen zijn om een rechtshandeling (die niet op een publiekrechtelijke bevoegdheid is gebaseerd) voor de toepassing van (een deel) van de Awb als besluit te beschouwen. Dat kan bijv. uit een oogpunt van doelmatige rechtsbescherming zinvol zijn. In zo'n geval kan zo'n rechtshandeling op 1 lijn gesteld worden met 'besluit' in de zin van Awb. Let wel: het is eigenlijk GEEN besluit in de zin van de Awb. In die gevallen is er immers geen sprake van een publiekrechtelijke rechtshandeling. 
  • Soms worden ook handelingen die op het eerste gezicht van privaatrechtelijke aard zijn door de rechtspraak toch als besluit worden aangemerkt. (publieke taakcriterium en zelfstandige terugvorderings- en schadebesluiten)


    In een aantal andere gevallen heeft de wetgever bijzondere voorzieningen getroffen. Het betreft in dat geval handelingen waarbij de wet zelf bepaalt dat zij gelijk moeten worden gesteld met een besluit in de zin van Awb. Dit gebeurt veelal om redenen van bestuursrechtelijke rechtsbescherming (waarborgfunctie). 

    Om deze reden worden zogenoemde bestuurlijke rechtsoordelen in de rechtspraak een enkele maal ook als besluit gekwalificeerd. Hetzelfde geldt voor weigeringen te gedogen. 
  • 4.2 a De kennisgeving dat de publiekrechtelijke standplaatsvergunning 'kan' worden verleend, maar dat zij pas daadwerkelijk een plaats zal kunnen innemen als er eerst een pachtovk is gesloten. Het betrof dus niet weigering van een vergunning maar uitsluitend een mededeling die betrekking had op het in gebruik geven van gemeentegrond en de totstandkoming van een privaatrechtelijke ovk. Een publiekrechtelijke rechtshandeling lag daar niet in besloten. 

    b 1 De beslissing dat de gemeente een andere gegadigde voor het verpachten van de gemeentegrond voor de plaats waarop hun inschrijving betrekking had, in aanmerking had gebracht;
    2 De beslissing dat hun aanvraag van de publiekrechtelijke standplaatsvergunning verder buiten behandeling werd gelaten omdat zij, nu geen bereidheid bestond om de grond aan hen te verpachten, geen enkel belang hadden bij het verkrijgen van die vergunning. 
  • 4.2
    c art. 1:3 lid 1 Awb (besluit)
    Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

    T.a.v. 1: de beslissing van de gemeente is aan de gegadigden schriftelijk medegedeeld. De gemeente is een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld. Dus is de gemeente een bestuursorgaan. De schriftelijke beslissing van de gemeente dat aan een andere gegadigde de gemeentegrond wordt verleend is een beslissing van publiekrechtelijke aard.

    Modelantwoord
    1 Deze beslissing betreft het gebruik van het recht van de gemeente om grond in gebruik te geven en van de bevoegdheid om een pachtovk af te sluiten. Zulke rechten en bevoegdheden komen aan iedere eigenaar toe krachten het burgerlijk recht. Het gaat dus niet om uitoefening van een exclusieve, in het publiekrecht geregelde bevoegdheid. Nu daaraan het karakter van publiekrechtelijke rechtshandeling ontbreekt, kan de beslissing niet als een besluit in de zin van de Awb worden aangemerkt.

    2
    De beslissing om een aanvraag voor de publiekrechtelijke standplaatsvergunning buiten behandeling te laten is een besluit in de zin van de Awb. Het gaat hier immers om een publiekrechtelijke beslissing. Bij buiten behandeling laten worden de verzoekers immers in hun belangen nadelig getroffen, daar zij niet in rechte zouden kunnen opkomen tegen die beslissing.
  • Modelantwoord 4.2 c 2
    Aan de tekst van de parlementaire behandeling van de Awb zijn m.b.t. de vraag of zo'n beslissing als besluit is aan te merken, tegenstrijdige conclusies te ontlenen. Art. 6:2 onder a Awb bepaalt dat voor de toepassing van bepalingen over bezwaar en beroep met een besluit wordt gelijkgesteld de schriftelijke weigering en besluit te nemen. Uit de parlementaire behandeling van art. 6:2 Awb kan worden afgeleid dat de regering het buiten behandeling laten van een aanvraag, zoals hier aan de orde, ziet als een geval waarop die bepaling van toepassing is. Daaruit valt af te leiden dat in die visie die beslissing dus niet zelf al het karakter van besluit heeft. 

    Aan de andere kant wordt in het vierde lid van art. 4:5 Awb uitdrukkelijk gesproken van 'een besluit' om de aanvraag niet te behandelen. Ook is het zo dat zo'n beslissing als rechtsgevolg heeft dat de uit art. 4:13 Awb voortvloeiende verplichting om op een aanvraag te beschikken opheft. Zo bezien zijn er goede gronden om de beslissing wel als een besluit in de zin van de Awb aan te merken.
  • 4.3 a De vier mededelingen:
    1 dat hij voor de plaatsing van de kiosk een bouwvergunning nodig heeft;
    2 welke hem echter niet zal kunnen worden verleend omdat het bestemmingsplan ter plaatse deze ontwikkeling niet toelaat
    3 zij aan een eventueel door appellant in te dienen verzoek om het bestemmingsplan zodanig te wijzigen dat de plaatsing van een kiosk wel mogelijk wordt, gezien de bij hen levende bezwaren in zake aantasting van het dorpsbeeld daardoor, niet zullen meewerken;
    4 dat zij de benodigde grond, die deel uitmaakt van het plantsoen van verenigingsgebouw d'Olde Skoele, niet voor dit doel aan hem verhuren, verkopen of anderszins in gebruik geven.


    4.3 b Hebben deze mededelingen betrekking op een besluit ingevolge Awb?
    1 Deze mededeling is een feitelijke constatering en heeft naar haar aard en inhoud verder geen betrekking op een besluit in de zin van Awb.
    2 Deze mededeling kan als een vroegtijdige schriftelijke weigering om een besluit te nemen in de zin van de Awb worden aangemerkt. (art.6:2 aanhef en onder a Awb)
    3 Idem antwoord 2
    4 Deze beslissing betreft het gebruik van het recht van de gemeente om de grond niet in gebruik te geven/verkoopt/verhuurt en van de bevoegdheid om daaromtrent met hem geen Ovk aan te gaan. Zulke rechten en bevoegdheden komen aan iedere eigenaar toe krachten het burgerlijk recht. Het gaat dus niet om uitoefening van een exclusieve, in het publiekrecht geregelde bevoegdheid. Nu daaraan het karakter van publiekrechtelijke rechtshandeling ontbreekt, kan de beslissing niet als een besluit in de zin van de Awb worden aangemerkt. 
  • Modelantwoord 4.3 b
    1 De mededeling dat een bouwvergunning is vereist, zou alleen als een besluit kunnen worden aangemerkt, als zij als een rechtsvastleggend besluit kan worden beschouwd. Dat is niet het geval. De mededeling dat o.g.v. de Woningwet welt een vergunning nodig is, is niet op een rechtsgevolg gerichte handeling. De verplichting vloeide immers al rechtstreeks voort uit de Woningwet. Een mededeling de benodigdheid van een bouwvergunning voegt daar rechtens niet aan toe noch doet zij daaraan rechtens iets af. Onder omstandigheden kan deze mededeling worden aangemerkt als 'bestuurlijk rechtsoordeel' dat voor bezwaar en beroep op een lijn gesteld moet worden met een besluit in de zin van Awb.


    Definitie bestuurlijk rechtsoordeel:
    een zelfstandig als definitief bedoeld oordeel van een bestuursorgaan (dus geen voorlopig standpunt), niet zijnde een louter informatieve mededeling, omtrent de toepasselijkheid van een wettelijk voorschrift aangaande de toepassing waarvan dat orgaan bevoegdheden heeft. 


    Definitie rechtsoordeel volgens de Afdeling:
    Het door een bestuursorgaan opschrijven van zijn visie op de gevolgen van rechtsregels voor een bepaalde situatie.
  • 4.3 b 2
    Ook de mededeling dat het bestemmingsplan zich verzet tegen verlening van de bouwvergunning is slechts informatie en is op geen enkele wijze gericht op het vaststellen van rechten, plichten of bevoegdheden. Daarin ligt dus evenmin een besluit vervat

    3 Mededeling t.a.v. wijziging bestemmingsplan:
    De wijziging van het bestemmingsplan betreft een bevoegdheid van de gemeenteraad en dus niet van het college van burgemeester en wethouders. De raad is bovendien niet afhankelijk van een voorstel van de B&W tot wijziging van het bestemmingsplan. Eventuele medewerking van dat college is dus rechtens niet nodig. De beslissing is dus niet op een rechtsgevolg gericht en is dus geen rechtshandeling.


    4 De vraag is hier of deze beslissing als een publiekrechtelijke beslissing kan worden gezien. Dat is alleen het geval als zij gegrond is op een publiekrechtelijke titel. I.c. gaat het echter om uitoefening van een bevoegdheid die aan iedere eigenaar van grond krachtens privaatrecht toekomt, zodat in het algemeen zo'n beslissing als een privaatrechtelijke handeling moet worden aangemerkt. 
  • NB: indien i.c. sprake zou zijn van grond met een publieke bestemming zou e.e.a. anders kunnen liggen. Uit de rechtspraak blijkt nl. dat, als een beslissing omtrent het gebruik van gemeentegrond betrekking heeft op grond met een publieke bestemming (zoals de openbare weg), die beslissing mede kan worden gezien als de uitoefening van een publiekrechtelijke beheerstaak. Om die reden kan de beslissing omtrent gebruik van gemeentegrond dan tevens als een publiekrechtelijke rechtshandeling worden gezien. Het is i.c. van belang om na te gaan of de kiosk op de openbare weg of op gemeentegrond met een niet-publieke bestemming zou worden geplaatst. Uit de uitspraak blijkt dat i.c. de grond een publiekrechtelijke karakter ontbeert en kan de beslissing niet als een besluit ingevolge de Awb worden aangemerkt. 
  • 4.4 Uit de casus blijkt dat de genoemde wegen openbare wegen betreffen die voor een ieder toegankelijk zijn. Deze wegen hebben m.a.w. een publieke bestemming. De beslissing van B&W is o.g.v. de publieke bestemming van de wegen op publiekrechtelijke titel gegrond, dus een publiekrechtelijke rechtshandeling. De beslissing is tevens op een rechtsgevolg(nl. de bepaling van eenrichtingsverkeer) gerichte handeling. Deze beslissing is aan te merken als een besluit ingevolge de Awb. 


    Model antwoord
    Een beslissing tot het invoeren of opheffen van eenrichtingsverkeer op een bepaalde weg of weggedeelte is besluit ingevolge. art. 1:3 Awb. Het betreft een besluit van algemene strekking (ex art. 1:3 lid 1 Awb) en geen beschikking (ex. art. 1:3 lid 2, Awb). Het besluit richt zich nl. niet tot een tevoren bepaalbare persoon of groep personen, maar tot een ieder die gebruikmaakt van de betreffende weg. De afwijzing van een verzoek om een besluit van algemene strekking te nemen is GEEN besluit in de zin van art. 1:3 lid 1 Awb. Door de weigering om een verkeersbesluit te nemen verandert er immers niets in de wereld van het recht. M.a.w., er is geen sprake van een rechtsgevolg. 
  • Bij afwijzing van een aanvraag tot het nemen van een beschikking ligt dit anders. Ingevolge art. 1:3 lid 2 Awb dient een dergelijke afwijzing wel als een beschikking te worden aangemerkt, ofschoon/hoewel er ook bij de afwijzing van een beschikking niets verandert in de wereld van het recht.) 


    LET OP!!! De afwijzing van een besluit voor de toepassing van algemene strekking wordt echter wel gelijkgesteld met een besluit voor de toepassing van de voorschriften over bezwaar en beroep. (art. 6:2 onder a Awb).
  • 4.5 a
    Het bestreden besluit is een beschikking in de zin van art. 2 Wet Arob. Enig als zodanig aanwijsbaar publiekrechtelijk voorschrift ter uitvoering waarvan het besluit is genomen, is geen vereiste om een beschikking in de zin van art. 2 aan te nemen.



    Modelantwoord
    Er behoeft geen publiekrechtelijk voorschrift aangewezen te kunnen worden ter aanwijzing waarvan het besluit is genomen, om een beschikking te kunnen aannemen. De publiekrechtelijke grondslag voor de beslissing is gelegen in de beheerstaak die de Staat heeft m.b.t de NL'se territoriale wateren. De Staat moet er als beheerder zorg voor dragen dat het vaarwater aan zijn bestemming beantwoord. 

    4.5 b De assuradeuren van de rederij verklaarden zich bereid de gevraagde garantie te stellen met dien verstande — en tot meer waren zij onder de polisvoorwaarden jegens de rederij niet verplicht — dat aan de garantiestelling moest worden toegevoegd dat de reder, resp. de assuradeuren, zich het recht op aansprakelijkheidsbeperking voorbehielden. Verweerder accepteerde het voorbehoud niet en verbood, nu aan zijn voorwaarden niet werd voldaan, de ‘Long Lin’ de Nederlandse territoriale wateren binnen te varen.
  • Modelantwoord 4.5 b
    Verweerder (de Staat) baseert de weigering op de haar toekomende publieke taak. Het gaat erom als een geval als deze uitspraak dat de Staat een eigendomsrecht heeft en tevens een beheerstaak m.b.t. het vaarwater. De staat beroept zich niet slechts op zijn privaatrechtelijke bevoegdheid, maar ook op een publiekrechtelijke taak die de Staat heeft. Daardoor krijgt deze beslissing een zodanige 'publiekrechtelijke inkleuring' dat zij voorde mogelijkheid van bezwaar en beroep op één lijn kan worden gesteld met besluiten als bedoeld in art. 1:3 Awb. 


    De gelijkstelling is van strategische aard: het oogmerk is een rechtsbeschermingsmogelijkheid te creëren voor de burger. Over de grondslag van de toegangsweigering i.c. is de Afdeling niet helemaal duidelijk. De bevoegdheid tot het verbod wordt i.c. ontleed aan de soevereiniteit van de Staat. Dit is welbeschouwd een andere grondslag. De soevereiniteit van de Staat op zich zelf kan echter naar volkenrecht niet naar intern publiekrecht een grondslag bieden voor een toegangsweigering. 
  • 4.6 a
    De Afdeling begrijpt dat Van Vlodrop B.V. primair haar eis tot schadevergoeding baseert op de onrechtmatigheid van de haars inziens plaatsgevonden hebbende beleidswijziging. Door die beleidswijziging zou/heeft Van Vlodrop schade op(ge)lopen.



    Publiekrechtelijke rechtshandeling is een op rechtsgevolg gerichte beslissing van een bestuursorgaan, dat de bevoegdheid tot het nemen van die beslissing ontleent aan het publiekrecht.



    Beginsel van ' égalite devant les charges publiques (gelijkheid voor openbare lasten)
    Bestuursorganen zijn gehouden onevenredige schade toegebracht bij de behartiging va een openbaar belang, te vergoeden. (art. 3:4 Awb.)

  • 4.6 b
    Bij de aangevallen uitspraak heeft de president, kort samengevat, overwogen dat (zuivere) schadebesluiten die betrekking hebben op schade, veroorzaakt in een publiekrechtelijke rechtsbetrekking, als publiekrechtelijke rechtshandelingen, en daarmee als appellabele besluiten in de zin van artikel 1:3 en 8:1 van de Awb dienen te worden aangemerkt, waarbij onder een publiekrechtelijke rechtsbetrekking in dit kader dient te worden verstaan een rechtsbetrekking die in overwegende mate wordt bepaald door een aan het bestuursorgaan toegekende bestuursbevoegdheid.


    Model antwoord
    De rechter volgt de volgende redenering:
    1 Een publiekrechtelijke rechtshandeling is een op rechtsgevolg gerichte handeling die gegrond is op een publiekrechtelijke bevoegdheid;
    2 Een publiekrechtelijke bevoegdheid kan voortvloeien uit een (algemeen) rechtsbeginsel. 
    3 Een beslissing omtrent een een verzoek om schadevergoeding, voor zover het schade betreft ten gevolge van de onrechtmatige uitoefening van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid, is gegrond op het rechtsbeginsel van art. 3:4 Awb.
    4 Dit rechtsbeginsel is publiekrechtelijk van aard indien het zijn werking doet voelen in een door de uitoefening van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid ontstane rechtsverhouding.
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.