Samenvatting Class notes - biologie

Vak
- biologie
- R.G.J. Eikholt
- 2017 - 2018
- Stedelijke Scholengemeenschap Nijmegen (Nijmegen)
- Klas 1 VWO
309 Flashcards en notities
2 Studenten
  • Deze samenvattingen

  • +380.000 andere samenvattingen

  • Een unieke studietool

  • Een oefentool voor deze samenvatting

  • Studiecoaching met filmpjes

Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.

Samenvatting - Class notes - biologie

  • 1551654000 regelkringen en homeostase

  • homeostase
    het in evenwicht houden van het inwendige milieu van een organisme
    l
    ichaamstemp constant houden
    concentratie glucose gehalte in bloed constant houden  
    osmotische waarde in het bloed constant houden 

    zenuwstelsel en hormonen spelen hierbij een rol
  • hoe werkt homeostase lichaamstemperatuur
    De lichaamstemperatuur wordt constant gehouden op 37 C
    handhaven lichaamstemperatuur door;
    lichaams temp laag->hersenen-> zenuwsignaal-> rillen, vernauwen bloedvaten

    lichaamstemp hoog-> hersenen-> zenuwsignaal-> zweten verwijden bloedvaten huid
  • concentratie glucose gehalte in bloed constant houden
    hoog glucose gehalte-> insuline-> in lever wordt glucose omgezet in glycogeen en opgeslagen
    laag glucose gehalte->glucagon-> zet glycogeen om in de lever waardoor er glucose vrijkomt
  • wat zorgen voor homeostase
    hormonen
  • route hormonen
    Route van een hormoon

    1.Hormoonklier geeft een hormoon af aan het bloed (=secretie)
    2.Het bloed transporteert de hormonen door het hele lichaam
    3.De hormonen zijn alleen werkzaam in cellen waarin zich de hormoonreceptoren bevinden
    4.Afhankelijk van de concentratie van het hormoon in het bloed en de hoeveelheid receptoren in de cel worden de doelwitorganen gestimuleerd
  • hoe vindt communicatie tussen de cellen plaats
    via zenuwstelsel en hormonen
    -Communicatie tussen cellen vindt plaats door signaalmoleculen -> bijvoorbeeld hormonen.
  • Endocriene klieren
    :Afgifte van hormonen aan het bloed->secretie

    hormonen hebben geen afvoerbuis en komen direct in het interne milieu terecht (in het bloed). Daarom worden hormonen endociene klieren genoemd.

    Hormonen zijn alleen werkzaam in organen die er gevoelig voor zijn (doelwitorganen).

    De mate van de reactie van een doelwit orgaan wordt bepaald door de concentratie van het hormoon (hormoonspiegel).
  • Exocriene klieren:

    1. hebben een afvoerbuis
    2. Afgifte van stoffen op de plaats van bestemming->excretie

    bv speekselklieren zweetklieren 
  • noem voorbeelden endocriene klieren

    Hypofyse-> geslachtshormoon -. productiezaadcellen in teelballen
                      ->  "                            : -> rijping follikels en ovulatie in eierstokken
                      -> schildklier-> schildklierhormoon

                       -> groeihormoon-> lichaamsgroei
  • Hormoonklieren in het lichaam:
    1.Hypofyse

    2.Schildklier
    3.Bijnieren
    4.Eilandjes van Langerhans
    5.Teelballen of eierstokken
  • Hypothalamus:
    regelt de werking van de hypofyse
  • hypofyse

    • hersenhormaaonklier produceert verschillende hormonen
    • aangestuurd door de hypothalamus
    • geeft stimulerende hormonen af
    • oa ADH
    • oxcythocine (bevalling, moedermelk stimuleren)
    • hypofyse stuurt verschillende hormoonklieren aan nl:
    • schildklier->rol stofwisseling
    • ovaria -> vruchtbaarheid
    • testis-> rol bij vruchtbaarheid
    • bijnieren-> rol bij stress
    • eilandjes van langerhans -> rol  bij   
    • nieren-> rol in aanmaak rode bloedcellen
    • maagwand->maagzuurproductieen maag peristaltiek
  • TSH
    stimuleert de schildklier
    Het stimuleert de schildklier tot productie van de schildklierhormonenT4 en T3, welke essentieel zijn voor normale groei en ontwikkeling en effecten hebben op het metabolisme.  

    TSH zorgt ervoor dat de schildklier voldoende schildklierhormoon (T4 en T3) aanmaakt. Als je te weinig schildklierhormoon in je lichaam hebt, maakt de hypofyse meer TSH aan zodat de schildklier harder gaat werken en meer schildklierhormoon aanmaakt. Als je te veel schildklierhormoon in je lichaam hebt, maakt de hypofyse minder TSH aan zodat de schildklier langzamer gaat werken en minder schildklierhormoon aanmaakt.
  • ADH
    regelt de osmotische waarde van het bloed
    antidiuretisch hormoon
    aan de bloedbaan afgegeven door de hypofyse (achterkwab)
    stimuleert de nieren
    speelt belangrijke rol bij resorptie van water in de verzamelbuis in de nieren
  • GH
    stimuleert de groei
  • FSH of LH
    stimuleert de testis of ovarium
  • struma
    aandoening aan de schildklier
      Thyroxine is opgebouwd uit Jood
    -Een tekort aan jood zorgt dus voor een tekort aan thyroxine
    -Gevolg is het krijgen van struma (geen remming meer)
  • werking schildklier
    Werking van de schildklier:

    1.Hypofyse zorgt voor de secretie van TSH
    2.TSH stimuleert de cellen in de schildklier
    3.Schildklier produceert thyroxine
    4.Thyroxine zorgt voor een toename van de stofwisseling (bv. meer eetlust)
    5.Negatieve terugkoppeling door thyroxine
  • diabetes
    Diabetes -> geen insuline productie -> geen glucose uit het bloed opgeslagen in de lever -> stroperig bloed en hierdoor sneller een hartaanval (blindheid)
  • werking alvleesklier
    Werking van de alvleesklier:
    Teveel glucose in het bloed (na het eten)

    1.Veel glucose in het bloed zorgt voor een toename van insuline in het bloed.
    2.Insuline breekt glucose af en slaat het in de lever op in glycogeen
    Te weinig glucose in het bloed (na sporten)

    1.Weinig glucose in het bloed zorgt voor een toename van glucagon inhetbloed
    2.Glucagon stimuleert het vrijkomen van glucose uit de lever
  • bijnieren
    hormoon adrenaline
    heeft een snelle kortdurende werking in stresssituaties
    glucogeen wordt omgezet naar glucose (in spieren en lever)

    hartslag en ademhaling omhoog verwijding bloedvaten naar hersenen, spieren
    vertering wordt geremd
  • epipen
    Is een soort injectie waarbij adrenaline wordt toegediend waardoor hartslag omhoog gaat
    verwijding bloedvaten, vertering geremd 

    bv gebruikt bij zeer sterke allergische reactie op noten/wespensteek
  • hoe werkt de pil
    1.Bevat progesteron en oestrogeen
    2.Remt de hypofyse
    3.Hierdoor minder FSH en LH
    4.Gevolg geen eisprong meer
  • centraal zenuwstelsel
    Centrale zenuwstelsel bestaat uit:

    1.Grote hersenen
    2.Hersenstam
    3.Kleine hersenen
    4.Verlengde merg
    5.Ruggenmerg
  • perifeer zenuwstelsel
    Perifeer zenuwstelsel bestaat uit:
    Zenuwen over het gehele lichaam
  • prikkel
    Prikkel: Is een invloed uit het milieu op een organisme en wordt waargenomen door zintuigen (zien, horen, ruiken, voelen en proeven)
  • impuls
    Onder invloed van prikkels ontstaan in zintuigcellen impulsen (elektrisch signaal)
  • route impuls
    Route van een impuls:

    1.Prikkels worden door zintuigcellen omgezet tot impulsen = receptoren
    2.Zenuwcellen geleiden de impulsen naar de grote hersenen (via ruggenmerg) = conductoren
    3.Spieren reageren op de impulsen en trekken samen of ontspannen = effectoren
  • zenuwcel
    Een zenuwcel bestaat altijd uit:

    1.Dendriet: ontvangt impulsen
    2.Cellichaam: bevat altijd een celkern
    3.Axon: geven signaalmoleculen aan synapsen af die neurotransmitters heten Myelineschede (cellen van Schwann): Vergroot de impulssnelheid. Impulsen springen van insnoering naar insnoering
  • impulsoverdracht tussen neuronen
    Impulsoverdracht tussen twee neuronen

    1.Impuls komt binnen in de dendriet
    2.Impuls wordt doorgegeven via het cellichaam naar de axon
    3.De axon geeft neurotransmitters af in de synapsspleet
    4.Neurotransmitters geven een signaal door aan de dendriet van de andere zenuwcel
  • wat gebeurt er bij een taser apparaat
    Zenuwcellen worden geprikkeld en neurotransmitters worden constant aangemaakt -> spieren contractie
    Slangengif: in slangengif zitten neurotransmitters die in de synapsspleet terecht komen -> spieren worden constant geprikkeld
  • 3 verschillende type zenuwcellen

    1.Sensorische zenuwcel (van receptor naar schakelcel):
    •Hebben een lange dendriet en een korte axon.

    2.Schakelcel (cellen in het ruggenmerg en hersenen)
    •Hebben een korte dendriet en een korte axon

    3.Motorische zenuwcel (van schakelcel naar effector):
    •Hebben een korte dendriet en een lange axon
  • wat ligt er in de schors
    in de schors (de buitenkant) van de grote en kleine hersenen ligt de grijze stof. Hierin liggen cellichamen van schakelneuronen.
  • wat ligt er in het merg van de hersenen
    in het merg (de binnenkant) van de grote en kleine hersenen ligt de witte stof. Hierin liggen de uitlopers van schakelneuronen
  • zenuwen
    uitlopers van neuronen liggen bij elkaar in zenuwen
  • gevoelszenuw
    en gevoelszenuw bevat alleen uitlopers van sensorische neuronen,
  • bewegingszenuw
    bewegingszenuw bevat alleen uitlopers van motorische neuronen
  • er zijn drie typen neuronen:
    er zijn drie typen neuronen:
    • sensorische neuronen (gevoelszenuwcellen) geleiden impulsen van receptoren naar het centrale zenuwstelsel. Een sensorisch neuron bestaat uit één lange dendriet en een korte axon.
    • schakelneuronen (schakelcellen) geleiden impulsen binnen het centrale zenuwstelsel.
    • motorische neuronen (bewegingszenuwcellen) geleiden impulsen van het centrale zenuwstelsel naar spieren en klieren. Een motorisch neuron heeft meerdere korte dendrieten en één lang axon.
  • dendrieten
    dendrieten: uitlopers die impulsen naar het cellichaam toe geleiden.
  • axonen
    axonen (neurieten): uitlopers die impulsen van het cellichaam af geleiden.
  • verloop impulsen
    impulsen worden door neuronen (conductoren) naar je hersenen geleid, waar ze verwerkt worden. De hersenen reageren door impulsen af te geven, die door zenuwen naar bepaalde spieren of klieren (effectoren) geleid worden.
  • animale zenuwstelsel
    animale zenuwstelsel regelt bewuste reacties, houding en beweging.
  • autonome zenuwstelsel 
    autonome zenuwstelsel regelt de werking van interne organen.
  • welke 2 zenuwsstelsels heb je
    het zenuwstelsel is op grond van de bouw in te delen in het centrale zenuwstelsel en het perifere zenuwstelsel.
    • centrale zenuwstelsel: grote hersenen, kleine hersenen, hersenstam, ruggenmerg.
    • perifere zenuwstelsel: zenuwen
  • welk hormoon produceert schildklier
    de schildklier produceert thyroxine.
    • thyroxine beïnvloedt de stofwisseling.
    • TSH, thyroïdstimulerend hormoon, stimuleert de vorming van schildklierweefsel, de opname van jood en de productie en secretie van thyroxine. Thyroxine remt de productie en secretie van TSH.
  • epo waar geproduceerd
    de nieren produceren epo, dat de productie van rode bloedcellen stimuleert.
  • hypofyse hypothalamus
    de hypofyse, één van de hormoonklieren, ligt onder de hersenen. Net boven de hypofyse ligt de hypothalamus, onderdeel van de hersenen.
  • negatieve terugkoppeling
    er wordt van negatieve terugkoppeling gesproken wanneer een toename van het resultaat een remming van het proces veroorzaakt.

    als de normwaarde te laag of te hoog is volgt er een negatieve terugkoppeling waardoor de normwaarde weer normaal wordt

    negatieve terugkoppeling-> voor het handhaven van evenwichten 
    Bijna alle hormonen in het lichaam worden geregeld door negatieve terugkoppeling. 
  • positieve terugkoppeling
    positieve terugkoppeling gesproken wanneer een toename van het resultaat ook een toename van het proces veroorzaakt.

    Het proces gaat maar een kant op er wordt geen normwaarde gehanteerd

    voor processen, waarbij er toename of afname vereist is.

    bijvoorbeeld bij de bevalling-> steeds meer hormonen  om de weeen op te wekken en steeds sterker te maken tot het kind geboren is. 

    ook bij ovulatie; het eitje dat de meeste hormonen krijgt komt vrij


    De start van een actiepotentiaal en de bloedstolling zijn voorbeelden van positieve terugkoppelingen
  • regelkring
    een regelkring bestaat uit een sensor, een controlecentrum en een effector.


    grootheid; temperatuur, PH-> heeft een normwaarde bv lichaamstemp 37

    receptor -> meet de normwaarde  

    in het regelcentrum wordt de waarde vergeleken met de norm
    wanneer waarde groter/kleiner is dan de norm vindt er negatieve terugkoppeling plaats->
       receptor  (een spier of een klier) reageert hier op -> norm gaat weer omlaag/omhoog
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Samenvatting - Class notes - Biologie

  • 1580079600 H2 Bewegen 2.1 Botten

  • Wat is het langste bot in je lichaam?
    Dijbeen
  • In welk lichaamsdeel zitten veel kleine botjes?
    In bijv. Je hand
  • Hoeveel botjes zitten er in je hand?
    26
  • Wat is een andere naam voor botten?
    Beenderen
  • Hoeveel botten zitten er in je lichaam?
    206
  • Hoe noem je alle botten uit je lichaam bij elkaar?
    Skelet of beenderenstelsel
  • Hoe heten de botten in je hoofd?
    Schedel
  • Waardoor wordt je schedel gedragen?
    Wervelkolom
  • Hoe heten de botten in je wervelkolom?
    Wervels
  • Welke botten zitten aan een deel van je wervels?
    Je ribben
  • Waar zitten je ribben aan vast?
    Aan een deel van je wervels
  • Waaraan zitten de ribben aan de voorzijde vast?
    Aan het borstbeen
  • Hoe noem je het borstbeen, ribben  en bijbehorende wervels samen?
    Je borstkas
  • Waaruit bestaat je borstkas?
    • Borstbeen
    • ribben
    • bijbehorende wervels
  • Waar horen je heupbeenderen bij?
    Bij je bekken
  • Hoe loopt de wervelkolom door je lichaam?
    Door je romp naar beneden tussen je heupbeenderen door
  • Welke botten zitten aan je heupbeenderen vast?
    Je langste botten: dijbeenderen
  • In welk lichaamsdeel zitten je dijbeenderen?
    Bovenbenen
  • Welke 2 botten zitten in je onderbeen en aan welke kant?
    1. Scheenbeen - voorkant
    2. kuitbeen - achterkant
  • Welk bot zit in je arm dat vastzit aan je schouderblad?
    Opperarmbeen
  • Welke 2 botten zitten in je onderarm?
    1. Spaakbeen
    2. ellepijp - aan de kant van je pink
  • Wat zijn ledematen?
    Je armen en benen
  • Hoe noem je je armen en benen met een ander woord?
    Je ledematen
  • Hoe heet het beweegbare bot in je hoofd?
    Onderkaak
  • Aan welke wervels in je wervelkolom zitten de ribben vast?
    Aan de 12 borstwervels
  • Welke wervels in je wervelkolom zijn vergroeide wervels?
    • Heiligbeen
    • staartbeen
  • Waar zit het heiligbeen aan vast?
    Aan de heupbeenderen
  • De wervelkolom bestaat uit 5 onderdelen, welke?
    1. Halswervels (7)
    2. Borstwervels (12)
    3. Lendenwervels (5)
    4. heiligbeen 
    5. staartbeen
  • Uit hoeveel wervels bestaan de halswervels?
    7
  • Uit hoeveel wervels bestaat de borstwervels?
    12
  • Uit hoeveel wervels bestaan de lendenwervels?
    5
  • Welke wervels zitten bovenaan de wervelkolom?
    Halswervels (7)
  • Welke wervels liggen onder de halswervels?
    Borstwervels (12)
  • Welke wervels liggen er onder de borstwervels?
    Lendenwervels (5)
  • Welke wervels liggen er boven het heiligbeen?
    Lendenwervels (5)
  • Welke wervels liggen er boven de lendenwervels?
    Borstwervels(12)
  • Welke wervels liggen er boven de borstwervels?
    Halswervels (7)
  • Welk bot ligt boven het staartbeen?
    Heiligbeen
  • Welk been ligt onder het heiligbeen?
    Staartbeen
  • In welke 3 groepen beenderen kun je de botten van je handen indelen?
    1. Vingerkootjes
    2. middenhandsbeentjes
    3. handwortelbeentjes
  • In welke 4 groepen beenderen kun je de botten uit je voet indelen?
    1. Teenkootjes
    2. middenvoetsbeentjes
    3. voetwortelbeentjes
    4. hielbeen
  • Wat zijn de 4 taken van je skelet?
    1. Stevigheid geven
    2. vorm geven
    3. bescherming geven
    4. beweging mogelijk maken
  • Hoe maakt je skelet beweging mogelijk?
    Aan botten zitten spieren vast. Dankzij de botten met spieren kun je bewegen
  • Op wat voor manier beschermt je skelet je lichaam?
    Delen van je skelet beschermen kwetsbare organen. 
      • bijv je borstkas beschermt longen en hart 
  • Hoe geeft je skelet vorm aan je lichaam?
    Bijv. :
    • Botten van je schedel geeft de vorm aan je hoofd
    • Brede borstkas geeft breed lichaam
  • Wat zou er met je lichaam gebeuren zonder skelet?
    Dan zou het in elkaar zakken
  • Wat zorgt ervoor dat een bot buigzaam is?
    Lijmstof
  • Wat zorgt ervoor dat een bot hard is?
    Kalk
  • Een gewoon bot bestaat uit:?
    Veel kalk en een beetje lijmstof
  • Waaruit bestaat kraakbeen en wat is een kenmerk van kraakbeen?
    Kraakbeen is erg buigzaam omdat het bestaat uit een beetje kalk en veel lijmstof
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Samenvatting - Class notes - Biologie

  • 1538344800 Thema 1 §1 Wat kun je doen met DNA?


  • DNA-onderzoeken
    1. Tweelingenonderzoek (één soort organisme)
    Welke stukjes DNA verschillen?

  • DNA-onderzoeken
    2. Evolutionaire ontwikkelingen (één soort organisme)
    Oude cellen vergelijken met nieuwe cellen. Wat is er veranderd?

  • DNA-onderzoeken
    3. Forensisch onderzoek (één soort organisme)
    Materiaal plaats delict vergelijken met DNA-bestand

  • DNA-onderzoeken
    4. Variatie bij Virussen (meerdere organismen)
    Waarom wordt de ene soort wel ziek en de ander niet?

  • DNA-onderzoeken
    5. Evolutie en verwantschap (meerder organismen)
    Verschillen tussen bijvoorbeeld mens en aap

  • DNA-onderzoeken
    6. Environmental DNA (meerdere soorten)
    DNA uit water halen, bij vissen die lastig te vangen zijn
  • Genetische modificatie
    Het wijzigen van eigenschappen in het DNA
  • Transgeen, ggo, gmo
    Organisme waarbij het DNA is veradnerd
  • Gentherapie
    Gezonde genen in brengen bij patiënten
  • Synthetische biologie
    Wetenschappers maken zelf DNA
  • 1538431200 Thema 1 §2 De bouw en funcite van DNA

  • Functie van DNA
    Het leveren van instructies voor het opbouwen van eiwitten
  • Genoom
    Het geheel (zowel coderend als niet-coderend) aan erfelijke informatie in een cel
  • mtDNA
    Het DNA in de mitochondriën (Doorgeven via moeder)
  • Nucleïnezuur
    2 ketens van gekoppelde nucleotiden (DNA)
  • Nucleotide
    Een fosfaatgroep, een desoxyribose en een base
  • Stikstofbasen
    Adenine (A)&Thymine (T) en Cytosine (C)&Guanine (G)

  • Aan het uiteinde van DNA zit een fosfaatgroep, het 5'-uiteinde. Aan de andere kant zit een OH-groep, het 3'-uiteinden.
    Altijd gelezen van 3' naar 5'
  • Complementair
    Altijd dezelfde combinaties
  • Helixstructuur
    Spiraal, tegengestelde richting
  • Histonen
    De eiwitten die rond het DNA gewikkeld zitten
  • Nucleosoom
    Een aantal histonen met DNA
  • Koppelings-DNA
    Het tussenstukje tussen nucleosoom
  • DNA-sequentie
    De volgorde waarin nucleotiden zijn gerangschikt
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Samenvatting - Class notes - Biologie

  • 1515798000 toets hoofdstuk 3

  • Wat is een cel?
    het kleinste onderdeel van jouw lichaam
  • Uit hoeveel cellen bestaat een organismen?
    1 of meer
  • Wat is een weefsel?
    een groep cellen met dezelfde bouw en functie
  • Wat is een orgaan?
    meerdere weefsels samen
  • Wat is een orgaanstelsel?
    meerdere organen samen
    werken samen aan een bepaalde taak
  • Wat is een organisme?
    meerder orgaanstelsels samen
  • Geef een voorbeeld van een organisme
    een mens
  • van klein naar groot (5)
    cel, weefsel, orgaan, orgaanstelsel, organisme
  • Wat is relatie tussen bloed en lever?
    al het bloed komt langs de lever en wordt gekeurd
  • wat doet de lever/ functie van lever?
    hij keurt en haalt al het slechte eruit bv alcohol.


    regelt samenstelling van het bloed.
  • Noem 2 kenmerken van een orgaan?
    het bestaat uit meerdere weefsel en heeft zijn eigen functie
  • Verschil tussen een plantaardige en dierlijke cel
    zie foto
  • Wat bevat een cel?
    een kern
  • Bevat een dierlijke cel een kern?
    ja
  • Bevat een plantaardige cel een kern?
    ja
  • wat zit er in een kern van de cel?
    erfelijk materiaal
  • hoe noem je het erfelijk materiaal?
    chromosomen
  • wat zijn chromosomen?
    lange dunne draden waarop alle erfelijke eigenschappen liggen
  • Wat zijn erfelijke eigenschappen?
    oogkleur, haarkleur
  • Bevat elke cel dezelfde chromosomen?
    ja
  • Bevat elke cel dezelfde erfelijke eigenschappen? Leg uit
    ja, want elke cel bevat dezelfde chromosomen en op de lange draden (de chromosomen) liggen de erfelijke eigenschappen.
  • Hoe ziet een chromosoom er uit?
     leuning, treden, leuning
  • waaruit bestaat een tree?
    een tree bestaat uit twee delen
  • Wat zijn de 10 onderdelen van een microscoop?
    oculair, tubus, statief, objectief, revolver, tafel, preparaat klemmen, diafragma, lamp en schroeven
  • definitie organen
    delen van organismen die bepaalde taken uitvoeren
  • taak huid
    beschermen lichaam
  • taak hart
    dat het bloed in de bloedvaten blijft stromen
  • hebben alle organen maar 1 functie?
    sommige organen hebben meer functies: bv huid beschermt maar speelt ook rol bij regelen van lichaamstemperatuur
  • wat zijn de organen van een plant?
    wortels, stengels en bladeren
  • Wat ontstaat er in de lever?
    afvalstoffen
  • wat gebeurt er met de afvalstoffen die in de lever ontstaan?
    deze komen via de galgangen eerst in de galblaas en vervolgens in de darmen
    galgangen - galblaas - darmen
  • wat gebeurt er met de lever als de galgangen afgesloten zijn?
    dan hopen zich afvalstoffen zich in de lever op waardoor schade aan de lever ontstaat
  • welke organen ken je?  (7)
    long, hart, lever, maag, dikke darm, dunne darm, nier,
  • welke orgaanstelsel ken je? (6)
    ademhalingsstelsel
    beenderstelsel
    bloedvatenstelsel
    spierstelsel
    verteringsstelsel
    zenuwstelsel
  • waaruit bestaat het ademhalingsstelsel? (3)
    luchtpijp
    bronchie
    long
  • waaruit bestaat het beenderstelsel? (4)
    schedel
    rib
    wervelkolom
    dijbeen
  • waaruit bestaat het bloedvatenstelsel? (3)
    hart
    aorta
    holle ader
  • Wat is de taak van het bloedvatenstelsel?
    het bloed in je lichaam vervoeren
  • Wat is nodig voor het vervoeren van bloed in je lichaam ?
    hart en alle bloedvaten
  • Waaruit bestaat het spierstelsel? (3)
    biceps
    buikspier
    dijspier
  • Waaruit bestaat het verteringsstelsel? (6)
    slokdarm
    lever
    maag
    alvleesklier
    dunne darm
    dikke darm 
  • Waaruit bestaat het zenuwstelsel? (3)
    hersenen
    ruggemerg
    zenuw
  • Waaruit bestaan organismen?
    een of meer cellen
  • Kun je cellen zien met het blote oog?
    Nee, ze zijn heel klein. Wel met hulpmiddel zoals microscoop
  • Zijn cellen plat?
    Nee er zit diepte in
  • Hebben cellen altijd dezelfde vorm?
    Nee, ze kunnen verschillende vormen hebben
  • Waar heeft de vorm van de cel mee te maken?
    Met de functie van de cel
  • Wat noemen we weefsel?
    Cellen van hetzelfde type die bij elkaar liggen
  • Bestaan organen uit dezelfde celtypen?
    Nee, organen bestaan uit verschillende celtypen. Cellen van hetzelfde type die bij elkaar liggen noemen we weefsel.
  • Wat bevindt zich tussen de cellen van weefsels?
    tussencelstof
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Samenvatting - Class notes - Biologie

  • 1509490800 Thema 1

  • Zelfregulatie
    Biologische eenheden die in staat zijn zichzelf te organiseren
  • Interactie
    Het reageren op andere biologische eenheden en abiotische factoren
  • Natuurwetenschappelijk onderzoek
    1. Observatie, zoeken naar een onderwerp
    2. Probleemstelling, onderzoeksvraag vorming
    3. Hypothese, verachting
    4. Experimentele fase, uitvoering
    5. Resultaten, weergave in tabel/grafiek en woorden
    6. Conclusie, vergelijking resultaten en verwachtingen - Verwerping/bevestiging hypothese
  • p-waarde
    Laag = significant verschil, 0,5 of kleiner
  • 1509577200 Thema 2, onderdelen microscoop

  • 1
    Tubus
  • 2
    Revolver, wisselen van objectief
  • 3
    Objectief
  • 4
    Preparaatklem, vastzetten van het preparaat
  • 5
    Diafragma, de licht toelaat
  • 6
    Lampje
  • 7
    Oculair
  • 8
    Statief
  • 9
    Tafel
  • 10
    Grove stelknop, voor grove scherpstelling
  • 11
    Fijne stelknop, voor precieze scherpstelling
  • 1509663600 Thema 2, elektronenmicroscoop

  • Transmissie-elektronenmicroscoop (TEM)
    - Binnenkant van objecten als weefsels worden zichtbaar
    - 2 nm
    - 2D

    -
  • Scannings-elektronenmicroscoop (SEM)
    - Oppervlak van een object
    - 3D
  • 1509750000 Thema 2, onderelden cellen

  • Eukaryoten
    Meercellige organismen, met celkern
  • Protist
    Eencellige eukaryoot
  • Prokaryoten
    Geen kern: DNA ligt in het cytoplasma
    Geen mitochondriën, plastiden of vacuole.
    Geen endoplatisch reticulum
  • Celmembraan
    Scheiding tussen cel en zijn milieu
    - regelt de opname en afgifte van stoffen
  • Cytoplasma
    Water met daarin organellen en andere opgeloste stoffen
  • Organellen
    Compartimenten van een cel
    - Als de celkern, vacuole en bladgroenkorrels
  • Celwand
    De buitenste laag, om het celmembraan
    - Geen deel van de cel
  • Celkern
    Hierin bevinden zich de chromosomen
  • Kernmembraan
    De buitenste laag van het kernplasma
  • Vacuole
    Blaasje in het cytoplasma, gevuld met vacuolevocht
    - Vacuolevocht, bestaat uit water en opgeloste stoffen (Zouten, glucose, klerustoffen)
    - Vacuolemembraan, omgeving van de vacuole
  • Grote centrale vacuole
    Alleen bij planten, speelt een rol bij de stevigheid van de cel
  • Plastiden
    Groep organellen bij planten en sommige protisten
    - chloroplasten, bladgroenkorrels
    - chromoplasten, kleurstofkorrels
    - leukoplasten, zetmeel
  • Verschillen
    Dier: Geen celwand, geen grote centrale vacuole
    Planten: Allebei wel
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.