Samenvatting Class notes - De ondergrond van Nederland

222 Flashcards en notities
1 Studenten
  • Deze samenvatting

  • +380.000 andere samenvattingen

  • Een unieke studietool

  • Een oefentool voor deze samenvatting

  • Studiecoaching met filmpjes

Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.

PREMIUM samenvattingen zijn gecontroleerd op kwaliteit en speciaal geselecteerd om je leerdoelen nog sneller te kunnen bereiken!

Samenvatting - Class notes - De ondergrond van Nederland

  • 1470434400 Ondergrond van Nederland College 1.

  • Teken het schema voor het vormen van landschap.
    Verschijnselen en processen in de ruimte! (en in de tijd)
  • Geef de vier relaties tussen geofactoren.
    Relatiestussengeofactoren:
    1. dynamiek: processen/stromen
    2. gradiënten: hoog/laag, zoet/zout, droog/nat
    3. genese: ontwikkeling in de tijd
    4. fysiognomie: uiterlijk, hoe ziet het eruit?
  • Omschrijf het woord landschap, betrek in je antwoord het begrip successie
    Landschap = geïntegreerdgeheelwaarbinnenzichstatische en dynamischeevenwichtenvoordoen. Het is het resultaat van eenontwikkelingsgang (successie) en heeftzijnuiterlijkeverschijning in het landschapsbeeld. Het functioneren van het landschapwordtbepaald door de relatiestussen de geofactoren, die elkaaronderlingbeïnvloeden. Eenverandering in een van de factorenleidtdaarom in principe tot eenverandering in alleanderefactoren.
  • Teken de geologische klok
    Uit welke eons bestaat het precambrium?
    Wat begint na het precrambrium?
    Bron: Berendsen, H.J.A.(2005). De vorming van het land.
    Het Precambrium bestaat uit de volgende Eons:
    Proterozoïcum (eersteleven)
    Archaeïcum (oudsteleven)
    Priscoan (oudsteperiodeaardkorst)
    Na het Precambrium begint het Phanerozoïcum. Over het Phanerozoïcum is veel meer in detail bekend dan over de voorgaande Eons. Het Phanerozoïcum wordt op grond van de voorkomende levensvormen in de volgende Hoofdtijdperken onderverdeeld (de oudste perioden en gesteentelagen staan in de geologie altijd onderaan):
    Kenozoïcum(moderne leven)
    Mesozoïcum(midden leven)
    Paleozoïcum(oude leven)
  • Wat is het verschil tussen de relatieve geologische tijdschaal en de absolute geologische tijdschaal.
    Waar is de schaal op gebaseerd.

    •relatieve geologische tijdschaal: aan de hand van superpositie en voorkomen van fossielen

    •absolute geologische tijschaal: aan de hand van dateringen (o.a. radioactief verval); daarmee is de relatieve geologische tijdschaal vastgelegd

    • Actualisme (of uniformitarianisme, of actualiteitsprincipe)
  • Wat zijn gidsfossielen?
    Wat is biostratigrafie?
    Een markant moment in de stratigrafische tabel is het begin van het Paleozoïcum. Vanaf dit moment is de geologische geschiedenis veel beter bekend. Dit is een gevolg van het feit, dat vanaf het begin van het Paleozoïcum levensvormen gemakkelijker fossiliseerden omdat ze harde delen (schalen, graten, botten, pantsers) gingen vormen.
    Daardoor kunnen de meeste aardlagen vanaf het begin van het Paleozoïcum gekarakteriseerd worden door het voorkomen van bepaalde, zogenaamde gidsfossielen. Dit zijn overblijfselen van levensvormen, die over een groot deel van de wereld voorkwamen, maar slechts gedurende een bepaalde, geologisch gezien korte periode leefden, en die dus karakteristiek zijn voor deze periode.
    Aan de hand van gidsfossielen kunnen verschillende gesteente­pakketten van elkaar worden onderscheiden. Tevens kunnen lithologisch totaal verschillende pakketten qua tijd van vorming met elkaar worden gecorreleerd. De tijdsindeling in de geologie is dus in feite gebaseerd op biostratigrafie.
  • Hoeveel is 1 voet?
    1 voet = 30,48 cm
  • Hoe stel je je ondergrond van Nl voor?
    Wat zit er in de ondergrond van NL? Hoe zit dat daar?
    Stel, je boort een gat bij Amsterdam, tot op 4 km diepte. Wat kom je dan allemaal tegen en in welke volgorde?
    In deze doorsnede is te zien dat in het noordwesten van Nederland en in de Noordzee een dik pakket relatief jonge afzettingen liggen, die richting het zuidoosten van Nederland steeds dunner worden. Ook is te zien dat de oudere gesteentelagen in de ondergrond een helling naar het noordwestenen noorden (volgende dia) vertonen.
  • Hoe kun je de geologische tijdschaal indelen/lezen.
    In de geologische tijdschaal van figuur 1.3 (B1) onderscheid tussen:

    Geochronologische indeling in eenheden: tijd (links – Periode, Tijdvak, enz)
    Chronostratigrafische indeling in eenheden: naam van gesteentepakketten die zich in de verschillende tijdseenheden hebben gevormd (rechts – Systeem, Serie, enz)

    Standaardwereld: International Union of Geological Sciences (IUGS) – grotegesteentepakketten
    Maarvaakbehoefteaanlokaleindeling, op veelnauwkeurigerschaal

    In Figuur 1.3 is verder zichtbaar dat er regionale verschillen zijn in indelingen van de geologische tijdschaal (wat betreft grenzen en naamgeving van de eenheden).
  • Waarom indelen volgens lithografie
    Daarom  indelen volgens lithografie?
    Vaak lokaal systeem, ook in Nederland
    Dit is een indeling van gesteentepakketten op grond van lithologische kenmerken: korrelgrootte, zware mineralen, grindsamenstelling, kalk, kleur, enzovoort
    Gaat dus om pakketten met gelijke eigenschappen, die in het veld vast te stellen zijn
    In NL bijv.: zand, klei en veen

    Dan spreek je van bijvoorbeeld: Formatie, Afzetting of Laag
  • Wat zijn formaties
    In Nederland dus vaak Formaties(lagen met gelijke eigenschappen), maar er is discussie over de indeling!
    (B1 p. 124-129)
  • oude en nieuwe Lithostratigrafische eenheden
    In Nederland dus vaak Formaties(lagen met gelijke eigenschappen), maar er is discussie over de indeling!
    (B1 p. 124-129)
    Oud: Zagwijn en Van Staalduinen (1975)
    Gebruikt ook genese en ouderdom (pollen)…maar dit is niet in veld waarneembaar! Niet houdbaar!
    Nieuw: NITG, Weert en De Mulder (2003)
    Volgens internationale richtlijnen, maar ook niet helemaal!
    > daarom dynamische indeling (wijzigingen mogelijk)
    Gebruikte termen: Supergroep – Groep – Formatie – Afzetting (of Laagpakket)
    Formaties en Afzettingen worden onderscheiden naar ontstaanswijze (door zee, rivier, wind enzovoort)

    - Oud en Nieuw systeem vallen niet altijd samen, qua tijd en qua uitbreiding in de ruimte. In Grote Bosatlas nog de oude indeling.
  • Teken de Nieuwe lithostratigrafische indeling van de Kwartaire sedimenten – B1 p. 122 (6.12)
    de tekening
  • Wat zijn de lithostratigrafische eenheden
    Groepen formaties
    3 fluviatiele afzettingen in Nederland
    en wat bedoelen we met seismostratigrafische eenheden.
    Figuur 6.12Nieuwe lithostratigrafische indeling van de Kwartaire sedimenten in Nederland (Berendsen 2004,
    naar Weerts et al. 2000 en De Mulder et al. 2003).
    De Tertiaire en Kwartaire afzettingen zijn ingedeeld in een groot aantal lithostratigrafische eenheden (Supergroepen, Groepen, Formaties Afzettingen, Laagpakket (of Laag)). De formaties zijn gegroepeerd naar hun ontstaanswijze: afzettingen in verband met het landijs, afzettingen van lokale herkomst, afzettingen van de grote rivieren en afzettingen in zee en nabij de kust. Binnen de fluviatiele afzettingen worden op grond van de herkomst drie verschillende groepen onderscheiden: afzettingen van de Rijn, afzettingen van de Maas, en afzettingen van het Eridanos riviersysteem. Tevens is de globale ouderdom van de formaties uit de figuur af te lezen. Geheel rechts zijn de afzettingen aangegeven die in het Noordzeegebied worden onderscheiden. Dit zijn geen lithostratigrafische eenheden, maar seismostratigrafische eenheden of seismolithostratigrafische eenheden: ze worden respectievelijk onderscheiden op grond van seismische kenmerken, of een combinatie van seismische en lithologische kenmerken. Dit betekent, dat er geen één op één correlatie hoeft te bestaan met de lithostratigrafische eenheden. Een uitvoerige beschrijving van de nieuwe formaties wordt beschikbaar gesteld via Internet).
  • Bij veranderingen op de geologische tijdschaal gaan we uit van welk principe?
    Waar kun je de elementen van dit principe in terug zien?
    We gaanuit van het actualiteitsprincipe.
    Kosmos: meteorietinslagen.
    Tektoniek
    plaattektoniek
    (continent-verschuiving)
    –vulkanisme
    –vertikaletektonischebewegingen: Nederland dalendbekken (behalveZuid-Limburg!)
    –Klimaatveranderingen
    –gekoppeldaanplaattektoniek en meteorietinslagen
    -ijstijden (o.a. Kwartair)
  • Maak af...
    De ontstaansgeschiedenis van Nederland is een dynamisch proces, dat samenhangt met de opeenvolging van een groot aantal geologische processen in de tijd. Deze dynamiek wordt op geologische tijdschalen voornamelijk veroorzaakt door  ...  en .....
    De ontstaansgeschiedenis van Nederland is een dynamisch proces, dat samenhangt met de opeenvolging van een groot aantal geologische processen in de tijd. Deze dynamiek wordt op geologische tijdschalen voornamelijk veroorzaakt door tektonische bewegingen en klimaatveranderingen.
  • Leg deze uitspraak uit.
    De tektonische bewegingen hebben een vertikale en een horizontale component.
    +
    Leg uit wat is het actualiteitsprincipe
    De tektonische bewegingen hebben een vertikale en een horizontale component. De vertikale component blijkt uit het voorkomen van duizenden meters dikke sedimentpakketten, die geaccumuleerd zijn in dalende sedimentatiebekkens. Nederland maakt al vanaf het Carboon deel uit van een dalingsgebied, dat bestaat uit verschillende sedimentatiebekkens. De horizontale tektonische component hangt samen met de plaattektonische bewegingen. De plaat waarop West-Europa ligt, heeft zich in de loop der tijd over de aarde verplaatst, waarbij het gebied, dat thans Nederland is, door verschillende klimaatzones is geschoven.
    Gedurende de geologische geschiedenis hebben zich ook klimaatveranderingen voorgedaan, die het gevolg waren van veranderingen in de stand van de aardas, en de baan van de aarde om de zon. Deze klimaatveranderingen leidden gedurende het Kwartair tot periodieke uitbreiding van de landijsmassa's op het vasteland, waardoor bijvoorbeeld de zeespiegel meer dan 100 m daalde, en de ligging van de kustlijnen sterk veranderde.
    Actualiteitsprincipe: de processen en verschijnselen die nu op aarde een rol spelen, functioneerden bij het onstaan en verdere ontwikkeling in het verleden precies hetzelfde.
  • Op deze dia is ook nog een grote breuk in de ondergrond van Nederland zichtbaar. Dit is de ....
    Op deze dia is ook nog een grote breuk in de ondergrond van Nederland zichtbaar. Dit is de Peelrandbreuk.
  • Kijk naar de afbeelding bedenk wat er zou gebeuren wanneer een bolide met een doorsnede van 10 a 20 km de aarde zou raken.
    www.paleozoic.org/tucson/; geraadpleegd 14mei 2013
    Berendsen, H.J.A.(2005). De vorming van het land.
    Figuur 12.3Inslag van een meteoriet (naar Leinders red. 1992).
    De overgang van het Krijt naar het Tertiair wordt gemarkeerd door een grote massa-extinctie. Door Alvarezet al. (1980) is aangetoond, dat op vele plaatsen in de wereld op de overgang van het Krijt naar het Tertiair een dun laagje voorkomt, dat 10-160 maal zoveel iridium bevat als normaal. Iridium is een metaal, dat alleen in extra-terrestrisch materiaal in zulke grote concentraties voorkomt. Zij nemen daarom aan, dat een inslag moet hebben plaats gevonden van een komeet of een ander reusachtig hemellichaam. De diameter van het hemellichaam, dat de aarde trof met een snelheid van 20 km/s, moet circa 10 km hebben bedragen. Daardoor zou bij de inslag een energie van 100 miljoen maal de kracht van een één megaton atoombom zijn vrijgekomen. Een dergelijke inslag veroorzaakt verwoestende luchtverplaatsingen en een vergiftiging van de atmosfeer, omdat enorm veel stof in de atmosfeer terecht komt. In zo'n geval wordt de zon gedurende enige tijd (waarschijnlijk enkele maanden tot maximaal een jaar) verduisterd, en plantengroei wordt onmogelijk, omdat geen fotosynthese meer kan plaatsvinden. Het effect van een dergelijke inslag is vergelijkbaar met een ‘nucleaire winter’, die zou optreden na ontploffing van een groot deel van de kernwapens die er op dit moment zijn.
    Bij de inslag werden brokstukken van de aardkorst de ruimte ingeslingerd.
    De figuur geeft de situatie weer op 2,8 seconden na de inslag. Merk op, dat de doorsnede van de bolide groter is dan de gemiddelde diepte van de oceanen, en gelijk is aan de dikte van de troposfeer. De inslag zou een krater doen ontstaan met een diameter van 100 tot 200 km, ongeveer 10 maal de doorsnede van de bolide. De bolide heeft een kinetische energie van 2,6 . 1023 J, dat is evenveel als 3 miljard atoombommen van het Hiroshima-type! Slechts een klein deel van deze energie zou al voldoende zijn om de bolide zelf geheel te laten verdampen. De gesteenten aan het aardoppervlak zouden gedeeltelijk verdampen of met hoge snelheid worden uitgeworpen, ten dele zelfs met een snelheid, die groter is dan de ontsnappingssnelheid van de aarde (11,2 km/s). Als de bolide zou inslaan in een oceaan, dan zou er een grote hoeveelheid zeer heet gas met een temperatuur tot 20.000°K gevormd worden. Deze hete lucht zou zich met enorme schokgolven verplaatsen en grote bosbranden veroorzaken. Ook zou een reusachtige vloedgolf optreden, die zich voortplant met een snelheid van ongeveer 0,5 km/s.
  • Hoe is het tertiair ontstaan. Betrek in je antwoord de tektoniek en de dalende noordzeebekken
    DalendNoordzeebekken:
    overwegendafzetting van zanden en kleien in kustnabij milieu
    Tektoniek:
    Antarctica
    Continenten NH bijelkaarrond N IJszee
    Alpieneplooiing (B1fig. 3.6 - WEL)
    Klimaatverandering!




    Gedurende het Tertiair bestond in Noordwest-Europa het zogenaamde Noordzeebekken, een dalingsgebied, waarin in een ondiepe zee of in een kustnabij milieu hoofdzakelijk zanden en kleien werden afgezet. De verdeling van land en zee werd in het Noordzeebekken gedurende het Tertiair voornamelijk bepaald door het differentieel rijzen en dalen van delen van de aardkorst. De belangrijkste delfstoffen uit het Tertiair zijn in de figuur aangegeven.


    Figuur 5.1Reconstructie van de temperatuur van het zeewater op hoge breedtegraden op het zuidelijk halfrond, op grond van de verandering in zuurstofisotopen samenstelling (naar Williams et al. 1993).


    Tegen het einde van het Tertiair werden de temperaturen geleidelijk lager. De warmteminnende soorten in de vegetatie verdwenen aan het eind van het Mioceen. Het Plioceen vormt wat dit betreft de overgang van het nog relatief warme Tertiair naar het Kwartair, de periode waarin de ijstijden optraden.


    De sterke stijging van de ∂18O-waarden in het Oligoceen en het Mioceen worden verklaard door de opbouw van de ijskap op Antarctica.
  • Let op het plaatje
    -hoe vond de verandering van het Tertiair naar het Kwartair plaats ?
    - Wat valt je op?
    - Wat kun je er verder nog over vertellen?
    Voor ons van belang: verandering van Tertiair naar Kwartair

    Oorzaken:
    - Conditionele factoren
    - Sturende factoren/mechanismen


    Berendsen, H.J.A.(2005). De vorming van het land.


    De ontwikkeling van het klimaatvoorgeologischeverleden. Al eerderijstijden, maar we hebben de meestegegevens over de laatste 3 miljoenjaar. (let op de schaal van de grafiek!)


    Figuur 2.9Ontwikkeling van het wereldklimaatsinds het Precambrium (naarAllègre & Schneider 1994).


    Naast die in het Pleistoceen, waren er tenminste vier grote glaciale perioden in het Precambrium. Volgens sommige auteurs werd daarbij de aarde van pool tot evenaar met ijs bedekt (SnowballEarth). De omvang van de ijsbedekking is echter omstreden. Ook waren er ijstijden in het Ordovicium-Siluur, en in het Laat-Carboon. Mogelijk leidde de uitbreiding van terrestrische planten in het Carboon tot een drastische afname van het CO2-gehalte van de dampkring. Dit zou de ijstijd van het Laat-Carboon veroorzaakt kunnen hebben.
  • Wat heeft het ontstaan/optreden van de pleistocene ijstijden getriggerd?
    A Conditionelefactoren
    B Sturendefactoren



    De pleistocene ijstijden zijn veroorzaakt door een ingewikkeld samenspel van factoren. In de eerste plaats zijn er de conditionele facoren, die het op gang komen van ijstijden mogelijk maakten. De conditionale factoren hangen samen met plaattektonische bewegingen van Antarctica en van de continenten op het noordelijk halfrond.
  • Kijk naar de plaatjes welke factor is hier gaande hoe weet je dat?
    (conditionele of sturende)
    A Conditionele factoren (plaattektoniek)





    1.Z-halfrond: Antarcticageïsoleerd op de Zuidpoolsinds25 x 106 y;Þtemperatuurdaling > ijs op continent

    2.N-halfrond: clustering continentenrondNoordelijkeIJszeeÞgunstigeconditiesvooropslagijs op land

    3.Botsing India met Azië > afschermingnoordelijkhalfrond van warmeluchtuitzuiden
  • Welke factor (sturend of conditionele is hier aanwezig.
    Welke variabele kun je hier aan koppelen?
    Sturende factoren

    Milankovitch-variabelen > variaties in verdelingzonnestraling

    Vooral effect op NH is belangrijk!




    •excentriciteitaardbaan
    P ­ ca. 100.000 jaar


    •precessie
    P ­ca.19.000-26.000 jaar (~23.000)


    •scheefheid(obliquity)
    P ­ ca. 40.000 jaar
  • Wat zijn de Milankovitch variabelen?
    Berendsen, H.J.A.(2005). Landschap in delen.
    De sturende factoren brengen de ijstijden op gang. Het zijn factoren die te maken hebben met de variabiliteit van de aardbaan en de stand van de aardas. Hoewel Milankovitch dit al in 1936 postuleerde, is het bewijs pas geleverd doordat men in het diepzee-onderzoek de periodiciteit van deze factoren kon herkennen.
    Figuur 1.5 Excentriciteit van de aardbaan
    Verandering in de excentriciteit van de aardbaan, periode circa 100.000 jaar. De excentriciteit is de duidelijkst te herkennen variabele in de diepzee-sedimenten van de laatste 700.000 jaar.
    Figuur 1.6Precessie van de aardas
    Als gevolg van de precessie beschrijft de aardas een cirkeltje met een hoek van 24,5 graad ten opzichte van de loodrechte stand op het vlak van de aardbaan (de ecliptica). De obliquity (nutatie) is hierop gesuperponeerd met een variatie van 2,5 graad.
    Figuur 1.8Nutatie van de aardas (obliquity)
    Als gevolg van de precessie beschrijft de aardas een cirkeltje met een hoek van 24,5 graad ten opzichte van de loodrechte stand op het vlak van de aardbaan (de ecliptica). De obliquity (nutatie) is hierop gesuperponeerd met een variatie van 2,5 graad.
  • Wat is de link tussen dit plaatje en ijstijden?
    Combinatie van variabelen: zomer extra warm of winter extra koud of juist niet



    Figuur 1.4Schematische weergave van de beweging van de aarde om de zon

    De stand van de aardas kan in combinatie met de excentriciteit van de aardbaan zorgen voor extra warme zomers en extra koude winters op het noordelijk halfrond, zoals in dit plaatje. Ook het omgekeerde (koele zomers en relatief warme winters) kan voorkomen. Dit gebeurt wanneer als gevolg van de precessie van de aardbaan de aarde in de winter het dichtst bij de zon staat. Gebleken is, dat ijstijden zich voordoen in het laatste geval, omdat dan de sneeuw die ‘s winters valt, in de zomer niet af kan smelten, zodat sneeuw zich ophoopt en ijs wordt gevormd.
  • Hoe zijn de instralingsvariaties medeverantwoordelijk voor de ijstijden?
    Instralingsvariaties op 60 °NB als gevolg van variaties in de aardbaanparameters
    Het gaat om de groepering van de pieken in de instralingsvariatie die het optreden van ijstijden bepaalt.


    Figuur 1.9Baanelementen en instralingsvariaties (naar Leinders red. 1992).


    Berendsen 2004


    De variaties in aardbaan-elementen zijn hier omgerekend naar instralingsvariaties op 60 graden noordelijke breedte (onderste grafiek). In tegenstelling tot wat Milankovitch dacht, is instraling alleen niet de bepalende factor voor het optreden van ijstijden. Het is dan ook niet mogelijk om de pieken en dalen in de instralingsgrafiekéén op ééntecorreleren met ijstijden. Het is veelmeer de groepering van de pieken die het optreden van ijstijdenbepaalt.
  • Wat zijn de gevolgen van de Milankovitch variabelen?

    Totalehoeveelheidinstraling die aardeontvangt, verandertniet


    Maarwel de verdelingvan instraling over zomer / winter en over geografischebreedte >T-verschiltussenzomer en winter wordtgroter of kleiner
    Glacialen: koelezomers + zachte winters
    Interglacialen: warmezomers + koude winters


    De totalehoeveelheidstraling die de aardeontvangt, verandert door deMilankovitch-variabelenniet, wel de verdeling over zomer / winter en over de geografischebreedte. Daardoorkunnen de verschillentussenzomeren winter groter, of juistkleinerworden. Glacialenontstaan door: koelezomersenzachte winters;Interglacialen door: warmezomersenkoude winters. Tijdensinterglacialenblijft de ‘s winters gevallensneeuwnietliggen, maar deze smelt af, waardoorzichgeensneeuwophooptenijsnietgevormdkanworden.
  • Wat zijn onzekerheden bij de Milankovitch variabelen
    Belangrijkekritiek op theorieMilankovitch:

    -VerklaarbareDT teklein (slechts 1-4°C): klimaatvariaties niet alleen bepaald door variaties in instraling, maar ook door andere factoren (wolken, wind, zeestromingen, luchtvochtigheid, CO2 gehalte)
    - Factorenwaar we ooknognietvoldoende over weten:

    -veranderingalbedo
    -bewolking
    -stof in lucht (o.a. door vulkanisme)
    -intensiteitzonnestraling
  • Voor het verklaren van de ijstijdenzijnnogenkelefactorenonvoldoendebekend:
    noem deze
    Voor het verklaren van de ijstijdenzijnnogenkelefactorenonvoldoendebekend:

    •Variaties in de intensiteit van de zonnestraling (waarschijnlijkwarendezebetrekkelijkgering; de zon is eenvrijstabielester)
    •De effecten van vulkanisme en stof in de atmosfeer (voorzoverbekendheeftvulkanismevooralinvloed op eenkortetijdschaal van enkelejaren)
    •De effecten van bewolking (ijstijdenwarenveeldrogerdaninterglacialen, doordaterzichveel minder waterdamp in de luchtbevond)
    •veranderingen van de albedo (de albedo is de verhoudingtussen de teruggekaatste en invallendezonnestraling).
  • Tegen de theorie van Milankovitchzijnvelebezwarengeuit:

    noem deze
    Tegen de theorie van Milankovitchzijnvelebezwarengeuit:
    1) Veranderingen in excentriciteitwarenerook al vóór het Pleistoceen. Later heeft men echteraannemelijkkunnenmakendat de platentektoniek pas aan het eind van het Tertiairheeftgeleid tot eenzodanigeligging van de continenten, datijstijdenkondenoptreden. Voor het Pleistoceenwarenerduswelveranderingen in excentriciteit, maardezehaddenniethetzelfde effect.
    2) De variabeleexcentriciteitheeft in principetegengesteldegevolgenvoor het noordelijk en zuidelijkhalfrond. Eenkoudetijd op het noordelijkhalfrondzoudaardoorvolgens de tegenstanders van Milankovitchsamenvallen met eenwametijd op het zuidelijkhalfrond, en uitallegeologishewaarnemingenblijktdat de koudeperioden op beidehalfrondentegelijkoptraden. Later is echtergebleken, dat het zuidelijkhalfrondnauwelijks of geenrolspeeltbij het optreden van glacialecycli. De continentenliggenoverwegend op het noordelijkhalfrond, en hierbevondenzichook de groteijskappen (de antarctischeijskapkannietgroterworden, deze is al even grootals het continent). Eenkoudetijd op het noordelijkhalfrondinduceertookeenkoudetijd op het zuidelijkhalfrond.
    3) De verklaarbaretemperatuurschommeling, alsgevolg van variaties in de instraling, isteklein (slechts 1-4°C). Dit is inderdaadeenernstigprobleem, datnog steeds nietgeheel is opgelost. De sleutelligt in het feit, datklimaatvariatiesnietalleenbepaaldworden door variaties in instraling, maarook door anderefactoren (wolken, wind, zeestromingen, luchtvochtigheid, CO2 gehalte).
    4) Ermoetendanookmechanismenwerkzaamzijn die het effect van de instralingsvariatieseerstversterken, en daarnaweertenietdoen (positieve en negatieveterugkoppelingen). Dezemechanismenzijnnogslechts ten dele bekend. Het best bekend is het effect van de thermohalienecirculatie, die aan het eind van het Weichseliengedurende 1000 jaarzorgdevooreensterkeafkoeling in het gebiedrond de noordelijkeAtlantischeOceaan. Dezeperiodestaatbekendals de JongeDryas.
  • Bewijsvoor het weloptreden van de theorie van Milankovitchzijnaanwijzingen in de ondergrond
    Bewijsvoor het weloptreden van de theorie van Milankovitchzijnaanwijzingen in de ondergrond


    glacialeafzettingen en vormen

    bodems / bodemverschijnselen (o.a. vorstwiggen)


    pollenanalyseÞreconstructievegetatieÞreconstructieklimaat


    veranderingzeespiegelstand (sedimenten en terassen)


    onderzoekdiepzee-sedimenten(nauwkeurigerdanlandsedimenten) (o.a. foraminiferen, zuurstofisotopen)


    onderzoeklandijs(o.a. zuurstofisotopen)
  • Wat zijn indicaties voor klimaatveranderingen.
    Indicatiesvoorklimaatveranderingen:
    glacialeafzettingen
    bodems / bodemverschijnselen
    pollenanalyseÞreconstructie vegetatieÞreconstructieklimaat
    veranderingzeespiegelstand
    onderzoekdiepzee-sedimenten
    onderzoeklandijs
  • Waarom zou dit plaatje gebruikt kunnen worden bij het uitleggen van ijstijdmeten d.m.v. zuurstofisotopen
    Figuur4.4Luchtbellen in ijsworden pas naverloop van tijdafgesloten van de lucht in de atmosfeer (naar Bradley 1999). De snelheidwaarmee de afsluitingplaatsvindt is vooralafhankelijk van de accumulatiesnelheid. Complete afsluitingduurtonder de huidigeklimatologischeomstandigheden circa 2500 jaar.
  • Geef de basis voor isotopen onderzoek.
    isotopen onderzoek

    Stabieleisotopenvan zuurstof:

    16O99,760%


    17O0,037%


    18O0,203%




    Verhoudingisotopen in waterdampen calciet is afhankelijk van temperatuur


    Hoe kouder, hoe minder zwareisotopen (18O) in ijskap Antarctica en Groenland


    Hoe kouder, hoe meerzwareisotopen in calcietdiepzeesedimenten
  • de neerslag in de poolgebieden isotopisch zeer licht zal zijn. De verhouding 18O/16O in de neerslag is dus in principe temperatuur-afhankelijk
    Verklaar deze uitspraak
    Zuurstof komt in de natuur voor in de vorm van drie isotopen (atomen metdezelfde chemische eigenschappen maar met een verschillend atoomgewicht). Deze isotopen zijn: 16O, 17O en 18O.18O is het zwaarste isotoop. De zuurstof-isotopen zijn stabiel; ze vallen dus niet uiteen, zoals 14C. Ze komen in de natuur voor in de volgendeverhouding:
    16O99,7500%
    17O0,0505 %
    18O0,1995 %
    De drie isotopen kunnen samen met waterstofatomen water (H2O) vormen. Er bestaat dus bijvoorbeeld water met 18O (H218O), en water met16O (H216O). Bij verdamping van het water speelt de temperatuur een belangrijke rol, daar de temperatuur bepalend is voor de moleculaire snelheden. Bij hoge temperaturen kunnen zware isotopen de voor verdamping benodigde snelheden bereiken, bij lagere temperaturen lukt dit niet.Bij lage temperaturen ontstaat daarom waterdamp waarin relatief meer lichte isotopen (16O) voorkomen (‘Fysisch-geografisch onderzoek’, Figuur 3.2). Het water dat achterblijft wordtdaardoor relatief rijker aan 18O. Ook zullen bij condensatie de zware 18O isotopen eerder uit de waterdamp verdwijnen dan de lichtere16O isotopen. Met andere woorden, naarmate de waterdamp een grotere afstand aflegt, zullen de zware isotopen steeds meer 'uitregenen', waardoor de waterdamp isotopisch steeds 'lichter' wordt (d.w.z. meer 16O bevat). Er vindt op aarde een netto transport plaats van waterdamp van lage naar hoge breedtegraden. Dit betekent, dat de neerslag in de poolgebieden isotopisch zeer licht zal zijn. De verhouding 18O/16O in de neerslag is dus in principe temperatuur-afhankelijk, maar wordt ook nog door andere factoren (b.v. transport-afstand) beïnvloed.
  • Wat is het verschil in isotopen tijdens een glaciaal of tijdens een interglaciaal

    Tijdensglaciaal:
    –relatievetoename van 16O op ijskappen, en
    –relatievetoename18O in de diepzee > d18O hoog in diepzeesedimenten, laag in ijskernen



    Tijdensinterglaciaal:
    –relatieveafname van 16O op ijskappen, en
    –relatieveafname18O in de diepzee > d18O laag in diepzeesedimenten, hoog in ijskernen






    Een relatief hoge waarde van d18O in het landijswijst op hogetemperaturen, eenrelatiefhogewaarde van d18O in de diepzeewijst op lagetemperaturen.


    Tijdenseenglaciaalzien we:


    Eenrelatievetoename van 16O op ijskappen, en eenrelatievetoename18O in de diepzee


    Tijdenseeninterglaciaalzien we:


    Eenrelatieveafname van 16O op ijskappen, en eenrelatieveafname18O in de diepzee
  • Wat kunnen we over dit onderzoek over diepzeesedimenten zeggen?
    Berendsen 2004
    Figuur 1.13∂18O curve voor de Noord-AtlantischeOceaan (Ruddiman 2001). De curve geeft de veranderingenweer in de hoeveelheidlandijs op aarde, en de temperatuurdalingaan de bodem van de oceaan. Kleineijskappenontstondenvanaf 2.75 Ma geleden met eencycliciteit van 41 kaen 23 ka. Tussen 0.9 Ma en 0.7 Ma geledennam de periode van de cycli toe; sinds 0.7 Ma geledenbestondereencycliciteit van 100 ka. De wittelijngeefteengeleidelijkeafkoelende trend weer.
  • Zie hier figuur 6.12 Leg deze uit
    Nieuwe lithostratigrafische indeling van de Kwartaire sedimenten – B1 p. 122 (6.12)


    Figuur 6.12Nieuwe lithostratigrafische indeling van de Kwartaire sedimenten in Nederland (Berendsen 2004,


    naar Weerts et al. 2000 en De Mulder et al. 2003).


    De Tertiaire en Kwartaire afzettingen zijn ingedeeld in een groot aantal lithostratigrafische eenheden (Supergroepen, Groepen, Formaties Afzettingen, Laagpakket (of Laag)). De formaties zijn gegroepeerd naar hun ontstaanswijze: afzettingen in verband met het landijs, afzettingen van lokale herkomst, afzettingen van de grote rivieren en afzettingen in zee en nabij de kust. Binnen de fluviatiele afzettingen worden op grond van de herkomst drie verschillende groepen onderscheiden: afzettingen van de Rijn, afzettingen van de Maas, en afzettingen van het Eridanos riviersysteem. Tevens is de globale ouderdom van de formaties uit de figuur af te lezen. Geheel rechts zijn de afzettingen aangegeven die in het Noordzeegebied worden onderscheiden. Dit zijn geen lithostratigrafische eenheden, maar seismostratigrafische eenheden of seismolithostratigrafische eenheden: ze worden respectievelijk onderscheiden op grond van seismische kenmerken, of een combinatie van seismische en lithologische kenmerken. Dit betekent, dat er geen één op één correlatie hoeft te bestaan met de lithostratigrafische eenheden. Een uitvoerige beschrijving van de nieuwe formaties wordt beschikbaar gesteld via Internet).
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Laatst toegevoegde flashcards

Wat hoort er aan het einde van de blauwe peilen te staan?
zie afb.
Vanaf 800 na chrlTot 1000 n. Chr.: opslibbing kwelders door grote sedimentaanvoer vanuit zee (met name Noord NL)lNa 1000 n.Chr: bedijkingen!! Huidige kustlijn komt in beeld.lErosie (kustafslag) langs kust West NL: dorpen moeten zelfs verplaatst worden richting het oostenlDoor aantasting vegetatie door mens en wellicht tijdelijk droger klimaat: vorming hoge duinen door verstuiving zandl
oke
Vanaf 100 n. Chr > weer ‘gaten’ in kust (zuidwest en (noord)west NL)Wat is hier het gevolg van?

lZeeland en Kop van Noord-Holland ‘verdrinken’
- Zeeland door ontginning door mensen (ontwatering > inklinking!)
- Kop van NH wellicht zelfde oorzaak
lInbraken Waddenzee, door ontginningen veengebieden in Groningen en Friesland > Waddenzee breidt zich uit richting het zuiden
lOer-IJ gaat afwateren op Flevomeer door het dichtslibben bij Castricum
l Zie Atlas van NL in Holoceen
Hoe is dit ontwikkelt welke functie heeft hetq
Naar Zagwijn 1986
Berendsen 2004
Figuur 9.21Patroon van de strandwallen en gereconstrueerde ligging van de kustlijn en zeegaten rond 1000 v Chr (naar Zagwijn 1986).
Na circa 4500 yr BP bestonden er is West-Nederland drie belangrijke riviermondingen van de Rijn en de Maas. Van noord naar zuid waren dit:

•De monding van de Utrechtse Vecht en de Overijsselse Vecht bij Bergen-Alkmaar;
•De monding van de Oude Rijn bij Leiden;
•De monding van de Maas bij Rotterdam-Hoek van Holland. Tussen de riviermondingen is een systeem van strandwallen ontstaan op een regelmatig en geleidelijk naar het noordwesten afhellende dekzandondergrond.
De strandwallen zijn het best ontwikkeld in het gebied tussen Haarlem en Den Haag. Bij de riviermond van de Oude Rijn hebben de strandwallen de neiging zeewaarts uit te buigen als gevolg van de rivieraanvoer, die de getijdeprocessen domineerde. Bij zeearmen of riviermondingen met een geringe waterafvoer vanuit het binnenland (zoals het Zeegat van Bergen) domineren eb- en/of vloedstromen. Hier buigen de strandwallen landinwaarts, evenals in de zeegaten tussen de Waddeneilanden, waar ook getijstromen domineren.
Ten zuiden van het voormalige Zeegat van Bergen zijn de zanden van de strandwallen kalkrijk, ten noorden ervan kalkarm. Dit hangt samen met de herkomst van deze zanden. In het zuiden zijn zij opgenomen uit jonge pleistocene (rivier-)afzettingen in de ondergrond van de Noordzeebodem; in het noorden zijn ze afkomstig uit oudere kwartsrijke en kalkarme pleistocene afzettingen, zoals de Enschede Formatie.
De strandwallen en duinen nemen in Nederland om verschillende redenen een bijzondere plaats in. In de eerste plaats bieden zij bescherming tegen de zee. Gedurende het Holoceen zijn achter de strandwallen, in een betrekkelijk rustig milieu lagunaire afzettingen gevormd.
In de tweede plaats hebben zij een scheidende werking tussen het zoute water van de zee en het zoete water van de lagune. Onder de duinen bevindt zich een hoeveelheid zoet water. Omdat zoet water een lager soortelijk gewicht heeft dan zout water, drijft het zoete water als het ware als een ijsberg op het zoute water. Indien deze zogenaamde zoetwaterzak groot genoeg is, wordt het binnendringen van zout water onder de duinen door tegengegaan. In de lagune achter de duinen trad (vooral in het Subboreaal) verzoeting op door de rivieren die er doorheen stroomden, zodat hier veenontwikkeling kon optreden.
In de derde plaats zorgen de strandwallen en duinen ervoor, dat enkele zeegaten (meestal tevens riviermondingen) gingen fungeren als een soort ventiel: alleen hier kon het zeewater nog in- en uitstromen, waardoor diepte-erosie werd geconcentreerd op enkele punten. Buiten de zeegaten was de diepte-erosie gering, waardoor de afzettingen hier min of meer op elkaar werden gestapeld.
Ontwikkeling kustvlakte: waddengebiedHoe is dit gebied ontstaan?
Naar Zagwijn 1986
Berendsen 2004
Figuur 9.25Sedimentatiemilieus op de wadden en kwelders(naar Zagwijn 1986).
De kustvlakte-afzettingen zijn grotendeels ontstaan in een waddenmilieu, dus in het bereik tussen laagwater en hoogwater. In een dergelijk milieu wordt het zand tweemaal per etmaal met de vloedstroom vanuit de zeegaten aangevoerd, en in en langs de geulen afgezet. Klei wordt alleen hoger op het wad afgezet (wadplaat of slik), tijdens en direkt na de stroomkentering. Tijdens de kentering is het water rustig, zodat ook de fijnere (klei-) deeltjes kunnen bezinken. De hoogst opgeslibde delen (kwelders of schorren) worden alleen bij zeer hoge waterstanden, tijdens springtij of bij stormvloed, nog overstroomd. De kwelders zijn begroeid met zout-tolerante planten.
Getijdenbekken – Waddenkust (Zuidwest, west en noord NL) tussen 5000 en 8000 jaar BP (kaart p. 39 t/m 51 Atlas NL in Holoceen)Wat hoort er aan het einde van de strepen te staan?
Zie afb.
vervolgFiguur d geeft de situatie weer in het Laat-Subatlanticum, na 1200 AD (AD = Anno Domini; na Christus; BC = BeforeChrist; vóór Christus). Een deel van de oude strandwallen was op dat moment geërodeerd, en er ontwikkelde zich een steiler kustprofiel. Vanaf ongeveer 1000 AD tot 1200 AD begon langs de Hollandse kust een belangrijke periode van nieuwe duinvorming: de Jonge Duinen ontstonden. In het Haagse duingebied vond de overstuiving van de Oude Duinen in de kustzone al iets eerder plaats, namelijk tussen 800 en 1000 AD. Het zand van de Oude Duinen is ten zuiden van Bergen overal kalkhoudend. De Jonge Duinenbestaan uit zeer kalkrijk zand met fijn schelpgruis. Dit duidt erop dat het materiaal van de Jonge Duinen afkomstig is van het schelprijke onderzeese deel van de kustbarrière en van het strand. De Jonge Duinvorming begon vermoedelijk overal met een zeer mobiele fase. Door ontbossing en (over­) beweiding in de Middeleeuwen was het landschap heel open, en had de wind vrij spel. Er ontstonden loopduinen, die gedeeltelijk over de Oude Duinen en strandwallen heen liggen. Deze loopduinen en hun uitwaaiingsvlakten waren vrijwel vegetatieloos. Later nam de begroeiing toe en ontstonden door uitwaaiing grote paraboolduinen. Omstreeks 1600 was de vorming van de Jonge Duinen grotendeels voltooid. Het duinzand wordt in de lithostratigrafische indeling gerekend tot het Schoorl Laagpakket. Het strand- en zeezand hoort tot het Zandvoort Laagpakket. Beide laagpakketten zijn een onderdeel van de Naaldwijk Formatie.In de indeling van Zagwijn & Van Staalduinen (1975) werd een indeling gemaakt in Oude Duinen en Jonge Duinen, op grond van ouderdom.
vq
VervolgIn de periode van snelle zeespiegelstijging in het Atlanticum zijn buiten de huidige kustlijn waarschijnlijk al strandwallen gevormd (Figuur a). Achter de strandwallen werden vanuit zeegaten mariene afzettingen gevormd (Wormer Laagpakket) bovenop de Basisveen Laag.De strandwallen waren onderbroken door zeegaten die in verbinding stonden met uitgestrekte lagunes en waddengebieden. De sediment­aanvoer vanuit de rivieren was bij lange na niet voldoende om de verdieping van deze getijde gebieden door de zeespiegelstijging te niet te doen. Veel van het sediment dat achter de strandwallen werd afgezet moet dan ook tijdens stormen via de zeegaten in de kustbarrière zijn aangevoerd. Naast klei werd ook veel zand afgezet, met name in geulen in de getijde gebieden achter de strandwallen (Figuur b). Omdat het zandverlies van de kust dat op deze manier optrad onvoldoende kon worden gecompenseerd door aanvoer vanuit dieper water was er voortdurend sprake van sterke kusterosie en een landwaartse verplaatsing van de barrière (Figuur b). Na 5000 BP veranderde deze situatie. Bij een minder snel stijgende zeespiegelstand verzandden de getijsystemen en slibden de meeste zeegaten vervolgens dicht. Een tweede belangrijke verandering in de kust die zich omstreeks 5000 BP voordeed was de omslag van een retrograderende (terugschrijdende) naar een prograderende (uitbouwende) kustbarrière (Figuur c). De kustuitbreiding duurde tot circa 2500 BP en bereikte een maximum van 6 tot 10 km. Er ontstond een complex van kustparallelle strandwallen die bedekt werden met lage duinen - de zogenaamde Oude Duinen - met tussen de strandwallen laag gelegen strandvlakten. De strandafzettingen werden op stormvloedhoogte afgezet, en liggen dus boven de curve van het gemiddeld zeeniveau. De strandwallen liggen hoger naarmate ze jonger zijn; de zeespiegelstijging bleef immers doorgaan. Toch werden de oude strandwallen na 5000 BP niet meer weggeërodeerd, omdat het strandwallensysteem zich toen als gevolg van een grote zandaanvoer westwaarts kon uitbreiden: de jongere en hogere strandwallen liggen dus aan de zeezijde. In het Subboreaal werd zo een brede reeks van strandwallen (met daarop de Oude Duinen) gevormd, waardoor de kustlijn iets ten westen van de huidige kust kwam te liggen. Dit strandwallensysteem bood een goede bescherming tegen inbraken van de zee. Daardoor kon de lagune achter de strandwallen verzoeten, en kon hier veenvorming optreden, evenals in de vlaktes tussen de strandwallen in. Dit veen behoort tot het zogenaamde Hollandveen Laagpakket (Figuur b en c), een onderdeel van de Nieuwkoop Formatie. De omslag van kustafslag naar kustaanwas hangt samen met de overgang van een open naar een gesloten kust.
v
Hoe is deze situatie ontstaan
Berendsen 2004
Figuur 9.22Ontwikkeling van de strandwallen (naar Hageman 1969, gewijzigd).
a. Begin Atlanticum
b. Begin Subboreaal
c. Midden Subboreaal
d. Subatlanticum (Late Middeleeuwen)
De strandwallen in West-Nederland zijn gevormd tussen circa 5000 BP en 2500 BP, in een periode met een minder sterke zeespiegelstijging dan daarvóór. De ontwikkeling van de strandwallen en duinen, in relatie tot de relatieve zeespiegelstijging is schematisch weergegeven in de figuur, voor het gebied tussen Haarlem en Leiden. Aan de linkerkant is de relatieve zeespiegelstijging weergegeven op verschillende tijdstippen. Het getrokken gedeelte van de zeespiegelcurve in de plaatjes stelt de stijging voor tot het betreffende tijdstip. Aan de rechterkant is de morfologie op dat tijdstip weergegeven. Figuur d geeft de eindsituatie (voor het ingrijpen van de mens) weer; deze is in de plaatjes a t/m c gestippeld
Hoe zijn deze regio's grotendeels onderscheiden?
Figuur 1.2Fysisch-geografische regio’s van Nederland. (Berendsen, 2005)
De regio’s die hier worden onderscheiden, zijn grotendeels gebaseerd op de abiotische factoren in het landschap, maar ook de invloed van de mens speelt een rol. Een deel van het landschap is immers juist door de invloed van de mens ontstaan (bijvoorbeeld enkeerdgronden, droogmakerijen). De regio’s geven dan ook vooral een beeld van de omstandigheden, waarmee de mens, de flora en de fauna thans te maken hebben, en niet van de omstandigheden waarin de eerste bewoners Nederland aantroffen. De redenen om van de huidige situatie uit te gaan liggen enerzijds in het feit, dat het ‘natuurlijke landschap’ niet altijd (meer) nauwkeurig is te reconstrueren, terwijl anderzijds grote delen van Nederland nog in zee lagen op het moment dat de mens zijn intrede deed (denk aan Zeeland, de IJsselmeerpolders), of juist op dat moment nog uit land bestonden, en nu in zee liggen (denk aan de westelijke Waddenzee). De grenzen tussen de regio’s zijn niet steeds op grond van precies dezelfde criteria getrokken. Ook varieert de zichtbaarheid van de grenzen in het terrein: zo is de grens tussen het Midden-Nederlandse zandgebied en hetrivierengebied nabij Rhenen zeer markant, terwijl de grens tussen het rivierengebied en het westelijk veengebied zeer geleidelijk verloopt.
De invloed van de mens op het landschap is een belangrijke factor, die zijn invloed ook doet gelden dwars over de natuurlijke grenzen van de fysisch-geografische regio’s heen: de ligging van nieuwe wegen, nieuwe stadsuitbreidingen en dergelijke vertoont vaak weinig of geen verband meer met het substraat. Verder is de oorspronkelijke begroeiing door de invloed van de mens geheel verdwenen. In grote lijnen bestaat er nog wel een verband tussen bodemgebruik en substraat, maar ook dat verband is (bijvoorbeeld door verbeterde ontwatering) aan veranderingen onderhevig.
Het is niet de bedoeling tot in detail in te gaan op de wijze van indeling van de regio’s; ook andere indelingen zijn mogelijk.
Figuur 1.3Fysisch-geografische landschappen (naar Wetenschappelijke Atlas van Nederland, deel 16).
De indeling in regio’s is verwant met de enigszins gedetailleerdere indeling in fysisch-geografische landschapstypen, die in de Wetenschappelijke Atlas van Nederland (Piket et al. 1987) is gepubliceerd, en die in deze figuur is weergegeven. In feite zijn de regio’s landschappen op een iets hoger agglomeratie niveau.
De fysisch-geografische regio’s noch de ‘fysisch-geografische landschapstypen’ geven een beeld van de oorspronkelijke toestand van Nederland (de toestand die bestond vóórdat de mens zijn invloed deed gelden). Beide kaarten geven dus niet de natuurlijke landschappen van Nederland weer.
Naast de term ‘natuurlijk landschap’ onderscheidt men ‘het potentiële landschap’. Dit is het landschap, zoals zich dat zou ontwikkelen wanneer de menselijke invloed geheel zou worden uitgeschakeld. De vegetatie die zich in dat landschap zou ontwikkelen wordt wel de potentiële natuurlijke vegetatie genoemd.