Samenvatting Class notes - Diergeneeskunde

Vak
- Fysio 1 & Pathofysio 1
- Prof C De Schauwer en prof C Delesalle
- 2020 - 2021
- Ugent
- Diergeneeskunde
399 Flashcards en notities
2 Studenten
  • Deze samenvatting

  • +380.000 andere samenvattingen

  • Een unieke studietool

  • Een oefentool voor deze samenvatting

  • Studiecoaching met filmpjes

Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.

Samenvatting - Class notes - Diergeneeskunde

  • 1600898400 Basisbegrippen

  • Ex:

    Voor welk ion zal de membraan van een cel in rust het meest doorlaatbaar zijn? 
    a. Na
    b. K 
    c. Cl 
    d. Ca
    B
  • Ex:

    Welke uitspraak geldt niet voor weefselhormonen?
    a. Er zijn ontzettend veel weefselhormonen
    b. Ze werken via paracriene of autocriene secretie
    c. Ze komen zowel in vrije vorm voor als gebonden aan transporteiwitten
    d. Productieplaats en doelwitweefsel liggen heel dicht bij elkaar
    C
  • Ex:

    Welke factoren hebben invloed op de diffusie (transport-intensiteit van een substantie)?
    Wet v Fick: Q = DxAx(C1-C2/L)

    D= diffusie coëfficiënt 
    A: opp van de diffusie 
    C: concentratie 1 en 2
    L: afstand waarover de beide concentraties van elkaar gescheiden zijn.

    Maw: Hoe groter die afstand, hoe kleiner de Q
    De rest: hoe groter, hoe groter de Q
  • Wat is de maximale diffusie afstand? En wat is de meest efficiënte diff afstand?
    100 um (micrometer)
    Meest efficiënte: 10-30 um
  • Osmose vs filtratie:
    Osmose: passief (H2O diff door de semi-permeabele membraan, volgt NaCl)

    Filtratie: Dmv een hydrostatische druk (bv de bloeddruk) worden opgelosten stoffen (bv zouten: NaCl) van een hoge concentratie naar een lage concentratie gedrukt, dit gebeurd dus actief.
  • Wat is de definitie van osmotische druk en welke vormen zijn hiervan te beschrijven?
    Osmotische druk is de druk die nodig is om osmose te voorkomen

    De verschillende vormen:
    1) Iso-osmotische: gelijke osmotische druk, dus evenveel vrije water moleculen aan beide kanten van de membraan

    2) Hyper-osmotisch: hoge osmotische druk, dus weinig vrije water moleculen, veel osmotische actieve deeltjes aanwezig (die H2O aantrekken).

    3) Hypo-osmotisch: lage osmotische druk, dus veel vrije water moleculen en weinig osmotisch actieve deeltjes.
  • Stoffen van bloed -> weefsels: diffusie/osmose?


    Stoffen van weefsels -> bloed: diffusie/osmose?
    1) Diffusie 
    2) Osmose
  • Transport doorheen een membraan kan op 2 manieren. Welke zijn deze en welke vormen kennen deze?
    Passief en actief

    Passief:
    1) Diffusie 
    2) Ionkanalen
    3) gefaciliteerd diffusie 

    Actief:
    1) Primair actief transport
    2) Secundair actief transport 
  • Nadeel van gefaciliteerd diffusie is:
    Dat het middels een transport EW gebeurd en er dus verzadigbaarheid en competitieve inhibitie een rol spelen
  • Waarom zal er na diffusie altijd osmose optreden?
    Het lichaam, de natuur streeft naar homeostase.
  • Een vloeistof kan, afhankelijk van zijn concentraties aan zouten (of andere stoffen), opgedeeld worden in 3 groepen. Welke zijn dit en bespreek hun kenmerken:
    1) Isotoon: evenveel NaCl in de RBC als in vloeistof (0,9% NaCl = 9 g NaCl/1l H2O)

    2) Hypotoon: bv zuiver water, veel meer vrije H2O moleculen dan RBC, dus RBC volume zal toenemen.

    3) Hypertoon: te hoge [NaCl] in de vloeistof, dus water uit de RBC, dus volume RBC daalt. -> infuus van 75% NaCl geven aan dier in shock (na veel bloedverlies) om bloed volume weer te herstellen => meer vocht in de bloedbaan (het hoog geconcentreerd infuus zal vocht uit de weefsels aantrekken)
  • Uniporter vs Co-transporter:

    Zijn beide transport EW
    Uni: slecht 1 stof per keer transporteren

    Co: 2 moleculen tegelijk:
    1) Symporter: 2 in dezelfde richting 
    2) Antiporter: tegenovergestelde richting 
  • Primair actief transport vs secundair actief transport:
    Allebei via ATP verbruik en via transport EW:

    Prim: actief 1 molecule transporteren

    Sec: actief 2 moleculen transporteren
  • Exocytose vs endocytose:
    Exocytose: dingen uitscheiden 
    2 vormen:
    1) Constitutieve: dus inhoud vesikels versmelt met de membraan.
    2) Gereguleerde: pas na prikkel, bv hormoon of NT

    Endocytose: opnemen van stoffen
    1) Pinocytose: drinken v de cel
    2) Receptor gemediteerde endocytose: hormoon/NT bindt op zijn receptor -> ligand-receptor complex verhuisd naar de plaats op de membraan waar er cladrine aanwezig is -> opgenomen door cel.
  • Welke 2 hoofdsystemen maken het mogelijk dat cellen met elkaar kunnen communiceren?
    1) Endocrienstelsel -> hormonen -> traag
    2) Zenuwstelsel -> NT -> snel

    Meestal wisselwerking tussen beide systemen.
  • Receptoren van hormonen/NT hebben een regulerende functies (2), welke zijn deze?
    1) Up regulatie: bv tijdens de puberteit=> meer receptoren aangemaakt, zodat de weinige hormonen die er zijn kunnen binden en een biologische respons kunnen teweeg brengen.

    2) Down regulatie: omgekeerde: bij een te hoog gehalte aan hormonen: aantal receptoren neemt af
  • Wat zijn de algemene eigenschappen van receptoren?
    1) Specificiteit
    2) Verzadigbaarheid
    3) Affiniteit 
    4) Reversibiliteit
    5) Agonisten/antagonisten
  • Als de dissociatie constante v een receptor hoog is, dan is de affiniteit constante ....
    Klein
  • Agonisten vs antagonisten:
    Agonisten: zijn synthetische stoffen, maar dezelfde werking. Je wilt zo selectieve mogelijke agonisten, anders bijwerkingen.

    Antagonist: zowel natuurlijk in het lichaam, als synthetisch maar hebben een tegenovergestelde werking: ze blokkeren de  receptor, zodat de natuurlijke ligand niet kan binden en er geen biologische respons zal optreden.
    Bv: beta-blokkers -> antagonisten v Beta-receptoren thv het hart -> hartslag daalt.
  • Wat is een allosterische agonist/antagonist?
    Dit is een stof die wanneer op een ligand bindt, de confirmatie verandert en er nu meer/minder ligand kunnen binden, maw=> deze stimuleren of blokken op het niveau van de ligand.
  • Waar worden receptoren gemaakt?
    In het RER van een cel -> constante opbouw.
    Afbraak: receptor-gemedieerde endocytose -> constante afbraak, maw het aantal receptoren per cel is dus sterk variabel.
  • Hormonen zijn in 2 grote groepen onder te verdelen:
    1) Systemische hormonen (lange afstanden)
    2) Weefselhormonen (korte afstanden, hun doelwit orgaan bevindt zich heel dicht bij het endocriene orgaan)
  • Ex:
    Waarom kennen we nog niet alle weefselhormonen?
    Omdat ze heel moeilijk te detecteren zijn, vanwege hun locale functie, dus moeilijk te meten in het bloed.
  • Wat is er zo bijzonder aan de hypothalamus peptiden?
    Het zijn neurohormonen: het zijn systemische hormonen (dus id bloedbaan) maar werking van de weefselhormonen (lokaal/korte afstand)
  • Waar worden hormonen allemaal in opgespoord?
    1) veneus bloed
    2) urine
    3) faeces  
    4) melk
  • Hoe worden hormonen opgespoord? WElke testen?
    ELISA (Enzyme linked immunosorbent assey)
  • Waarom zijn de wateroplosbare hormonen niet te meten in het bloed?
    Omdat zij zeer vlot diffunderen naar de weefsels en dus zeer kort in de bloedbaan aanwezig zijn.
  • Wat zijn de 5 second messengers in het lichaam?
    1) Cyclisch AMP (uit ATP) door adenylaat cyclase
    2) Cyclisch GMP
    3) Proteïne kinase
    4) Calcium
    5) Inositol triphosphaat en diacylglycerol
  • Hoe is het mogelijk dat ondanks er maar slechts 5 second Messenger moleculen zijn, er toch zoveel verschillende reacties door zoveel verschillende hormonen worden veroorzaakt?
    2 redenen:

    1) Receptoren aanwezig op verschillende soorten cellen die cel afhankelijk een andere biologische respons zullen hebben.

    2) Verschillende 2nd messenger  systemen gaan allemaal gekoppeld worden aam elkaar en zal er dus altijd een variatie zitten in wie de boodschap doorgeeft aan welke 2nd messenger -> lokt ook andere reactie uit.
  • De verschillende soorten receptoren zijn:
    1) Ionkanalen
    2) Enzyme-linked receptors 
    3) G-proteïne gekoppelde receptoren
  • Eigenschappen van de ionkanaal receptoren:
    Eerst een ligand binden, dan pas open. Maw => ze staan niet altijd open.
    Passage v ionen

    Klinische toepassingen:
    1) Curare
    2) Botulisme: botulismebacterie die toxines produceerde -> geen acetylcholine vrijstelling meer -> verlamming aan de achterhand en breidt uit naar craniaal.
  • Wat is het mechanisme van de enzym linked receptoren?
    Wanneer een ligand bindt op de receptor -> conformatie verandering -> dimerisatie van de receptor -> intracellulaire reactie (enkel op de plek van de celmembraan waar er cladrine aanwezig is.
  • Bij wateroplposbare hormoon receptor complexen kunnen er 3 mogelijke reactie/ gevolgen optreden:
    1) Activatiecode van EW (fosforylering)
    2) Inactivatie v EW (defosforylering)
    3) Synthese v EW

    Itt de vetoplosbare hormonen, die enkel eiwitten kunnen synthetiseren.
  • Bespreek het mechanisme van de G-proteïne gekoppelde receptoren:
    Zijn zeer belangrijk, komen heel veel voor in eukaryote cellen.

    Liganden: NT, hormonen, feromonen, geuren en ook lichtgevoelige stoffen.
    Slechts 2 second messengers: cAMP en inositol trifosfaat en diacylglycerol (DAG)

    Ligand recept complex -> (extracellulair:) conformatie verandering -> g-proteïne (alfa, beta, gamma subunit) -> receptor -> intracellulair => fosforylering v GDP -> GTP -> alfa unit komt los v beta en gamma -> alf-subunit wordt geactiveerd -> hele cascade aan reacties intracellulair -> biologische respons.

    40% van alle medicatie werken in op de g-proteïne gekoppelde receptoren.
  • Waarom heeft de lever een belangrijke functie bij het endocrien systeem?
    De lever produceert transport EW voor de vetoplosbare hormonen.
  • Water vs vetoplosbare hormonen (voor en nadelen):
    Water:
    Voor: makkelijke diff
    Na: ongebonden, dus onbeschermd in het bloed
    Korte halfwaardetijd, worden snel afgebroken.

    Vet:
    Voor: Bescherming in het bloed door transport EW
    Langere T1/2, altijd dus veel reserves
    Na: inactief in de bloedbaan
  • Waarom spreekt men bij vetoplosbare hormonen ook weleens van ligand afhankelijke transcriptie factoren?
    Omdat vetoplosbare hormonen altijd transcriptie tot gevolg hebben => eiwit synthese...
    Hoe? Vetoplosb hormoon gaat vrij door de celmembraan en bindt (INTRACELLULAIR) op een receptor -> DNA aflezen -> eiwit synthese.

    Biologische respons na enkele uren

    Itt tot de wateroplosbare: al na enkele minuten....
  • Factoren waarvan de grootte van de biologische respons afhankelijk zijn:
    1) aantal receptoren
    2) affiniteit v d receptoren 
    3) aantal transcriptie factoren 
    4) intracellulaire concentratie aan hormonen
    5) aanwezigheid v bouwstenen voor EW (AZ)
  • Waarom is de metabolisatie van hormonen niet direct de afbraak van hormonen?
    Er zijn hormonen die pas na metabolisatie (T3->T4) actief worden...
  • Factoren waarvan de hoeveelheid vrije hormonen in het bloed afhankelijk zijn:
    1) Prod v endocrien orgaan
    2) Binding aan de transport EW
    3) Synthese v de transport EW (lever)
    4) Binding aan receptor (affiniteit)
    5) Stapeling in de weefsels (vetoplosbare hormonen)
    6) Excretie via de nier, urine, kak, speeksel
    7) Metalbolisatie door de lever
  • 2 grote vormen van regulatie van het endocrien systeem zijn:
    Autoregulatie en heterologe regulatie
  • Wat houdt autoregulatie in? En bespreek ook een klinische toepassing:
    Autoregulatie: wanneer er een een overstimulatie is door een hormoon, dan zullen de receptoren dichtklappen (op niveau van het doelwitorgaan).

    Klinische toepassing: hond met huid allergie: op cortisonen gezet (die de afweer reactie gaan onderdrukken) -> veel cortisolwaarden receptoren ontwikkeld. Bik het stoppen van inname/toedienen v cortisonen moet dit gelijkelijk aan worden afgebouwd, want als je plots zou stoppen dan zouden alle receptoren inklappen en zou je bij een normale afweerreactie ook geen receptoren hebben => kan je heel ziek worden. 
  • Benoem de verschillende vormen van autoregulatie:
    1) receptor sequestratie
    2) receptor down regulatie (afbraak)
    3) receptor inactivatie 
    4) second Messenger inactiviteit (wateroplosbare hormonen)
    5) inhibitie v EW -> geen biologische respons
  • Verklaar hoe obese individuen diabetes mellitus type 2 kunnen ontwikkelen en is dit reversibel of irreversibel?
    Obese individuen: veel glucose in het bloed -> meer insuline productie (up regulatie) -> langdurige hoge insuline gehaltes -> overstimulatie van de insuline receptoren op de doelwit weefsels -> receptoren klappen dicht (autoregulatie) -> insuline resistentie!!

    Dit is reversibel => ervoor zorgen dat er geen overstimulatie meer is van de insuline receptoren door minder te eten...
  • Diabetes mellitus type 1 vis type 2:
    Type 1: auto-immuun => geen productie meer van insuline door de eilandjes v Langerhans in de pancreas -> exogeen insuline toedienen.
    Glucose hoog, insuline laag.

    Type 2: insuline resistentie door overstimulatie en productie v insuline door te hoge glucose gehaltes in het bloed -> hyperglycemie!!
    Glucose: hoog, Insuline ook hoog.
  • 5 vormen van regulatie van de endocriene activiteit:
    1) feedback mechanismen naar het CZS toe: neg en positief (komt minder voor -> enkel ovulatie en bloedstolling)
    2) Homeostase: bv van glycemie door insuline (hoe meer glucose in het bloed, hoe meer insuline productie)
    3) Antagonisme (insuline vis glucagon => werken elkaar tegen)
    4) Synergisme => versterkende werking van verschillende hormonen om groter effect te hebben
    5) Transport EW: hoe meer vrije transport EW, hoe meer hormoon productie en andersom...
  • Defecten in de hormoon functie (3):
    Classificatie: 
    1) pre-receptor defect 
    2) receptor defect (primair effect -> daling aantal receptoren of daling v affiniteit)
    3) post-receptor debet (bv iets mis met glucosetransport intracellulair)
  • Waarop is de membraan potentiaal gebaseerd?
    Op het elektronisch potentiaal verschil tussen intra en extra cellulair

    Extra: meer pos (Na)
    Intra: meer neg (K)
  • Verschillende soorten voltage afhankelijke kanalen zijn (3):
    1) Na-afhankelijke: membraan pot neg? -> Na naar binnen in de cel -> Na-afh voltage kanalen open -> nog meer Na naar binnen. -> hele snelle signalering

    2) K-afhankelijke: trager dan Na-afhankelijke  -> herstellen van de membraan potentiaal.

    3) Ca-afhankelijke: trager dan Na-afhankelijke, maar wel een langere reactie: tgv het hart.
  • Verschillende soorten membraan kanalen algemeen: (4)
    1) Lekkanalen (staan altijd helemaal open => transport op basis van concentratie gradiënt)
    2) Voltage gevoelige ionkanlen
    3) Ligand geassocieerde ion kanalen (bepaalde NT moet binden alvorens kanaal open gaat)
    4) Strek-gevoelige ionkanalen: gaan open afhankelijk van hoever de celmembraan is uitgerokken
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Laatst toegevoegde flashcards

Wat is fout betreffende het microbioom:​A. Suikervervangers kunnen lijden tot een glucose-intolerantie​B.  Het microbioom is genetisch​C.  Als je het microbioom van een obese persoon zou overdragen naar een slanke persoon, gaat deze sneller verdikken​D. Het microbioom is een stabiel gegeven, het wordt niet aangetast door een verandering van dieet*
C
10) Hoe wordt oxytocine vrijgesteld (productie en secretie)a) Hypothalamus => lange axonenuiteinden => neurohypofyseb) Hypofyse => hypothalamus => systemische circulatiec) Hypothalamus => adenohypofyse
A
wat is de meest ruwe schatting om vetgehalte te meten: a) weegschaalb) huidplooic) Impedantie
A
Welke stelling is juist over vetweefsel?a) Het is parasympatisch geïnnerveerdb) De zenuwen die naar het vetweefsel gaan, gaan ook naar de lever
A?
Doordenkertje: hoe ziet een onverzorgde diabetes patiënt er uit: ​A Heel mager en eventueel gedehydrateerd door osmotische diurese​B Heel gespierd​C Heel obees door insulineresistentieD Mager en hyperactief
A
Hoe kan je het best de voortplantingscyclus van de mens beschrijven: ​A Duurt 28 dagen en de start en einde van de cyclus is de menstruatie​B Duurt 28 dagen en de start en einde van de cyclus is de ovulatie
A
Welke dieren kunnen heel snel hun hematocriet waarde doen stijgen:A ​Kat en hond​B Mens en paard ​C Kat en paard​D Hond en paard
D
Wat bedoelt men met luteale fase bij landbouwdieren (paard, HK, schaap, geita) geen reactie bij aanwezigheid mannelijkheidb) verschillende pieken; inhibine, progesteron, estradiol, FSH, LH
B
Wat zijn reticulocyten: A. ​RBC zonder RNA​B. Immature RBC met een celkern en celorganellen ​C. Immaturen RBC met celorganellen en zonder kern​D.  Immature RBC zonder kern, maar met celorganellen en hemoglobine
C
Bij een parasitaire infectie zoals bijvoorbeeld malaria of pip.. heb je te makenmet:​A Pernicieuze anemie​B Hemolytische anemieC Sikkelcel anemie​D Aplastische anemie
B