Samenvatting Class notes - Economie in Hoofdlijnen

Vak
- Economie in Hoofdlijnen
- Arie Ros
- 2019 - 2020
- Universiteit Leiden (Universiteit Leiden locatie Den Haag, Den Haag)
- Bestuurskunde
190 Flashcards en notities
2 Studenten
  • Deze samenvatting

  • +380.000 andere samenvattingen

  • Een unieke studietool

  • Een oefentool voor deze samenvatting

  • Studiecoaching met filmpjes

Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.

PREMIUM samenvattingen zijn gecontroleerd op kwaliteit en speciaal geselecteerd om je leerdoelen nog sneller te kunnen bereiken!

Samenvatting - Class notes - Economie in Hoofdlijnen

  • 1578956400 College 2: Vraag en aanbod

  • Vraag: individu
    Wat is de vraagcurve?
    De vraagcurve zijn de combinaties van prijzen en hoeveelheden van een goed die een consument in een periode wil kopen.
  • Hoe verloop het verband van de vraagcurve?
    Hoe hoger de prijs, hoe lager de gevraagde hoeveelheid. Er is dus een negatief verband, een inverse relationship. Dit komt omdat je te maken hebt met een inkomen. 
    Dit wordt de wet van de vraag genoemd.
  • Wat verstaan we onder de wet van de vraag?
    De vraag wordt beïnvloedt door het prijspeil. Als de prijzen stijgen, daalt de vraag (en andersom). Er bestaat dus een negatief verband tussen de prijs van een goed en de gevraagde hoeveelheid. Dit verband tussen de prijs en de vraag (indien ceteris paribus) wordt de wet van de vraag genoemd.
  • Is de wet van de vraag op individueel altijd van toepassing?
    Nee, op individueel niveau is dit niet altijd geldig. Een voorbeeld hiervan is heroïne. Als je echt verslaafd bent aan heroïne, dan zal de vraag voor deze verslaafde niet afnemen als de prijs stijgt. Wat zal deze verslaafde dan gaan doen?
    • Hij zal dan om geld te besparen minder van andere goederen en diensten kopen,
    • of hij zal ervoor zorgen dat hij meer geld krijgt. 
    De wet van de vraag geldt dus niet altijd op individueel niveau, en zeker niet op goederen en diensten die je echt nodig hebt (denk bijvoorbeeld aan medicijnen); dit moet je echt hebben als je ziek bent.
  • Hoe komt het dat de wet van de vraag niet altijd op individueel niveau geldt, maar wel bij de marktvraag?
    Bij de marktvraag (horizontaal optellen van individuele vraagcurven) geldt de wet van de vraag wel altijd. 
    • Dit komt omdat je bij een lagere prijs nieuwe consumenten tegenkomt die er eerst niet waren, omdat ze het niet konden betalen, maar met een nieuwe, lagere prijs treedt er dus een nieuwe groep consumenten op en gaat de vraag dus omhoog. 
      • Bijvoorbeeld bij een kinderwagen; eerst was het te duur, maar als hij goedkoper wordt, dan kunnen we wel een kinderwagen kopen.  
    • Dit geldt ook andersom; bij een hogere prijs haken mensen uit (verlaten de markt) en zo daalt de vraag dus ook op marktniveau. 
    • Dit is indien ceteris paribus (alle andere omstandigheden gelijk) 
  • Welke factoren met uitzondering van de prijs zorgen voor een verandering van de vraag?
    Deze factoren zorgen ervoor dat de vraagcurve kan verschuiven (meer vraag; naar links, minder vraag; naar links) 
    • Voorkeuren van de consument 
    • Het aantal consumenten 
    • De inkomens van de consumenten
    • Prijzen van soortgelijke goederen 
      • Substituten (prijs Y neemt toe, vraag X neemt toe; want ze kunnen elkaar vervangen)
      • Complementen (prijs Y neemt toe, vraag X neemt af; want de producten gaan samen) 
    • Verwachte prijzen 
      • Stel dat er een verwachting is dat een product over een jaar een stuk goedkoper wordt, zal de vraag nu delen, want consumenten gaan het dan later kopen, wanneer het goedkoper is. 
      • Als je verwacht dat de prijs over een jaar gaat stijgen, ga je het nu kopen, dus zal de vraag nu stijgen, omdat je de prijsverhoging voor wilt zijn. 
    • Toekomstverwachting 
  • Wat kun je zeggen over de relatie tussen vraag en inkomen?
    • De relatie tussen vraag en inkomen hebben geen unieke relatie. 
    • Bij normale goederen; een positieve relatie (inkomen stijgt; vraag stijgt) 
    • Bij inferieure goederen; een negatieve relatie (inkomen stijgt; vraagt daalt)   
  • Wat kun je zeggen over de relatie tussen vraag en de prijzen van andere goederen?
    • Bij substituten; prijs van goed A stijgt (vraag A daalt), vraag naar goed B stijgt, want ze kunnen elkaar vervangen. (kip en gehakt)
    • Bij complementen; prijs van goed A stijgt (vraag A daalt), vraag naar B daalt ook, want deze producten gaan samen. (printers en inkt)
    • Bij onafhankelijke goederen; vraag naar goed B verandert niet, want ze hebben niks met elkaar te maken. (printers en brood)
  • Aanbod: individu 
    Wat is de aanbodcurve? Wat zit hierachter?
    De aanbodcurve zijn de combinaties van prijzen en hoeveelheden van een goed die een producent in een periode wil verkopen. Een producent heeft een bepaalde grens waar hij niet onder wilt. Deze grens zie je in de aanbodcurve. Daarachter zitten de marginale kosten. Het bedrag van de marginale kosten is het bedrag wat een producent ten minste wilt ontvangen van de consument.
  • Wat wordt er bedoelt met de wet van het aanbod?
    Het aanbod wordt beïnvloedt door het prijspeil. Als de prijzen stijgen, stijgt de aangeboden hoeveelheid en andersom. De aanbodcurve heeft dus een dalend verloop. Dit heet de wet van het aanbod.
  • Geldt de wet van het aanbod altijd?
    Ja, deze geldt altijd. Ook op individueel niveau.
  • Hoe komt het dat de aanbodcurve een stijgend verloop heeft? En ook op individueel niveau?
    • Als de aanbodcurve een weerspiegeling is van de marginale kosten, wil ik deze kosten dus ten minste goedgemaakt hebben. De marginale kosten stijgen als ik meer van een product maak, dus dan gaat de prijs van het product ook omhoog.
  • Hoe komt het dat de marginale kosten toenemen als je meer van een goed gaat maken?
    Dit komt omdat wanneer een producent een goed gaat produceren hij productiefactoren aanneemt om deze te maken, bijvoorbeeld arbeider. Hij zal in het begin de beste arbeiders aannemen, maar naarmate hij meer gaat produceren moet hij ook arbeiders aannemen die minder productief zijn dan de eerste aangenomen arbeider. Daarom zal de productiviteit dus afnemen. Je moet dus een hogere prijs hanteren om deze marginale kosten goed te maken.
  • Wat is het marktaanbod?
    Het horizontaal optellen van individuele aanbodcurven. Hier geldt de wet van het aanbod dus ook, want hij geldt ook op individueel niveau.
  • Welke factoren doen de aanbodcurve verschuiven?
    Dit heeft allemaal met de marginale kosten te maken. 
    • Prijzen van de productiefactoren 
      • Als de productiefactoren toenemen wordt het duurder en wordt er minder aangeboden, dus naar links (of omhoog) en andersom. 
    •  Technologische vooruitgang 
      • Hoge productiviteit; MK dalen; dus aanbodcurve naar rechts. 
    • Belastingen/subsidies 
      • Belastingen; meer MK; aanbodcurve naar links. 
      • Subsidies; minder MK; aanbodcurve naar rechts. 
    • Prijzen van andere goederen 
    • Verwachte prijzen 
    • Aantal aanbieders
      • Minder aanbieders; aanbodcurve naar links. 
      • Meer aanbieders; aanbodcurve naar rechts. 
  • Wat is het marktevenwicht?
    Dit is het punt waar de aangeboden hoeveelheid en de gevraagde hoeveelheid aan elkaar gelijk zijn. Er is hierbij een bepaalde evenwichtsprijs en een evenwichtshoeveelheid.
  • Wat verstaan we onder een vraagoverschot?
    Wanneer er bij een bepaalde prijs een hogere gevraagde hoeveelheid is dan een aangeboden hoeveelheid ontstaat er een vraagoverschot.
    Het gevolg hiervan is dat de prijzen zullen stijgen tot het weer in het marktevenwicht is gekomen.
  • Wat is een aanbodoverschot?
    Wanneer er bij een bepaalde prijs een hogere aangeboden hoeveelheid is dan een gevraagde hoeveelheid ontstaat er een aanbodoverschot. 
    Het gevolg hiervan is dat de prijs zal dalen tot we weer in het marktevenwicht zitten.
  • Wat doet de prijs op de markt?
    De prijs zorgt voor rantsoenering; deze stuurt de hoeveelheden. Dit gaat helemaal vanzelf in de vrije markt.
  • Wat is het consumentensurplus? Wat bedoelen we met welvaartswinst?
    • Het consumentensurplus is een ruilvoordeel. Dit is het verschil tussen wat je maximaal bereid bent te betalen - wat je daadwerkelijk moet betalen. De oppervlakte hiervan is een geldbedrag (het driehoek)
    • Als je naar rechts gaat is er steeds een ruilwinst, maar deze wordt steeds kleiner. Dit gaat door tot de evenwichtsprijs waar de prijs die de consument bereid is te betalen even groot is als de prijs die hij moet betalen.
    • Deze ruilwinsten bij elkaar opgeteld noemen we de welvaart die ontstaat op de markt; welvaartswinst.
  • Wat is het producentensurplus?
    • Het producentensurplus is een ruilvoordeel. Dit is het verschil tussen wat een producent minimaal wil ontvangen en wat hij daadwerkelijk ontvangt. Het oppervlakte (het driehoek) is een geldbedrag. 
    • Als je hier naar rechts gaat boek je steeds een ruilvoordeel, maar deze wordt steeds minder, tot we in het marktevenwicht zijn gekomen, daar is wat de producent minimaal wil ontvangen hetzelfde als dat hij daadwerkelijk ontvangt. 
  • Hoe staat het met de welvaartseffecten bij het evenwicht?
    • Evenwicht = maximale welvaart. 
  • Wat gebeurt er als er een vraagoverschot is met de welvaartseffecten? Figuur 4 in werkboek!
    Soms kan het zijn dat de overheid ingrijpt als de marktprijs op het evenwicht een prijs hanteert die te hoog is waardoor consumenten het niet kunnen betalen op de prijs van het marktevenwicht. Een voorbeeld hiervan is onderwijs. 
    Het gevolg van het instellen van een maximumprijs dat onder de evenwichtsprijs is dat er een vraagoverschot ontstaat, want de aangeboden hoeveelheid is minder dan de gevraagde hoeveelheid. Het gevolg is dus dat de hoeveelheid ook minder wordt met het verlagen van de prijs. Het gevolg hiervan is welvaartsverlies 
  • Het gevolg van een maximumprijs instellen dat onder de evenwichtsprijs ligt is dus een vraagoverschot, omdat de aangeboden hoeveelheid lager is dan de gevraagde hoeveelheid. De aangeboden hoeveelheid is ook lager dan de aangeboden hoeveelheid op het marktevenwicht. Dit zie je in figuur 4. Wat zou een overheid hier tegen kunnen doen?
    • Het aanbod aanpassen. De overheid kan zelf gaan produceren 
  • Wat is het gevolg als de overheid een minimumprijs hanteert die boven de evenwichtsprijs ligt?
    De overheid kan een minimumprijs hanteren als de prijs op de evenwichtsprijs ligt waar de producenten amper winst maken. 
    Het gevolg hiervan is een aanbodoverschot.  
    Het gevolg hiervan is welvaartsverlies.
  • Wat is het gevolg als de overheid een maximumprijs hanteert die onder de evenwichtsprijs ligt? Welke problemen komen hierbij kijken?
    De overheid kan een maximumprijs hanteren die onder de evenwichtsprijs ligt als consumenten het op de evenwichtsprijs niet kunnen betalen, denk bijvoorbeeld aan onderwijs. 
    Het gevolg hiervan is een vraagoverschot.  
    Dit zorgt voor
    •  Een vraagoverschot 
    • Probleem: hoe gaan we dit rantsoeneren? Wat kan de overheid doen? 
    • Probleem: zwarte markt? 
    • Welvaartsverlies! 
    Er moet dus een goede reden zijn voor een maximumprijs.
  • Wat is het gevolg van een minimumprijs? Welke problemen komen hierbij kijken?
    De overheid kan een minimumprijs hanteren die boven de evenwichtsprijs ligt als de producenten anders amper winst maken bij een prijs op de evenwichtsprijs. 
    Dit zorgt voor; 
    • Een aanbodoverschot 
    • Probleem 1: overcapaciteit 
      • Capaciteit verminderen (duur) 
      • Overschotten opkopen (duur) 
    • Welvaartsverlies  
  • Wat is elasticiteit?
    Elasticiteit is de mate waarin iets reageert op een verandering in iets anders
  • Wat wordt er bedoelt met de prijselasticiteit van de vraag?
    De prijselasticiteit van de vraag is de mate waarin de gevraagde hoeveelheid reageert op een verandering in de prijs. (Ed) 
    •  % verandering in de vraag naar een goed als gevolg van een % verandering in de prijs van een goed 
  • Waarom is Ed negatief?
    De Ed is negatief omdat een hogere prijs zorgt voor een lagere gevraagde hoeveelheid, en een lagere prijs zorgt voor een hogere gevraagde hoeveelheid; meestal absolute waarde genomen
  • Wanneer iets Ed elastisch en wanneer niet?
    • Elastische vraag; Ed > 1 
    • Inelastisch vraag: Ed < 1 
    • Proportioneel elastische vraag: Ed = 1 
    • Perfect elastische vraag Ed = 00
    • Perfect inelastische vraag: Ed = 0. 
  • Hoe zie je de waarde van Ed in de curve?
    De waarde van Ed daalt van linksboven naar rechtsonder.
  • Waar is de waarde van Ed afhankelijk van?
    • De waarde Ed is afhankelijk van de helling van de vraagcurve. (verticaal; inelastisch, horizontaal; elastisch)
    • Maar ook de locatie van de vraagcurve (de waarde daalt van linksboven naar rechtsonder; linksboven oneindig en rechtsonder 0)
    • Dus hoe verticaler; hoe kleiner Ed, en hoe verder naar rechtsonder; hoe kleiner Ed
  • Wie zijn er geïnteresseerd om de mate van de elasticiteit te weten?
    • Bedrijven; want als zij weten dat hun goed inelastisch is weten zij dat wanneer zij de prijs omhoog halen, dat dat weinig effect heeft op de vraag; en ook andersom; als zij weten dat hun goed juist wel elastisch is, weten zij dat zij niet zomaar de prijs omhoog moeten doen, omdat hun omzet dan verminderd kan worden. 
    • De overheid; als zij bijvoorbeeld roken tegen willen gaan en ze weten dat sigaretten heel inelastisch zijn, dat heffingen weinig effect hebben op de vraag naar sigaretten. 
  • De test van de totale opbrengst: Is het elastisch of niet: de prijs daalt en de opbrengst neemt toe, de prijs daalt en de opbrengst neemt af, prijs omlaag en opbrengst gelijk.
    Als de prijs daalt en de opbrengst neemt toe; dan is er sprake van een elastische vraag.
    Als de prijs daalt en de opbrengst neemt af; dan is er sprake van een inelastische vraag. 
    Als de prijs omlaag gaat en de opbrengst is gelijk dan heb je te maken met een proportioneel elastische vraag.
  • Wat bepaalt Ed?
    • Aard van het goed 
      • Noodzakelijk; Ed < 1 (inelastisch) 
      • Luxe: Ed > 1 (elastisch) 
    • Alternatieven; hoe meer alternatieven, hoe hoger Ed (elastisch) 
    • Aandeel in het inkomen; hoe hoger, hoe hoger Ed (elastisch) 
    • Periode: hoe langer de periode, hoe hoger Ed (elastisch) 
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.