Samenvatting Class notes - Inleiding in de psychologie

Vak
- Inleiding in de psychologie
- .
- 2019 - 2020
- Universiteit Leiden (Universiteit Leiden, Leiden)
- Pedagogische Wetenschappen
276 Flashcards en notities
1 Studenten
  • Deze samenvattingen

  • +380.000 andere samenvattingen

  • Een unieke studietool

  • Een oefentool voor deze samenvatting

  • Studiecoaching met filmpjes

Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.

Samenvatting - Class notes - Inleiding in de psychologie

  • 1567720800 College 1 - Inleiding in de psychologie

  • Wat is psychologie?
    Psychologie is een wetenschap waarbinnen men probeert het menselijk gedrag en mentale processen te begrijpen en die kennis toe te passen om mensen te helpen.
  • Wilhelm Wundt
    Stichtte eerste psychologische onderzoekslaboratorium. 
    Hij hield zich bezig met het bewustzijn. Ook ontdekte hij dat kwaliteit en intensiteit de twee belangrijkste elementen zijn van sensatie.
  • Gestaltpsychologen gaven kritiek op Wundt voor het afbreken van het bewustzijn in afgescheiden delen.
  • Sigmund Freud
    Grondlegger van de klinische psychologie. 
    > Al ons gedrag (en problemen) komt voort uit onbewuste mentale conflicten.
  • Behaviourisme - Watson en Skinner
    Het behaviorisme erkent dat het bewustzijn bestaat, maar het moet niet bestudeerd worden omdat het altijd onzichtbaar blijft en daarom niet te observeren is met wetenschappelijke methoden.
  • Skinner was behaviourist en ontwikkelde de operante conditionering
  • Psychologen moesten zich minder bezighouden met mentale gebeurtenissen en zich richten op observeerbaar gedrag
  • Psychologie nu kijkt naar gedrag (Watson en Skinner) en naar mentale processen (Wundt)
  • Psychologie als wetenschap
    • Biologisch: Gedrag en mentale processen worden gevormd door biologische processen.
    • Evolutionair: Gedrag en mentale processen worden beïnvloedt door evolutie via natuurlijke selectie. 
    • Psychodynamisch: Gedrag en mentale processen weerspiegelen de psychologische problemen die diep in ons zitten.
    • Behavioristisch: Eerdere ervaringen met straffen en beloningen en hoe deze invloed hebben gehad op het gedrag dat iemand nu vertoont.
    • Cognitief: Richt zich op hoe we informatie ontvangen, opslaan en verwerken en hoe dit ons gedrag beïnvloedt.
    • Humanistisch: Iemand kiest zelf hoe hij zich wil gedragen.
  • 1567980000 College 2- Intelligentie

  • Intelligentie
    Het vermogen om abstract te denken en redeneren op een andere manier (adaptief denken)
    Vaardigheid probleem oplossen
    Capaciteit om te leren
  • Alfred Binet
    Ontwikkelde de basis voor intelligentietesten. Testitems over redeneren, denken en problemen oplossen.

    De focus lag op het veranderen en/of verbeteren van de dingen waar het kind minder goed in was.
  • Mentale leeftijd
    De vaardigheden die kinderen kunnen op hun werkelijke leeftijd.
  • Stanford-Binet Intelligence Scale
    - Mentale leeftijd
    - Kalenderleeftijd

    Binet: Niveau = MA - CA
    Stern: IQ = MA / CA * 100
  • Intelligentietest van Wechsler
    Variant voor volwassenen en kinderen. Bestaat uit 15 subtesten. 
    Bevat zowel verbale als non-verbale subtesten en het is minder belangrijk of je wel of geen scholing heb gehad.
  • Intelligentietest van Stanford en Binet
    Tien sub testen die vijf verschillende vaardigheden meten; Vloeiend redeneren, kennis, kwantitatief redeneren en werkgeheugen.
  • IQ is deels erfelijk en deels afhankelijk van de omgeving waarin je opgroeit.
  • De psychometrische benadering
    Bestudeert het meten van kennis, vaardigheden, houdingen, persoonlijkheid en andere psychologische kenmerken.
  • Catell:
    De G-factor bestond uit
    - Vloeiende intelligentie (De basiskracht van redeneren en problemen oplossen)
    - Gekristalliseerde intelligentie (Specifieke kennis wat voorkomt uit het toepassen van vloeiende intelligentie)
  • Sternbergs triarchische theorie
    Er zijn 3 soorten intelligentie
    - Analytisch
    - Praktisch
    - Creatief
  • Gardners intelligenties suggereert dat iedereen op een bepaald manier hoog intelligent is.
  • Omgevingsinvloeden op intelligentie
    • Flynn effect - Gemiddelde score op intelligentietesten van een gegeven populatie stijgt in de loop van de jaren
    • Pygmalion effect - De verwachtingen van docenten, ouders en leerlingen zelf hebben invloed op de prestaties van leerlingen.  
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Samenvatting - Class notes - Inleiding in de psychologie

  • 1518822000 Thema 1 achtergrond en methoden

  • Omschrijf de wetenschap psycholigie
    Psychologie is de wetenschap van gedrag en de geest.
    Gedrag verwijst naar observeerbare acties van een persoon of dier
    Geest verwijst naar alle individuele ervaringen opvattingen, herinneringen gedachten, dromen, motieven, en andere subjectieve ervaringen. Geest verwijst ook naar onbewuste kennis en operation rules die ingebouwd zijn en die opgeslagen zijn in de hersenen en voor een funfdament zorgen om gedrag en bewuste ervaringen te organiseren.
    Wetenschap verwijst naar alle pogingen om vragen te beantwoorden door de systematische verzamling en logische analyse van observeerbare data, want gedrag is observeerbar, de geest niet, psychologen maken daarom gebruik van observatie van gedrag om dan de samen hang met de geest te maken
  • Wat is dualisme in de psychologie?
    Dualisme houdt in splitsing van het materiële lichaam, welke wetenschappelijk onderzocht kan worden en de immateriële ziel wat een bovennatuurlijke entiteit is, die handelt vanuit zijn eigen vrije wilt en niet vanuit de natuurlijke wetten en kan dus niet wetenschappelijk onderzocht worden. Dit komt voort uit de religie. Zij die hier tegenin gingen werden gestraft . Dit veranderde vanaf de 18 e eeuw.
  • Wat is Descartes versie van dualisme en hoe hielp dit om de weg vrij te maken voor de wetenschap psychologie?
    Descartes geloofde dat het lichaam een  ingewikkkelde comlexe machine is, die zijn eigen lichaamswarmte genereert en kan bewegen zonder interactie met de ziel, in tegenstelling tot andere dualisten die deze eigenschappen aan de ziel toekenden. De machinale controle van het lichaam zoals Descartes deze omschreef lijkt nu erg op hetzenuwstelsel. Hij geloofde dat complex gedag kan gebeuren mechanisch zonder interactie van de ziel, vergelijkend met dieren
  • Om welke reden denk je is Descartes' theorie ondanks de intuïtieve aantrekkingskracht te beperkt voor de complete psychologie?
    Voor filosofie zit de beperking in hoe kan het materiële lichaam interactie hebben met de ziel, dat zich niet houdt aan de natuurlijke wetten. In de psycholigie zit de beperking erin, dat het niet onderbouwd kan worden door wetenschappelijk onderzoek.
    Zijn uitleg over gedachten, en al het gedrag dat hierdoor wordt gestuurd,  kunnen dan niet wetenschappelijk onderzocht worden als ze product zijn van een moedwillige ziel.
  • Hoe hielp Hobbes materialisme  een basis te leggen voor de wetenschap psychologie
    Thomas Hobbes (1588-1679) dacht dat al het menselijk gedrag inclusief de schijnbaar vrijwillige keuzes die we maken, in theorie begrepen kunnen worden in termen van processen in het lichaam in het bijzonder de processen in de hersenen. Bewuste gedachten zijn voor hem onderhevig aan de natuurlijke wetten
  • Hoe heeft het begrip van het zenuwstelsel in de 19e eeuw de theorie van gedrag die reflexoligie wordt genoemd beïnvloed ?
    In de 19e eeuw werd steeds meer bekend over de werking van het zenuwstelsel, het centrale zenuwstelsel en periphere zenuwen. Hieruit ontstond de gedachte dat alle menselijk gedrag door reflexen ontstaat. Ook de vrijwillige acties, die zouden complexere reflexen zijn door een hoger gedeelte in de hersenen. De Rus Sechenov schreef dat alle menselijke acties geïnitieerd worden door stimuleren uit de omgeving die een ketting aan gebeurtenissen in gang zetten in het zenuwstelsel, wat vertaald wordt in bewegingen van spieren die de actie maken. Sechenov inspireerde hiermee Pavlov.
  • Hoe hebben de ontdekkingen van localiseren van functie in de hersenen geholpen aan het idee dat de geest wetenschappelijk onderzocht kan worden?
    Door deze wetenschap over de relatie tussen geest en hersenen gaf het de psychologie input voor het idee dat er een materiele basis is voor mentale processen. Het werd duidelijk dat mensen met schade aan het brein niet meer konden praten maar wel andere mentale processen nog konden doen. Ook werden er experimenten met dieren gedaan op dit vlak. Hieruit is ook de pseudo wetenschap phrenology ontstaan in de 19e eeuw, welke nu veel lijkt op neurowetenschap.
  • Hoe zou je het ontstaan van complexe ideeën en gedachten uitleggen volgens de Britse empiristen? Welke rol had de wet van associatie door nabijheid in deze filosofie?
    De empiristen  (Locke) zeiden dat gedachten geen product zijn van de vrije wil, maar reflecties van de ervaringen van een persoon, in de fysieke en sociale omgeving. Alle inhoud van de geest komt uit de omgeving en heeft een directe relatie met die omgeving. Volgens de empiristen komen alle eenheden van de geest direct uit de sensitieve ervaringen en worden aan elkaar gekoppeld, en vormen zo complexe ideeën en gedachten.
    Law of association by contiguity: als een persoon 2 omgevingsgebeurtenissen (stimuli, sensaties) tegelijkertijd of vlak na elkaar ervaart, dan worden deze 2 gebeurtenissen in de geest van die persoon geassocieerd met elkaar zodat de gedachte van een gebeurtenis in de toekomst de gedachte aan de andere gebeurtenis zal uitlokken.
    Voorbeeld van een appel kleur, vorm, zoete smaak.
  • Hoe zou de je de invloed die empirische fysiologen hebben gehad op de psychologie omschrijven?
    De wet van association by contiguity wordt nog steeds beschouwd als een fundamenteel principe van leren en geheugen. Een groot deel van de psychologie heeft zich in de loop der tijd gewijd aan het bestuderen van de effecten van de omgevingservaringen van mensen op hun gedachten, gevoelens, en gedrag.
  • Waarom is de mogelijkheid om te leren afhankelijk van de bij geboorte aanwezige kennis. In Kant's nativisme: wat is het onderscheid tussen a priori kennis en a posteriori kennis?
    De tegenovergestelde filosofie van empirisme is nativisme. Deze omschrijft dat de meest basis vormen van menselijke kennis en operating characteristics van de geest, welke een fundament van de menselijke natuur verzorgen, al bij geboorte aanwezig zijn. Deze zijn nodig om als mens te kunnen weten hoe omgevingsprikkels ervaren moeten worden. Zoals de mogelijkheid om waar te nemen, kunnen interpreteren, de ervaringen opslaan en weer kunnen oproepen. Empiristen waren vooral in Engeland, nativisten in Duitsland.
    Kant: a priori kennis, is ingebouwd in het menselijk brein vanaf de geboorte en hoeft niet geleerd te worden. A posteriori kennis, welke vergaard wordt door ervaringen in de omgeving.
  • Hoe heeft Darwin's theorie van natuurlijke selectie een wetenschappelijke basis gegeven om gedrag te omschrijven door zijn functie. Hoe gaf het een basis om het ontstaan van a priori kennis uit te leggen?
    Natuurlijke selectie houdt in dat individuelen die eigenschappen laten zien, die bijdragen aan aanpassing aan de lokale omgeving, een grotere kans op overleven en voortplanten hebben . Daarmee ontwikkelt de mens zich door de tijd, om zich zo aan te passen aan de veranderende omgeving. Geneitisch materiaal verandert zo ook met de tijd. Dit geldt ook voor gedrag. Empiristen onderzochten de relatie tussen omgeving en gedrag. Darwin onderzocht de functies van gedrag, de manier waarop het gedrag helpt de overleven en voort te planten.
    Darwin laat zien hoe het evolutionaire denken bijdraagt aan het wetenschappelijk begrip van menselijk gedrag. Hij beargumenteerde dat de basisvormen van menselijk emotionele uitdrukkingen, zoals lachen en huilen, geërfd zijn, net als bij andere dieren en zijn bij de mens verder ontwikkeld door de mogelijkheid om te emoties te communiceren of de intentie, om de kans op overleven te vergroten. 
    Darwins werk gaf de pshycholgoie een wetenschappelijke manier van denken over alle aangeboren universele tendensen. De georven mechanismen die onder de menselijke emoties zitten drives, perceptie, leren en argumenteren, ontstonden geleidelijk door de overleven en vootplanting van onze voorouders. Dit linkt naar Kant's a priori kennis. Hiermee werd de wereld klaar voor de phsycologie als wetenschap.
  •     

    In het boek worden in totaal negen typen verklaringen genoemd. Som deze nog eens op, en geef met een paar woorden weer wat bij elke verklaring precies wordt aangewezen als oorzaak van menselijk gedrag

    Doel van psychologie is de oorzaak achterhalen mentale ervaringen en gedrag.
    1. Bij neurale verklaringen wordt de structuur en activiteit van het zenuwstelsel aangewezen als oorzaak.
    2. Bij fysiologische verklaringen worden hormonen en andere chemische stoffen aangewezen als oorzaak.
    3. Bij genetische verklaringen wordt de invloed van onze genen aangewezen als oorzaak.
    4. Bij evolutionaire verklaringen wordt de natuurlijk selectie aangewezen als oorzaak.
    5. Bij leertheoretische verklaringen wordt de voorafgaande ervaring van het individu aangewezen als oorzaak.
    6. Bij cognitieve verklaringen worden kennis en overtuigingen van het individu aangewezen als oorzaak.
    7. Bij sociale verklaringen wordt de invloed van andere mensen aangewezen als oorzaak.
    8. Bij culturele verklaringen wordt de culturele context waarin het individu opgroeit aangewezen als oorzaak.
    9. Bij ontwikkelingstheoretische verklaringen worden veranderingen over de loop van het leven aangewezen als oorzaak
  • Hoe verschillen neurologische, fysiologische, genetische en evolutionaire van elkaar. Hoe pas je deze uitleg toe op het begrijpen van jaloezie?
    Definitie sexualiteit jealousy: set van emoties en gedag dat ertoe leidt dat een persoon gelooft dat zijn of haar relatie met een sexuele partner ofpotentiele partner bedreigd wordt door de omgang van de partner met een andere persoon .
    Neurale verklaringen richten zich op de werking van het zenuwstelsel. Hierbij kunnen scans gemaakt worden gedurende gedragsexperimenten, welke delen van de hersenen worden actief?)Of bijv het effect bij mensen met een hersenbeschadiging
    Fysiologische verklaringen richten zich op de hormonen drugs op de hersenen. Vb is het hormoon estradiol dat een rol speelt bij jaloerse gevoelens. Onderzoek laat zien dat dit sterker is bij vrouwen in de vruchtbare periode.
    Genetische verklaringen, door veschil in DNA kunnen verschillen in de hersenen veroorzaken tussen individuen.  Hierbij kunnen bijv eeneiige tweelingen ingezet worden vd twee eige tweelingen.
    Evolutionaire verklaringen. Alle basis biologische macinery die aan gedrag en mentale ervaring ten grondslag ligt, is een product van evolutie , natuurlijke selectie. Uit onderzoek via deze richting blijkt dat jaloezie voor een langdurige band zorgt bij onderzoek bij dieren die ook een langdurige band vormen blijkt dat ze ook jaloers gedrag hebbe.
  • Hoe verschillen lerend en cognitieve verklaringen van elkaar.
    Alle vorm van menselijk gedrag en mentale ervaringen kunnen aangepast worden door leren, ze kunne. Beïnvloed worden door eerdere ervaringen. Deze beïnvloeden onze emoties drijfveren percepties, gedachten, vaardigheden en gewoonten.
    De meeste psychologen zijn geïnteresseerd in de manier dat leren het gedrag kan beïnvloeden. Jaloezie kan ook een reactie zijn op basis van eerdereervaringen. Bijvoorbeeld dat jaloers gedrag een positief resultaat heeft gehad, ook kunne bepalalde signalen Triggerfinger dat het risico op ontrouw groot is wat een jaloerse reactie veroorzaakt.
    Cognitief verwijst naar alle info die is opgeslagen in de hersenen, gedachten herinneringen, overtuigingen.
    Verschil met learning is dat learning ervaringen met de omgeving direct linken aan gedrag. Bij cognitief wordt onderzocht welke onderliggende zaken in het brein invloed hebben op het gedrag.
    Een cognitievepsycholoog zal bij jaloezie vragen welke gedachten ze hadden, welke emoties ze voelden en wT de actie was.
  • Hoe verschillen sociale en culturele verklaringen van elkaar en hoe zou je ze toepassen bij jaloezie?
    Een veel gebruikte defi itie van sociale psychologie is de poging om uit te leggen en te begrijpen hoe gedachten, gevoel en gedrag van individuen worden beïnvloed door echte, gedachte of geïmpliceerde aanwezigheid van anderen.  Ze proberen vaakste gedrag uit te leggen in termen vN conformieren aan sociale normen, of gehoorzaamheid aan autoriteit, ookwel sociale druk genoemd.er wordt gekeken naar de overtuigingen over de sociale consequenties om op een bepaalde manier te reageren, hier liggen link naar cognitieve verklaringen. 
    VEB jaloezie zou dezerichting kijken naar de normen en overtuigingen over romantiek, paren en hoe andere jaloerse personen reageren. 
    We kunne aspecten van iemands gedrag voorspellen adhv de cultuur waar de persoon is opgegroeid. De richting die gedrah en mentale ervaringenuitlegt adhv de cultuur waarin iemand zich ontwikkeld heeft heet culturele psychologie.
    Culturele. En sociale psychologie liggen dicht bij elkaar mastpruim verschillen in klemtoon individuen versus impact door een groep/cultuur.
    Social: conformist en obedience. CulturL Unique historie economy, religiën filosofische tradities.
    VEB jaloezie zou de culturele richting de nadruk leggen op verschil in culturele moraal  oor romantiek seks.vb verschil in normen mannen en vrouwen, tolerante cultuur, verschillend effect op jaloezie.
  • Wat is developmental verklaring en hoe pas je dat toe op jaloezie?
    De manier waarop leeftijd invloed heeft op hoe iemand denkt, voelt en doet.
    Vwb jaloezie kan er dan gekeken worden naar veranderingen insociale relaties met de leeftijd. De stabiliteit van relaties als kind met ouders, vrienden, voorspelt de stabiliteit van latererelaties.
  • Welke ander research specialties inpsychologie zijn gelinked aan tpoics i.p.v. levels of analysis?
    Sensors psychology:zintuigen
    PerceptuL,psychology: hoe maken mensen endieren interpreteren allen informatie die via de zintuigen binnenkort.
    Psychologie emotie 
    Psychologie motivatie
    Normale psychologie
    Abnormale psychologie
  • Wat zijn de drie hoofd divisies van studies en hoe linkt psychologie hieraan?
    Zie foto
  • Aan het begin van het eerste hoofdstuk worden drie fundamentele principes besproken die ten grondslag liggen aan de psychologie, die ontstonden voordat er überhaupt sprake was van een wetenschappelijke discipline die die naam mocht dragen. Welke drie ideeën bedoelen we hier?
    • Benoem ze alle drie, en leg van elk kort uit wat er mee bedoeld wordt.
    • Noem bij elk idee een of enkele belangrijke wegbereider(s) van dat idee.
    1. Terugkoppeling op de vraag:Het eerste idee is materialisme. Dat is de opvatting dat gedrag en mentale ervaringen altijd een fysieke oorzaak hebben. Dit idee is al terug te vinden in de antieke Griekse filosofie, maar het duurde tot in de zeventiende eeuw voordat dit idee gestalte kreeg in het huidige westerse denken. René Descartes stelde bijvoorbeeld dat de ziel in direct contact moest staan met het lichaam om de waarnemingen van het lichaam te kunnen ervaren, en om de beweging van het lichaam aan te sturen. Thomas Hobbes stelde de zaken zelfs nog radicaler voor. Volgens hem was het concept van de ziel helemaal overbodig. Het lichaam is een machine en alle gedrag dat het vertoont is te begrijpen als een gevolg van natuurlijke processen. Het mag dan lijken alsof onze ziel zelf keuzes maakt en dus verantwoordelijk is voor ons gedrag, maar dergelijke bewuste gedachten zijn, volgens Hobbes, gewoon het gevolg van de machinerie van ons brein.
      Het tweede idee is empirisme. Dat is de opvatting dat gedrag, gedachten en gevoelens over de tijd heen gevormd worden door de ervaringen die we opdoen in onze omgeving. Dit idee kwam voor het eerst expliciet tot uitdrukking in de filosofie van John Locke, en was een logisch gevolg van de materialistische filosofie van Hobbes. Als het hele lichaam inclusief de mentale ervaring een materiele machine was, dan moest de omgeving, via de zintuigen, verantwoordelijk zijn voor de kennis over die omgeving die in dat lichaam aanwezig was.
      Het derde idee is nativisme. Dat is de opvatting dat de mens, onafhankelijk van de ervaringen die hij opdoet tijdens het leven, enige vorm van aangeboren, a priori kennis bezit die hem helpt de wereld te begrijpen. Dit idee vinden we in conceptuele vorm al bij filosofen als Leibniz en Kant, maar kreeg een expliciete, wetenschappelijke vorm in het werk van Darwin. Zijn stelling dat de lichamelijke machinerie die ons gedrag en onze mentale ervaringen produceert, een product is van het proces van evolutie door natuurlijke selectie - en dus gericht is op voortbestaan en voortplanting van de mens - bood een onderbouwing voor het gegeven dat de mens specifiek is aangepast aan zijn omgeving, en daarin sommige dingen wel, en andere dingen niet kan leren.
  • Leg van elk van de drie fundamentele ideeën die ten grondslag liggen aan de pshychologie kort uit hoe zij hebben geholpen vorm te geven aan de hedendaagse psychologie
    Met het idee van fysieke causatie van gedrag van Descartes, en definitief met het materialisme van Hobbes, werd de weg vrijgemaakt voor de hedendaagse psychologie, omdat zij hiermee een natuurwetenschappelijke benadering van gedrag, gedachten en gevoelens mogelijk maakte. De ziel was door hun werk niet meer een ongrijpbaar, immaterieel fenomeen, maar stond in direct contact met de fysieke wereld, en werd daar - in het werk van Hobbes - letterlijk onderdeel van.
    Locke en zijn tijdgenoten ontwikkelde met het empirisme vervolgens een van de belangrijkste verklaringen voor menselijk gedrag, namelijk de omgeving die, als bron van alle kennis, de geest vult, het lichaam in beweging zet, en dus bepaalt welk gedrag dat lichaam vertoont (association by continguity). Het grootste deel van de moderne psychologie is nog altijd gebaseerd op dit idee, dat de menselijke machinerie door de omgeving via de zintuigen geprikkeld wordt, en zodoende aangezet wordt tot gedrag.
    Met hun nativisme boden Kant, maar met name ook Darwin de psychologie het gereedschap om te begrijpen dat de mens niet alleen beschouwd kan worden als een machine (materialisme) die wordt aangestuurd door de omgeving (empirisme), maar vooral ook dat die machine bij geboorte al op een heel specifieke manier in elkaar zit (nativisme) waardoor sommige gedragingen en ervaringen wel mogelijk zijn, of voor de hand liggen, en andere niet.
  • De fundamentele inzichten die we zojuist bespraken zijn stuk voor stuk grondslagen voor de psychologie geworden, maar zij lopen allemaal vooruit op het ontstaan van de psychologie als wetenschappelijke discipline.
    Aan wie wordt gewoonlijk de oprichting van de wetenschappelijke psychologie toegeschreven?
    Wilhelm Wundt
  • De auteurs groeperen deze typen van verklaringen in twee clusters. Welke clusters zijn dat, en hoe herkent u deze wanneer u nog eens terugkijkt naar de drie fundamentele uitgangspunten van de psychologie die eerder in het hoofdstuk aan de orde waren?
    Terugkoppeling op de vraag:Het eerste cluster dat de auteurs identificeren bestempelen zij als het biologische cluster. Hierin plaatsen zij de neurale, fysiologische, genetische en evolutionaire verklaringen.
    Het tweede cluster bestempelen zij als het cluster van verklaringen dat juist de invloed van de omgeving benadrukt. Hierin plaatsen zij de cognitieve, sociale, culturele en leer- en ontwikkelingstheoretische verklaringen.
    In deze tweedeling is duidelijk de scheiding te herkennen tussen het nativisme - dat wat door de evolutie in ons lichaam is aangebracht en bij geboorte voor ons wordt klaargezet - en het empirisme - dat wat zich tijdens het leven vanuit de omgeving opstapelt in onze ervaring.
    Merk op dat de ontwikkelingstheoretische verklaringen hierbij wel een beetje een vreemde eend in de empiristische bijt zijn. Want ontwikkeling wordt vaak niet alleen door de omgeving in gang gezet, maar ook door aangeboren factoren die zich pas later in het leven ontvouwen. Juist in de ontwikkelingspsychologie tiert de discussie tussen nativisten en empiristen dan ook welig, in de vorm van het zogeheten nature-nurturedebat, zoals we later in deze cursus zullen zien.
  • Al deze typen van verklaringen lijken te passen binnen het uitgangspunt van het materialisme, en zo worden ze ook gepresenteerd in het boek, maar neem die stelling niet te klakkeloos over.
    Kijk nog eens kritisch naar het lijstje en beschrijf in hoeverre er bij elk echt sprake is van een materialistische verklaring.
    Terugkoppeling op de vraag:Van de biologische verklaringstypen is vrij duidelijk dat zij van materialistische aard zijn. Zij hanteren uitsluitend verklaringen die langs biologische weg verlopen en verklaren menselijk gedrag dus op een natuurwetenschappelijke wijze. Merk wel op dat alleen de neurale en fysiologische verklaringen dit direct doen. Genetische en evolutionaire verklaringen doen dit uitsluitend door te verklaren hoe onze lichamelijk machinerie tot stand is gekomen. Het gedrag zelf verklaren zij enkel indirect, via die lichamelijke machinerie.
    Ook uit het cluster van omgevingsverklaringen is de meerderheid duidelijk van materialistische aard. De ontwikkelings- en leertheoretische verklaring gaan uit van de invloed van de omgeving op de lichamelijk machinerie gedurende het leven, en de sociale en culturele verklaringen wijzen daarbij eenvoudigweg op specifieke factoren die in die context aanwezig zijn.
    Met de cognitieve verklaringen is echter iets vreemds aan de hand. In hoeverre verwijzen die naar een materiële oorzaak voor gedrag? Hoe kan een overtuiging onze lichamelijke machinerie in werking zetten? Hier lijkt toch sprake te zijn van een soort overblijfsel uit het dualisme van Descartes, die op zoek was naar het contactpunt in de hersenen waar de materiële en immateriële wereld met elkaar zouden communiceren.
  • Hoe liet Clever Hans blijken dat hij de antwoorden wist en hoe ontmaskerde Oskar Pfungst de methode van Hans
    Clever Hans antwoordde op vragen door met zijn hoofd te schudden (ja/nee) en door met zij voet te tikken voor letters van het alfabet.
    Pfungst had de theorie dat Hans op non-verbale signalen reageerde. Hij onderzocht dit door vragen te stellen met en zonder oogkleppen op en kwam erachter dat er minimaal 1 persoon in het zicht moest zijn die het antwoord kende. Verder onderzoek liet zien dat bij de tikken met de voet, de omstanders ongemerkt van houding veranderde als. Hans het correcte aantal had bereikt. Hetzelfde gold voor gesloten vragen. De signalen van de observanten waren zo subtiel  dat niemand het in de gaten had, totdat Pfungst hen erop wees.
  • Hoe zijn feiten (facts) theorieën (theorie) en hypothesen (hypotheses) met elkaar verbonden in wetenschappelijk onderzoek?
    Feit is een observatie, een objectief statement, normaalgesproken gebaseerd op directe waarneming, waar meerdere observanten dit als waar aanmerken. In depsychologie gaat het om  specifiek gedrag, betrouwbare patronen van gedrag van mensen of dieren.
    Een theorie is een idee, conceptueel model, dat gemaakt is om bestaande feiten uit te leggen en voorspellingen te doenover nieuwe feiten die ontdekt zouden kunnen worden.
    Een hypothese is iedere voorspelling die gedaan wordt op basis van een theorie
    Van osten had de theorie dat paarden dezelfde soort intelligentie hebben als dieren.
    Pfungst had de theorie dat paarden niet denken als mensen, van daaruit ontstond de theorie dat Hans op visuele tekens reageerde. Van daaruit ontstond de hypothese dat Hans niet goed zou antwoorden met oogkleppen op, zodat hij niemand zou zien die het antwoord kent
    Feiten leiden toto theorieën, die leiden tot hypotheses, die met experimenten of ande research studies onderzocht worden die weer leiden naar nieuwe feiten ......
  • Hoe laat het verhaal van Clever Hans de waarde van skeptisme zien, de waarde van controle onderzoek, en de noodzaak vooronderzoeken om te communiceren met hun subjects?
    Skeptisme probeert het tegendeel te bewijze;is is daarheen kritisch naar de gestelde theorie. Een theorie wordt geloofwaardiger als herhaaldelijk is geprobeerd het tegendeel te bewijzen. Pfungst skeptisme bracht hem ertoe te testen in plaats van het gestelde te accepteren.
  • Langs welke 3 dimensies kan een research studie opgesteld worden?
    Research design: experimenten, correlatie studies of beschrijvende studies 
    Setting: in het veld of laboratorium
    Data verzameling methode: zelf rapportage of observatie
    Elke dimensie kan omafhankelijk van elkaar variëren, dus iedere combinatie is mogelijk.
  • Hoe kan een experiment het bestaan van een causaal verband tussen twee variabelen laten zien?
    Onafhankelijke variabele (independent variable) is de variabele in d hypothese die een verandering veroorzaakt in een andere variabele. De variabele die de verandering ondergaat is de afhankelijke variabele (dependent variable). Het doel van ieder experiment is leren of en hoe de afhankelijke variabele beïnvloed wordt door de onafhankelijke variabele. 
    In de spychologie zijn afhankelijke variabelen vaak meeteenheden van gedrag. De onafhankelijke zijn de factoren waarvan de hypothese zegt deze meeteenheden te beïnvloeden. 
    Een experiment kan omschreven worden als een procedure waarin de onderzoeker systematisch een of meerdere onafhankelijke variabelen manipuleert om het effect op de afhankelijke variabelen te meten. Alle overige variabelen worden constant gehouden om ze een causaal verband te kunnen aantonen.
    Within studies experiment: ieder subject  wordt getest in de verschillende situaties. Between groep experiments:er is voor iedere groep een andere situatie waarin/waarmee ze getest worden.
  • Wat waren de onafhankelijke en de afhankelijke variabelen in Pfungst experiment met Clever Hans ?
    Onafhankelijk: oogkleppen wel of niet
    Afhankelijk: het % correcte antwoorden
    Within subject experiment met 1 subject
  • Wat zijn de afhankelijke en onafhankelijke variabelen in DiMascio’s experiment voor behandelingen voor depressie. Waarom waren de subject willekeurig toegewezen aan de verschillende behandelingen i.p.v. toestaan dat ze hun eigen behandeling mochten kiezen?
    Onafhankelijke variabele is de soort therapie
    De afhankelijke variable het effect op het herstel van de depressie
    De wijze van toekenning is onterecht voorkomen dat de resultaten vertekend raken. India experiment zou hetzelfde kiezen kunnen resulteren dat de verbetering g beïnvloed wordt door extra motivatie obv de eigen keuze.
  • Wat zijn de verschillen in procedure tussen een correlatie studie en experiment. Hoe verschillen de conclusies uit deze studies van elkaar?
    Soms is het niet mogelijk om een setting te creeeren waarin variabelen beïnvloed kunnen worden om het resultaat te meten. Vb strafstijl van een ouder op het gedrag van een kind.
    Een correlatiestudue is een studie waarin de onderzoeker niet de variabele manipuleert maar twee of meer variabelen die al bestaan meet of observeert om te kijken of er een relatie bestaat.  Deze studies kunnen een verband keten zien, waarmee we voorspellingen kunnen doen over een variabele gebaseerd op kennis van een andere. Maar ze laten niet direct zien of verandering in de ene de oorzaak is van verandering in de andere.
  • Hoe laat Baumrind’s studie over ouderlijke opvoedstijl zien dat het leggen van oorzaak en verband obv correlatie.
    De onderzoeker heeft de variabelen niet gecontroleerd, dus we kunnen niet weten wat oorzaak is en wat gevolg, mss is de opvoedstijl de oorzaak van het gedrag van de kinderen, maar ook andere inetpretaties zijn mogelijk zoals:
  • Hoe verschilt een beschrijvende studie in methode en doel van experimenten en correlatiestudies?
    In een beschrijvende studie is het doel om gedrag van een individu of een groep individuen te beschrijven zonder de relatie tussen variabelen te onderzoeken.
  • Wat zijn de relatieve voor en nadelen van laboratorium studies ten opzichte van veld studies?
    Een laboratoriumstudie geeft de mogelijkheid om data te verzamelen onder meer uniforme en gecontroleerd gecontroleerde omstandigheden. Echter het kunstmatige in een laboratorium kan ongewenst het gedrag beïnvloeden dat de onderzoeker wil onderzoeken. 
    Soms wordt laboratorium met veld gecombineerd . Als hetzelfde gedrag gemeten wordt onder gecontroleerd en minder gecontroleerde omstandigenden kunnen we er behoorlijk zeker van zijn dat de conclusies waardevol zijn.
  • Wat is het verschil tussen zelf rapportages, tests en naturalistische observaties van elkaar. Benoem enkele voor- en nadelen van elk
    Zelf rapportage (self report methods) een procedure waarin mensen worden gevraagd om hun gevoel of ervaring te beoordelen of beschrijven, 
    Een vorm van zelfrappotage is introspectie, waarbij het gaat om de persoonlijke observaties van gedachte, percepties en gevoelens. De individuele ervaringen zijn belangrijk, maar subjectief. Ze kunnen niet door een ander bevestigd worden.
    Bij observatie methoden bevat alle procedures waarbij onderzoekers gedrag observeren en vastleggen in plaats van de Zelfrapportagen van het subject. 
    Tests: de onderzoeker laat expres problemen, situaties of taken zien waarop het subject moet reageren 
    Natuurlijke observatie (naturalistic observation) de onderzoeker vermijdt het gedrag van het subject te beïnvloeden. Aandachtspunt is dat subjects vaak weten dat ze geobserveerd worden. Dit kan het gedrag beïnvloeden (hawthorne effect)
    Een techniek om dit effect te beïnvloeden is dat door tijd de subjects wennen aan de situatie en hun gedrag niet meer laten beïnvloeden (habituation/gewenning).
    Iedere dataverzamling methode heeft zijn eigen voor- en nadelen.  Vragenlijsten en interview kunnen informatie naar voren halen wat niet gelukt zou zijn met observaties, maar de validiteit is beperkt tot het vermogen vetpan het subject om hun eigen gedrag of stemmingen te observeren of herinneren en bij de wil om deze te rapporteren, zonder zich druk te maken wat de onderzoeker ervan zou vinden. 
    Natuurlijke observaties geven directe informatie over het natuurlijke gedrag, maar kosten veel tijd en het is lastig om het gedrag langere tijd te observeren zonder het te beïnvloeden,  het is ook lastig om het zo te coderen dat het statistisch geanalyseerd kan worden.
    Tests zijn makkelijk, makkelijk te scoren, maar kunstmatig en relevantie voor dagelijks gedrag is niet altijd duidelijk . 
  • Omschrijf beschrijvende (descriptive) statistiek en inductieve (inferential) statistiek
    Beschrijvende statistiek: omvat alle numerieke methoden om data samen te vatten
    inductieve statistiek: helpt onderzoekers te besluiten hoe zeker ze ervan kunnen zijn dat de resultaten die ze geobserveerd hebben, niet door kans ontstaan.
  • Hoe helpen het gemiddelde (mean) de mediaan (median) en de standaardeviatie (standard deviation) om een set met cijfers te beschrijven?
    Gemiddelde (som/aantal metingen)
    Mediaan: de middelste meting als ze van laag naar hoog staan
    Standaard deviatie: geeft aan in hoeverre de cijfers van elkaar variëren en van de mediaan
  • Hoe omschrijft de correlatie coëfficiënt (colelation coëfficiënt) de richting en de grootte van de correlatie?
    In een correlatie studie wordt gekeken of 2 of meer variabelen een relatie lijken te hebben. Als de metingen numeriek zijn, dan kan deze relatie onderzocht worden met de correlatie coëfficiënt. De uitkomst is -1 tot +1 en laat de richting van de samenhang zien (negatief - positief). Een correlatie dicht bij nul laat zien dat er statistisch geen verband is.
  • Waarom is het noodzakelijk om inductieve (inferrential) statistiek toe te passen voordat je conclusies kunt trekken uit een onderzoekstudie?
    Iedere set van data uit onderzoek bevat tot op zekere hoogte variatie die toegewezen kan worden aan toeval. Als een experiment 2 keer wordt uitgevoerd zal de data wat verschillen. Denk aan de studie van depressiebehandeling. Wetende dat toeval een rol speelt, hoe kan een onderzoeker dan zeker zijn van zijn data. Daarvoor wordt inductieve statistiek toegepast.
  • Wat betekent het als om te zeggen dat een resultaat van een onderzoek statistisch significant is op het 5% niveau?
    Onderzoekers kunnen p berekenen (probability) voor het niveau van significantie. Bovenstaande wil zeggen dat de kans acceptabel klein is (<5%) dat ze door toeval alleen zijn ontstaan.
  • Hoe wordt de statistische significantie beïnvloed door de grootte van het effect, het aantal subjects van observatie en de variatie van de scores in iedere groep?
    Grootte van het effect: als al het overige gelijk blijft, dat is een groter effect waarschijnlijker dan een klein effect. Een groot effect ontstaat minder snel door toeval dan een klein effect.
    Het aantal individueel geobserveerde subjects; Als al het overige gelijk blijft dan is bij een groter aantal de kans op verstoring kleiner dan bij een klein aantal door toeval. Hoe groter de groep, hoe accurater een gemiddelde of correlatie coëfficiënt, het echte gemiddelde of correlatie coëfficiënt laat zien, Bij hele grote groepen is zelfs een heel klein effect significants.
    De variatie van de data in iedere groep. Hoe kleiner de variatie, hoe dichter de meeteenheden bij het gemiddelde liggen, hoe significanter de data is, hoe kleiner de kans dat het door toeval is ontstaan.
  • Wat is het verschil tussen vooroordeel (Bias) en willekeurige variatie in gedrag en waarom is vooroordeel een groter probleem?
    willekeurige variatie: ontstaan door fouten, worden door de statistiek naar boven gehaald. Bij vooroordelen niet (vb boogschutter). Die leidt ertoe dat de onderzoeker een verkeerde conclusie trekt (ondersteund door statistiek) voor hun hypothese.
  • Hoe kan een niet representatieve selectie van subjects een vooroordeel introduceren in een experiment en hoe in een beschrijvende studie?
    Als de geselecteerde groep systematisch anders is dan de grotere groep waar de onderzoeker de resultaten tegen af wil zetten dan die groep een "biased sample".
    Vb: experiment depressie groepen: als de deelnemers zelf hadden kunnen kiezen dan zou de motivatie voor hun voorkeur vertekenend kunnen werken. Als ze random worden ingedeeld wordt het een error die door statistiek eruit te halen is.
    Vb verkiezingen in 1936, waar kiezers telefonisch benaderd werden: dit was een specifieke groep: een selecte groep had toen een telefoon en was niet representatief voor de uitslag.
    Zo ook als een onderzoek onder studenten wordt gedaan: dit is niet representatief voor alle volwassenen (leeftijd, opleidingsniveau).
    Veel studies in de psychologie worden gedaan met samples van WEIRD mensen: Western, Educated, Industrialized, Rich, Democratic) waarmee het moeilijk is om conclusies over universele kenmerken te trekken.
  • Wat is het verschil tussen betrouwbaarheid en validiteit van een meetprocedure en hoe draagt gebrek aan validiteit bij aan bias
    Betrouwbaarheid gaat om meetfouten niet om vooroordeel. Een meeting is betrouwbaar tot het niveau dat het gelijke resultaten laat zien elke keer met diezelfde subject, onder dezelfde omstandigheden, ook wel reproduceerbaar genoemd. Een psychologische test is niet betrouwbaar als de scores erg beïnvloed worden door grillen van de onderzoeksobjecten.
    Interobserver betrouwbaarheid: houdt in dat hetzelfde gedrag gezien wordt door verschillende observanten. Hierbij is een operationele definitie belangrijk.
    Een meetprocedure is valide als het meet of voorspelt wat men zich voorgenomen had om te meten of voorspellen. Anders leidt het tot bias. bv duimlengte - intelligentie
    face validity is als ons gezonde verstand ons vertelt dat de meetprocedure ook de voorgenomen kenmerken meet.
  • Hoe kunnen we de validiteit van een meetprocedure schatten?
    Door zijn score te relateren aan een andere meer directe index van het kenmerk, deze validiteit heet criterium validiteit
    Vb intelligentie als kwaliteit van de geest
  • Hoe kan het vermeende verschijnsel van faciliteren bij mensen met autisme uitgelegd worden als een waarnemers verwachting effect?
    Dit effect houdt in dat de onderzoeker onbewust met zijn wens om bepaalde resultaten te vinden, de subject beïnvloed en daarmee de resultaten beïnvloed.
    Dit blijkt uit het onderzoek van mensen met autisme waar men door het vasthouden van de hand hielp met boodschappen/antwoorden te typen. Dit bleek na onderzoek het antwoord van de facilitator te zijn (onbewust) en niet van de persoon met autisme.
  • Wat zijn 2 manieren waarop een observers expectation een bias kan zijn voor een experiment. Hoe draagt blind waarnemen bij aan het voorkomen van deze bias.
    door de verwachting op een resultaat kun je je onbewust anders gaan gedragen om het resultaat te krijgen.
    Of je eigen perceptie kan onbewust beïnvloed worden door de wens om een resultaat te vinden.
    Door een blinde waarnemer te laten observeren (ongeïnformeerd houden voor die aspecten van de studie die vooroordelen kunnen laten ontstaan)
  • Hoe kan de subject expectation bias de resultaten van een onderzoek beïnvloeden en hoe draagt een dubbel blinde procedure bij aan het beheersten van zowel de subject als de observers bias?
    door de verwachting die een subject heeft kan hij effecten denken te ervaren die er niet hoeven te zijn. Of hij heeft antwoord wat hij denkt de moeten antwoorden.
    Als zowel de subject als de observer niet weten wat voor behandeling ze krijgen in een experiment dan voorkom je beide biases. => errors.
  • Wat zijn de ethische zorgen horende bij privacy, ongemak, bedrog en dieren welzijn in een psychologisch onderzoek. Hoe streven onderzoekers ernaar om deze problemen te minimaliseren
    Privacy: Het verkrijgen van geïnformeerde toestemming, informeren dat de subject geen informatie hoeft te delen die ze niet willen delen, anonimiteit waarborgen
    ongemak en schade: in de realiteit zijn de meeste psychologische onderzoeken ongevaarlijk. Mocht er wel ongemak, gevaar zijn, dan zijn de onderzoekers verplicht om zich af te vragen hoe ze de risico's kunnen minimaliseren en of het onderzoek zich verhoudt tot de verwachte menselijke voordelen van de studie. In ieder onderzoek moeten de personen geadviseerd worden dat ze altijd mogen stoppen.
    Bedrog: Sommige experimenten bevatten een leugen ten behoeve van de kwaliteit van het onderzoek (een leugen om bestwil). Deze worden verteld na het onderzoek. Ook kan vooraf aangegeven worden dat sommige details van de studie achteraf verteld worden. Extra aandacht moet zijn voor studies met kinderen, beperkte mensen of mensen die beperkt hun eigen beslissingen mogen nemen zoals gevangenen.
    Dieren: Sommige procedures worden niet op mensen maar op dieren getest. De ethische grondslag ligt dan in de grote opbrengst voor de mens. Hierover verschillen meningen. De dieren moeten goed verzorgd worden, niet onnodig leiden en er moet balans zijn tussen het lijden en de opbrengst aan kennis
  • 1

    De auteurs maken onderscheid tussen drie verschillende research designs. Benoem deze, licht van elk kort de procedure toe, en geef van elk aan voor welk soort onderzoeksvragen zij geschikt zijn
    Een experiment is de meest geschikte methode om oorzaak-gevolgrelaties vast te stellen. In een experiment proberen we de situatie zoveel mogelijk onder controle te houden, en manipuleren we vervolgens één variabele - de onafhankelijke variabele, bijvoorbeeld: de hoeveelheid zout in een bak friet - om te bekijken of een andere variabele daardoor beïnvloed wordt - de afhankelijke variabele, bijvoorbeeld: de hoeveelheid friet die mensen eten. Als nu blijkt dat bij hogere zoutgehalten mensen steeds meer friet eten, dan mogen we concluderen dat het zoutgehalte een van de oorzaken is voor overmatige frietconsumptie.
    Bij correlationeel onderzoek voer je een manipulatie zoals in een experiment niet uit, meestal vanwege praktische of ethische bezwaren tegen het beïnvloeden van je deelnemers. In dat geval beïnvloed je dus niet een onafhankelijke variabele om te zien wat daarvan het effect is op een afhankelijke variabele, maar meet je gewoon twee variabelen, om te zien of er een verband is tussen beide. In zulke studies kunnen we dus niet vast stellen wat oorzaak en wat gevolg is, maar wel voorspellen hoe de variatie op de ene variabele - bijvoorbeeld werkdruk - zal samenhangen met een variatie op de andere - bijvoorbeeld productiviteit op de werkvloer.
    Descriptief of beschrijvend onderzoek is het meest geschikt als we in veel detail willen beschrijven hoe processen verlopen. Met descriptief onderzoek kunnen we geen verbanden vaststellen omdat we niet systematisch meerdere variabele meten, laat staan dat we oorzaak-gevolgrelaties kunnen vaststellen. Daarvoor zouden we immers niet alleen twee variabelen moeten meten, maar ook nog eens een van beide systematisch moeten manipuleren. Beschrijvend onderzoek is wel heel geschikt om nauwkeurig in kaart te brengen hoe een specifieke groep mensen, of één individu, zich gedraagt in een specifieke context.
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Samenvatting - Class notes - Inleiding in de psychologie

  • 1518044400 research methods

  • in which two categories can we divide research?
    experimental research and observatory research.
  • what defines experimental research?
    the experimenter manipulates a variable and studies the effect of this manipulation. he creates an artificial environment.
  • what defines observatory research?
    the researcher simply observes an aspect of nature how he finds it. he doesn't make anything happen.
  • what are case studies?
    studies that have studied events that are very rare, therefore there isn't a lot of data to find, the event occurred a few times or maybe even once.
  • what are the strength of case studies?
    the give lots of ideas for new studies about general ideas.
    you can study one particular thing in hight depth.
  • what are the weaknesses of case studies?
    1. you can't generalize the outcome of the study.
    2. there's room for a lot of different explanations on the reason why.
    it's a lot of.
    3. high chance of observer bias, since researcher and object have a lot of contact.
    4. a lot of ad-hoc reasoning.
    5. a high chance for observer effects.
  • what is ad-hoc reasoning?
    ad-hoc reasoning is reasoning about a single example or case, it's not useful because there's a low generalizability to the outcome of the reasoning.
  • what are surveys?
    a form of questionnaire to examine a big group or population at once, focussing on the group as an object instead of individuals.
  • what types of claims are there?
    frequency claims
    association claims
    causal claims
  • what is a frequency claim?
    frequency claims tell you how many something is, how often something occurs.
  • what is an association claim?
    it lies a link between two variables.
  • what is a causal claim?
    one thing is the cause of another thing.
  • which type of claim can be made only with experimental research?
    causal claims.
  • what are the advantages of surveys?
    you can study objects that are hard to study
    quick and easy
    collect a lot of information.
  • what are the disadvantages of surveys?
    – Possibility of subjectivity in the data
    – Non-response
    – Not a lot of depth
    -- some objects require long term research, can't me achieved with surveys.
  • what are the advantages of experimental research?
    causal claims are possible.
    high degree of control of the participants.
  • what ere the disadvantages of experimental research?
    research in an artificial environment.
    not all manipulations are (ethically) possible.
  • what are the advantages of direct observation research?
    good generalizability 
    you can study directly what you're interested in.
  • what are the disadvantages of direct observation research?
    less control over participants.
  • what is participant observation?
    a form of research where scientists pretend to be a part of the group so they can study the group from the inside out.
  • what is cognitive dissonance?
    We are uncomfortable if our actions conflict with our beliefs and values.
  • what is expressive aphasia?
    A syndrome where the patient is unable to speak except for one word.
  • if the actions are irreversible then we may modify our beliefs to mach them, cognitive dissonance.
  • what can promote a change in behavior?
    social pressure and social support
  • what are advantages of participant observation?
    valuable information that is not easy to get.
  • what is a disadvantage of participant observation?
    reactivity --> because you are part of the group you have a chance of interfering with the group procedures.
  • what is ethology?
    the study of animal and human behavior in its natural setting
  • what are releasing stimulus?
    these are the specific characteristics that animals recognize and get triggered by. scientist can discover what these stimulus are per species by running experiments after they've observed the species in a natural environment.
  • what is instinctive behavior?
    complex actions that can occur even without any experience.
  • instinctive behavior can be suppressed
  • what is positive correlation?
    When one variable decreases as the other variable decreases, or one variable increases while the other increases.
  • research doesn't prove theories, what does it do?
    it rules out alternatives.
  • what is sampling bias?
    a bias in which a sample is collected in such a way that some members of the intended population are less likely to be included than others. this way you'll get a group that isn't representative for a population.
  • Correlation does not establish causality, but it may provide evidence for or against a causal theory.
  • what are different types of observational research?
    • Case studies 
    • Direct observation 
    • Surveys 
    • Participant observation
  • can you still call a study observational research if you research participants in an created environment?
    yes, as long as it's still an environment close to reality and as long as you study the behavior of the participants and not the effect of the manipulated variable on another variable.
  • what is random sampling?
    a way of sampling where every person in the population has the same probability of being selected in the sample.
  • what are the disadvantages of random sampling?
    it's hard to do if there isn't an overview of the population. and most often there isn't.
  • what is an overview of the population?
    a list with all the people that are part of the population often can find a list like that at companies like cbs or the regional government.
  • what is multistage sampling?
    sampling used if u want to survey school kids from an entire nation. 
    impossible to survey every school kid of the nation. so divide the nation into states, pick a few states, pick from each state a few schools and survey only those schools.
  • what is systematic sampling?
    if you want to survey all the people that go to a supermarket, take every 5th person that comes out of the supermarket and survey them.
  • what is purposive sampling?
    search for participants with a certain set of acquirements necessary for your experiment.
  • what is the problem with purposive sampling?
    it can only be used when you want to research a specific kind of group.
  • what is convenience sampling?
    simply use a sample that is easy accessible. like an audience at a movie theater.
  • what is the problem with convenience sampling?
    relatively high chance of sampling bias because of the high chance of getting a group that is not representative for an entire population.
  • what are some solutions for sampling bias?
    random sampling
    multistage sampling
    systematic sampling
    purposive sampling
    convenience sampling
  • when does sampling bias not matter?
    if you want to proof a principle, or if you want to recreate a study to test it on generalizability.
  • when is sampling bias important?
    if you want to study a concrete population.
    and if you want to make a frequency claim.
  • what are observer effects?
    effects that are caused by the presence of the observer. people may act different if they know they're being watched.
  • what is observer bias?
    when observers may see what they expect to see.
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Samenvatting - Class notes - Inleiding in de Psychologie

  • 1504821600 Foundations for the study of psychology

  • Wat is psychologie?
    De wetenschap van gedrag en geest
  • Wat is gedrag?
    Observeerbare acties van een persoon of dier
  • Wat houdt 'geest' in?
    Individuele sensaties, waarnemingen, herinneringen, gedachten, dromen, motieven, emoties en andere subjectieve ervaringen
  • Wat is wetenschap?
    Alle pogingen om antwoorden te vinden door systematische verzameling en logische analyse van objectieve, observeerbare data
  • Wat houdt het dualisme in?
    Ieder mens bestaat uit 2 gescheiden, maar ook verbonden delen. Het materiele lichaam en een immateriële ziel. Het lichaam, deel van de natuurlijke wereld, kan wetenschappelijk bestudeerd worden, zoals alle zielloze materie.  De ziel, een bovennatuurlijke bestaan, kan niet bestudeerd worden, omdat deze handelt uit eigen vrije wil, niet volgens natuurwetten.
  • René Descartes: (Dualisme) Hij geloofde dat het lichaam aangedreven werd door het binnen krijgen van stimuli (zintuigen). Puur mechanische aandrijf, zonder betrokkenheid van de ziel (behalve gedachten). Gedachten responderen met zintuiglijke waarnemingen, waardoor het lichaam in beweging wordt gezet. (In werking gesteld d.m.v. de pijnappelklier).
  • Thomas Hobbes: Materialisme: Filosofie gebaseerd op de betekenisloze ziel/geest. Er bestaat niks anders dat materie en energie.  Alles wat de mens doet, komt voort uit fysieke processen van het lichaam, met name de hersenen.
  • Wat is reflexologie?
    Al het gedrag van mensen komt voort uit reflexen door stimuli uit de omgeving. Stimuli activeren de zintuigen, welke op hun beurt het zenuwstelsel activeert, welke spieren aandrijven en er dus beweging/gedrag ontstaat.
  • Wat is het empirisme?
    Alle kennis en gedachten van mensen komen uit zintuiglijke ervaringen. Leren door ervaring. 
  • John Locke: Tabula rosa: Een kind wordt blanco geboren, door ervaring kunnen zij alles leren. Zij passen hun gedrag aan, aan de omgeving. 
  • Wat is Association by contiquity?
    Het linken van 2 omgeving gerelateerde ervaringen. Als deze 2 tegelijk of kort achter elkaar plaatsvinden, kan het brein deze met elkaar linken. In de toekomst zal door het denken aan het een, automatisch ook aan het ander gedacht worden.
  • Nativisme: (Leibzig/Kant)Tegenovergestelde van empirisme: Kennis is aangeboren
    oPriori: aangeboren, al aanwezig in het brein. Hoeft niet geleerd te worden. Moet kunnen waarnemen, onthouden en terughalen van informatie.
    oPosteriori: Geleerd door ervaring in de omgeving. Zonder priori kan er geen ervaring opgedaan worden. 
  • Charles Darwin: grondlegger van de evolutietheorie: Generatie na generatie worden alleen de beste eigenschappen doorgegeven om te zorgen dat er een zo hoog mogelijke overlevingskans is en de genen weer doorgegeven kunnen worden aan het nageslacht. 
  • Analyse levels: De studie van wat de oorzaak is van bepaald gedrag of mentale ervaring:
    • Neuraal (brein) --> Neurowetenschappelijk gedrag: Hoe is het zenuwstelsel van invloed op gedrag.
    • Fysiologisch (interne chemische functies zoals hormonen of medicatie) --> Bio-psychologie: Wat is de invloed van hormonen en medicatie op het brein
    • Genetisch (genen, DNA, onderzoek bij tweeling) --> Genetisch gedrag: Invloed van DNA: verschillen/gelijkenis tussen mensen
    • Evolutionair (Natuurlijke selectie)--> Evolutionaire psychologie: Het hoe en waarom van ontstaan van gedrag
    • Leren (individuele prior kennis/ervaring met omgeving als oorzaak) --> Psychologie van leren: Kijken naar waarom gedrag veranderd, door naar het verleden te kijken
    • Cognitief (Individuele kennis, gedachten, herinneringen) --> Cognitieve psychologie: Alle informatie dat is opgeslagen en kan worden geactiveerd door het brein. Bewust of onbewust. Cognitie is niet direct meetbaar, alleen observeerbaar door bijbehorende gedrag.
    • Sociaal (invloed van andere mensen) --> Sociale psychologie: Invloed van andere op het gedrag van individu
    • Cultureel (de cultuur waar iemand in leeft) --> Culturele psychologie: Studie van het soort gedrag dat iemand vertoont door de cultuur waarin iemand opgroeit.
    • Ontwikkeling (leeftijd gerelateerde oorzaken) Ontwikkelingspsychologie: Studie van leeftijd gerelateerde veranderingen in gedrag. Kijkend naar hoe ervaringen in de ontwikkeling in een later stadium gedrag beïnvloeden.
  • Psychologische specialiteiten:
    Zintuiglijke psychologie:
    studie van mogelijkheid de omgeving waar te nemen met zintuigen
    Waarnemingspsychologie en psychologie van emoties/motivatie: Studie hoe de waarnemingen worden geïnterpreteerd
    Persoonlijkheidsleer: De studie van verschil in denken van mensen
    Abnormale psychologie: Studie van variaties in karaktertrekken die niet helpend zijn voor de mens, maar destructief en extreem dat ze als stoornis worden gezien.
    Klinische psychologie: De specialiteit om mensen te helpen met stoornissen of psychische problemen d.m.v. psychotherapie, soms in combinatie met medicatie.
  • Psychologie staat in het midden van alle wetenschappen. Bij psychologie wordt er gekeken naar alles wat een mens doet en waarom ze dat doen. Alle vakgebieden komen weer terug binnen de psychologie.
    • Natuurwetenschappen --> Natuurkunde, Scheikunde, Biologie
    • (Sociaal)Cultuurwetenschappen --> Cultureel antropologie,  Sociologie, Economie, Politiek
    • Geesteswetenschappen --> Humanistiek, Houden zich bezig met de ‘geestesproducten van de mens --> filosofie, talen, kunst en muziek
  • Psychologen kunnen werkzaam zijn in academische gedeeltes van universiteit/hoge school, klinische setting, basisschool of werken voor bedrijven/overheid.
  • Wat was Descartes versie van het dualisme? 
    Dualisme is de scheiding van lichaam en geest.
    Descartes dacht dat de ziel in direct contact met het lichaam moest staan om de waarnemingen van het lichaam te kunnen ervaren en de beweging van het lichaam aan te sturen. (d.m.v. gedachten)
  • Hoe hielp Descartes versie van dualisme mee aan de weg tot de huidige wetenschap van psychologie?
    Er werd een natuurwetenschappelijke benadering gezocht voor het gedrag, gevoelens en gedachten van de mens. Eerst werd alles toegeschreven aan de ziel niet te bestuderen viel. Door het onderzoek van het menselijk lichaam door Descartes kon hierop verder gegaan worden.
  • Welke redenen zijn er te bedenken waarom Descartes theorie niet voldoet aan de gehele psychologie?
    De ziel is onzichtbaar, wat onzichtbaar is, is niet te onderzoeken. Dit zorgt voor conflicten binnen de psychologie. Hoe kan iets wat niet zichtbaar is, wat er niet is, invloed hebben op een lichaam. 
  • Hoe hielp de theorie van Hobbes mee aan de weg tot de huidige wetenschap van psychologie?
    Materialisme: Er bestaat geen geest of ziel. Alleen materie en energie.
    Door zijn theorie over dat het brein als een machine werkt, werd er verder gekeken naar het brein. Hij geloofde niet in de ziel, wat als een ongrijpbaar iets werd gezien. Alles werd volgens hem veroorzaakt door natuurlijke processen.
    Door zijn theorie waren er geen theoretische limieten meer voor het wetenschappelijk onderzoek
  • Hoe zorgde het begrijpen van het zenuwstelsel ervoor dat er een nieuwe theorie kwam omtrent gedrag door reflexology?
    Iedere prikkel die door de mens wordt waargenomen (door zenuwen/zintuigen) leidt tot een reflex (acties) en hieruit ontstaat gedrag. 
  • Hoe zorgde de ontdekking voor het lokaliseren van functies in de hersenen ervoor dat men dacht dat de geest toch wetenschappelijk te onderzoeken valt?
    Doordat zichtbaar werd dat problemen in bepaalde gebieden zorgde voor specifieke ‘mankementen’. Dat niet alles aan elkaar verbonden is, maar de rest kan blijven functioneren bij uitval van 1 gebied. Dit gaf het bewijs dat het mentale proces een materiële basis heeft.
  • Hoe kan je het ontstaan van complexe ideeën/gedachten uitleggen aan de hand van het Britse Empirisme?
    Onze gedachten worden gevormd door ervaringen. Hetgeen wij met onze zintuigen waarnemen, vormt ervaringen en daaruit ontstaan gedachten. Bij het zien van een appel of het horen van dit woord, kan ons brein alle andere waarnemingen erbij bedenken (mits ervaring).
  • Welke rol speelde de wet van association by contiguity bij idee van complexe idee/gedachte?
    Association by contiguity: Als een mens 2 ervaringen tegelijk meemaakt of het een direct na de ander, dan zullen die 2 gebeurtenissen met elkaar gelinkt worden. (Een appel zien en direct het woord horen). In de toekomst zullen zij hierdoor gedachten en gevoelens vormen. 
  • Welke invloed heeft het empirisme op de huidige psychologie?
    Empirisme (leren door ervaring) is van grote invloed, omdat door goede/slechte ervaringen gedrag en gedachten wordt gevormd. Dit wordt weer doorgegeven aan de omgeving.
  • Waarom is de mogelijkheid tot leren afhankelijk van aangeboren kennis?
    Sommige kennis weet je al voor het ervaren hebt. De aanwezigheid van zintuigen moet er zijn om te kunnen leren. De hersenen moeten goed werken om alles te combineren en te kunnen onthouden en terughalen. Zonder deze basisprincipes is iemand niet in staat om te leren door ervaring.
  • Wat is het verschil tussen a priori en a posteriori kennis?
    A priori à al aanwezig bij de geboorte, kan niet aangeleerd worden
    A Posteriori à kennis verworven door ervaring (waarvoor de basisprincipes er moeten zijn)
  • Hoe zorgde de theorie van Darwin (natuurlijke selectie) voor een wetenschappelijke basis voor het uitleggen van gedrag door beschrijving van functie? Hoe legde dit de basis voor het begrijpen van a priori uit?
    Darwin bestuurde wat nodig was om te overleven en voortplanting. De natuur zorgt voor evolutie. De omgeving van de mens bepaald wat er belangrijk is voor de verschillende groepen. De natuur doet verder zijn werk. De mens geeft zijn genen door aan nageslacht, waardoor de basisprincipes voor overleven er al zijn (priori). Als de omgeving veranderd, veranderd de mens mee (evolutie).
  • Waarin verschillen de categorieën neuraal, biologisch, genetisch en evolutionair van elkaar?
    • Neuraal: oorzaak wordt gezocht in de hersenen. Er wordt gekeken naar wat de structuur en activiteit van het zenuwstelsel is
    • Fysiologisch: Lichamelijke, onderzocht wordt hoe hormonen en chemische stoffen invloed uitoefenen op de hersenen om gedrag en ervaringen te veranderen.
    • Genetisch: Oorzaak wordt gezocht in de genen (DNA-onderzoek)
    • Evolutionair: Oorzaak ligt in het proces van natuurlijke selectie. Hoe bepaalde kenmerken een rol spelen in dit proces.
  • Hoe kan je onderststaande begrippen gebruiken om concept van jaloezie te begrijpen?
    • Neuraal: De links frontale cortex vertoont meer activiteit bij het zien van partner, bij toenadering (gelinkt aan fijne activiteiten). Bij toenadering van een andere man/vrouw naar partner geven de hersenen een sein af om er voor te zorgen de bedreiging weg te halen. Zorgen dat de ander niet een relatie aangaat met persoon van toenadering, ook zorgt het voor de wil voor herstel van eigen relatie.
    • Fysiologisch: Het hormoon Estradiol (zit in anticonceptie) heeft te maken met verhoogde jaloezie gevoelens, met name tijdens de menstruatie. (Hormonen in anticonceptie onderdrukken bepaald gedrag/gevoel)
    • Genetisch: Mensen met dezelfde genen. Hoe dicht bij elkaar (1-eiige tweeling), hoe gelijker de reactie.
    • Evolutionair: Jaloezie komt voor bij vaste relaties, bescherming dat voorplanting niet in gedrang komt. Gevoelens van jaloezie zorgt voor weghouden van andere potentiële partners.
  • Waarin verschillen de categorieën leren en cognitief van elkaar?
    • Leren: Leren door ervaringen op te doen. Meest efficiënte manier van leren wordt onderzocht en hoe het gedrag veranderd door oude/nieuwe ervaringen.         
    • Cognitief: Kennis en overtuiging van de persoon. Onderzocht wordt het geheugen en cognities (kennis die in het geheugen ligt opgeslagen en teruggehaald kan worden) die ten grondslag liggen aan gedrag. Verandering van kennis, kan gedrag veranderen.

  • Hoe kan je deze begrippen gebruiken om concept van jaloezie te begrijpen?
    • Leren: Jaloezie wordt doorgegeven door genen, door oude ervaringen. Wat in het verleden effectief was voor relatie behoud wordt doorgegeven, de rest niet.
    • Cognitief: Jaloezie wordt gevormd door gedachten/geloven in: andere man/vrouw zien als bedreiging, relatie zien als kwetsbaar. Als iemand daarin gelooft, ontstaat er jaloezie, anders niet. (Wie zich sterk voelt over zichzelf/relatie heeft geen reden tot jaloezie)
  • Waarin verschillen de categorieën sociaal en cultureel van elkaar?
    • Sociaal: Invloed van anderen (omgeving). Er wordt onderzocht wat de invloed van opvattingen en gedachten uit de omgeving is.
    • Cultureel: De cultuur waarin je opgroeit. Culturele verklaringen worden onderzocht. 
  • Hoe kan je deze begrippen gebruiken om concept van jaloezie te begrijpen?
    • Sociaal: Sociale druk. Wat is normaal, wat vinden anderen, hoe reageren anderen. Dit is allemaal van invloed op eigen reacties.
    • Cultureel: In sommige culturen staan mannen boven vrouwen. De ene cultuur straft vrouwen harder dan mannen voor vreemdgaan. In andere cultuur kan er een gevangenisstraf op staan, steniging, onterven etc. 
  • Wat vormt de categorie ontwikkeling?
    Leeftijdsgebonden ontwikkelingen. Iedere levensfase is verbonden met bepaalde kenmerken. Onderzocht wordt welke mentale processen en gedrag horen bij de verschillende fases
  • Hoe kan je catergorie ontwikkeling gebruiken om concept van jaloezie te begrijpen?
    Manier van reageren verschilt per leeftijd. Kleine kinderen zijn jaloers als moeder aandacht aan een ander kind geeft. Basisschoolkinderen gaan zich spiegelen aan anderen (zelfde geslacht). Op latere leeftijd komt er vooral jaloezie op relatiefront. Hoe hechter de relatie met ouders en vrienden was als kind, hoe grote de kans op stabiele relaties als volwassene, zonder jaloezie problemen.
  • Welke onderzoek specialiteiten zijn er buiten de bovenstaande 9 categorieën?
    • Sensorisch (zintuigen): onderzoek naar mogelijkheid van de basisprincipes (horen, zien, ruiken, voelen, aanraken)
    • Waarneming: Onderzoek naar hoe mensen waarnemen en hoe dit wordt geïnterpreteerd.
    •   Motivatie of emotie: Wat beweegt ons om de dingen te doen die we doen
    • Persoonlijkheid: Er wordt gekeken naar wat de persoonlijke gedragingen van iemand zijn (patronen, denkwijzen, emoties etc.)
    • Psychopathologie: Onderzocht wordt de afwijkingen van gedrag. Mentale en emotionele problemen (persoonlijkheidsstoornissen)
    • Klinische psychologie: Houdt zich bezig met het behandelen van psychische problematiek
  • Welke 3 hoofdgroepen van academische studies zijn er en hoe linkt psychologie deze aan elkaar? 
    • Natuurwetenschappen:  Natuurkunde, Scheikunde, Biologie
    • (Sociaal)Cultuurwetenschappen: Cultureel antropologie,  Sociologie, Economie, Politiek
    • Geesteswetenschappen: Humanistiek, Houden zich bezig met de ‘geestesproducten van de mens:  filosofie, talen, kunst en muziek

    Psychologie staat in het midden van alle wetenschappen. Bij psychologie wordt er gekeken naar alles wat een mens doet en waarom ze dat doen. Alle vakgebieden komen weer terug binnen de psychologie.
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Samenvatting - Class notes - inleiding in de psychologie

  • 1430431200 inleiding psychologie H1

  • Psychologie
    de wetenschap die gericht is op het bestuderen van de aard en de mogelijke oorzaken van gevoelens, opvattingen, de wensen en gedragingen van mensen.
  • Klinisch psycholoog
    houdt zich bezig met het diagnosticeren en behandelen van mensen met mentale- en gedragsproblemen
    Voorbeelden: relatieproblemen, depressie, angststoornissen, psychosen.
  • Ontwikkelingspsycholoog
    houdt zich bezig met de bestudering van lichamelijke en geestelijke ontwikkeling van mensen vanaf de geboorte tot en met de ouderom
    Gaat na welke ontwikkelingspatronen er zijn op verschillende gebieden zoals motorische ontwikkeling, taalontwikkeling, cognitieve ontwikkeling, intelectuele ontwikkeling en de morele ontwikkeling.
  • Sociaal psycholoog
    richt zich op de manier waarop de sociale omgeving van invloed is op het denken, voelen en handelen van mensen. Ze bestuderen mensen in groepeom na te kunnen gaan hoe groepsleden elkaar beinvloeden en welke samenwerkingspatronen er ontstaan. Ook bestuderen ze de manier waarop mensen elkaar waarnemen en beoordelenen hoe relaties zich tussen mensen ontwikkelen.
  • Arbeids- en organisatie psycholoog
    houdt zich bezig met het gedrag van mensen in organisaties en hoe dit gedrag wordt beinvloed door kenmerken van het werk en de werksituatie. Vergaren kennis op het gebied van leiderschap, personeelselectie, arbeidstevredenheid, inzet en motivatie, en kwaliteit om zo een optimale afstemming tussen mogelijkheden en wensen van de medewerkers en de inrichting van de organisatie
  • Test psycholoog
    richt zicht op het onderzoeken en beschrijven van de kenmerken, mogelijkheden en voorkeuren van mensen
    Voorbeelden: vast stellen van, intelligentie, persoonskenmerken, voorkeuren, mogelijkheden.
  • Functie(leer) psycholoog
    onderzoekt de psychologische functies van mensen zoals het denken, voelen, bewegen, waarnemen, leren, geheugen en aandacht. Het gaat om het vast stellen van de precieze werking van de functies en omstandigheden die daarop van invloed zijn.
  • Gezondheidspsycholoog
    onderzoekt de relaties tussen omstandigheden en gedragingen en geestelijke en lichamelijke gezondheid van mensen. Zijn op zoek naar ziekmakende of gezond houdende factoren.
  • Doelen van onderzoek
    • Beschrijven en daarmee classificeren (type persoon of categorie vaststellen).
    • Verklaren (waardoor)
    • Voorspellen door hypothese. Hypothese is een veronderstelling over de samenhang tussen bepaalde verschijnselen.
    • Effecten van ingrepen bepalen. Wat voor effect hebben bepaalde spotjes of stoornissen.
  • Methoden van onderzoek
    1. Observatie: door observatie schema’s te gebruiken kan er een duidelijk beeld gegeven worden van de gedragingen die mensen vertonen in uiteenlopende situaties. Er moet tijdens het observeren altijd rekening gehouden worden dat mensen niet hun natuurlijke gedrag vertonen doordat ze zich bekeken voelen. Soms wordt er gebruik gemaakt van een one-way screen, hierbij zit de observator achter glas die van buitenaf ondoorzichtig is.
    2. Interviewen: ondervraging van mensen door middel van open en gesloten vragen. Het gaat niet alleen om het meten van gedrag maar ook om wensen, opvattingen, voorkeuren, houdingen en gevoelens. Hierbij moet je rekening houden met sociaal wenselijke antwoorden, je moet objectief blijven en ervoor zorgen dat je geen subjectieve beoordeling geeft door, door te vragen en samen te vatten.
    3. Vragenlijsten: Bij grootschalig onderzoek wordt er gebruikt gemaakt van vragenlijsten omdat interviewen te tijdrovend is. Dit wordt veel toegepast door arbeids- en organisatie psychologen. Snelle manier om achter gedragingen, gevoelens, opvattingen, wensen, houdingen en voorkeuren te komen. Is wel afhankelijk van de eerlijkheid van de persoon en zijn/haar zelfkennis.
    4. Tests: d.m.v. test kunnen eigenschappen van mensen worden vastgesteld zoals IQ, vaardigheden etc. Tests worden vaak gebruikt om toekomstig succes in een opleiding of een beroep te kunnen voorspellen.
    5. Fysiologische metingen: hiermee worden zaken gemeten als hersengolven, activiteiten van diverse delen van de hersenen, de reactie op de huid op emoties, de overdracht van signaleen tussen zenuwen en de productie van verschillende hormonen.
    6. Documenten studie: hierbij wordt er gebruik gemaakt van geschreven bronnen over een persoon of situaties, bijvoorbeeld een oud dossier.
  • Triangulatie
    gebruik maken van verschillende onderzoeksmethode om een geval te onderzoeken
  • Opiniepeiling
    gaat om de vaststelling van meningen en voorkeuren door het gebruik van gesloten vragen ( interview of vragenlijst).
    Hoe groten de steekproef van mensen hoe betrouwbaarder de gegevens en dus hoe kleiner de foutenmarge.
  • Zelfrapportage
    wees altijd bedacht op sociaal wenselijke antwoorden. Zelfrapportage gaat meestal gepaard met een andere onderzoek vorm om een beter beeld te krijgen
  • Normaalverdeling
    een beeld wat is ontstaan door in der loop der jaren score uitslagen van tests te bestuderen. Het gemiddelde van die test zou ‘’normaal’’ zijn.
  • Normering
    vaststellen of een persoon hoger of lager scoort dan gemiddeld, af te lezen door de normaalverdeling.
  • Vormen van onderzoek
    • Gevalsstudie: een diepgaande bestudering van een persoon.
    • Survey-onderzoek: als grote aantallen personen ondervraagd worden met vragenlijsten, waarbij word nagegaan of er een samenhang is tussen bepaalde factoren.
      Correlatie: de sterkte van de samenhang tussen bepaalde factoren. (r)
    • Positieve samenhang, ene factor neemt toe de andere ook.
    • Negatieve samenhang, ene factor neemt toe de ander neemt af.
    • R = 1.00 is een perfecte positieve samenhang (rechte lijn)
    • R = 0.00 er is geen samenhang
    • Experiment: mensen of groepen worden in verschillende situaties geplaatst om te kunnen kijken of die situaties op elkaar van invloed zijn op gedragingen of opvattingen. Hierbij worden de condities zodanig opgesteld dat ze van elkaar verschillend zodat kan worden nagegaan of die verschillenden van invloed zijn. Daarbij moet het zo zijn opgesteld dat de kans klein is dat een gevonden verschil niet aan andere zaken kan worden toegeschreven.
  • Randomisering
    toewijzen van personen aan condities. Dit gebeurt op basis van kenmerken waarvan verondersteld kan worden dat ze eventueel van invloed zouden kunnen zijn op de resultaten van het onderzoek. Dit zorgt ervoor dat bijvoorbeeld de groepen die mee doen aan het onderzoek nagenoeg hetzelfde zijn qua kenmerken, IQ, etc.
  • Causaliteit
    een uitspraak over de oorzaak van gedrag is pas vast te stellen door een experiment
  • Oorzaken van gedrag
    • Biologische oorzaken: storingen/beschadigingen hersenen, hormoonproductie. Kan komen door erfelijkheid, ongeval of de zwangerschap.
    • Omgevingsoorzaken: Opvoeding, sociale omgeving, socialisatie en cultuur.
    Psychologische oorzaken: ervaringen die mensen opdoen en de manier waarop ze die beoordelen en verwerken. Hulpeloosheid, karakter
  • Socialisatie
    pogingen van de sociale omgeving om een persoon zo ver te krijgen dat hij de geldende oordelen, opvattingen en gedragingen overneemt.
  • Nature-Nurture debat
    discussie over de mate waarin opvoeding (nurture) van invloed is op de ontwikkeling van het individu, of juist de mate waarin biologische kenmerken (nature) bepalend zijn
  • Nature
    hoe mensen zich ontwikkelen is grotendeels afhankelijk van erfelijk/biologisch bepaalde kenmerken.
  • Nurture
    hoe mensen zich ontwikkelen word grotendeels bepaald door de omgeving waarin ze leven en de opvoeding die ze krijgen
  • Interactionistisch standpunt
    hoe iemand zich ontwikkeld is niet alleen een kwestie van genetische- en omgevingskenmerken, maar ook de manier waarop het individu daar op een eigen manier mee om gaat.
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.