Samenvatting Class notes - Nederlands

204 Flashcards en notities
0 Studenten
  • Deze samenvatting

  • +380.000 andere samenvattingen

  • Een unieke studietool

  • Een oefentool voor deze samenvatting

  • Studiecoaching met filmpjes

Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.

PREMIUM samenvattingen zijn gecontroleerd op kwaliteit en speciaal geselecteerd om je leerdoelen nog sneller te kunnen bereiken!

Samenvatting - Class notes - Nederlands

  • 1448146800 Woordsoorten

  • Staat meestal vóór een zelfstandig naamwoord.
    Lidwoord (lw).
  • Gebruik je meestal voor mensen, dieren, planten, dingen en (eigen)namen.
    Zelfstandig naamwoord (znw).
  • Geeft een eigenschap of kenmerk van een zelfstandig naamwoord aan en staat er meestal direct achter. Als er een koppelwerkwoord in de zin voorkomt, kan het ook achter of voor het koppelwerkwoord staan.
    Bijvoeglijk naamwoord (bnw).
  • Geeft de handeling in de zin aan. Er staat altijd maar één van in de zin.
    Zelfstandig werkwoord (zww).
  • Geeft geen handeling in een zin aan, maar koppelt het onderwerp van een zin aan het deel waarin een bijvoeglijk en/of zelfstandig naamwoord staat.
    Koppelwerkwoord (kww).
  • Geeft geen handeling aan. Er moeten minstens twee werkwoordsvormen in de zin staan, om het in die zin aan te treffen.
    Hulpwerkwoord (hww).
  • Kun je meestal invullen voor een lidwoord bij een zelfstandig naamwoord, bijvoorbeeld: '... het kooitje'. Het is altijd het eerste woord van zo'n groep woorden.
    Voorzetsel (vz.).
  • Kan iets van een werkwoord of een bijvoeglijk naamwoord zeggen. Het geeft een plaats of tijd aan. Het zijn bijvoorbeeld: waar, wanneer, waarom, waardoor, waarmee, hoe, wel, toch, ook, nog, immers, nauwelijks, etc..
    Bijwoord (bw.).
  • Verwijst naar een persoon, een groep personen, voorwerpen of onzichtbare zaken.
    Persoonlijk voornaamwoord (pers. vnw.).
  • Geeft een bezit aan. Het kan zelfstandig of bijvoeglijk in de zin voorkomen. Bij zelfstandig gebruik staat er een lidwoord voor.
    Bezittelijk voornaamwoord (bez. vnw.).
  • Komt alleen voor in combinatie met een wederkerend werkwoord. Het zijn o.a.: zich aanpassen, zich verzetten, zich vergissen.
    Wederkerend voornaamwoord (wederkerend vnw.).
  • Is elkaar. Het verwijst naar meer personen.
    Wederkerig voornaamwoord (wederkerig vnw.).
  • Het zijn: wie, wat, welke en wat voor (een).
    Vragend voornaamwoord (vr. vnw.).
  • Het wijst iets of iemand aan. Het zijn: deze, dit, die en dat. Het kan in plaats van een lidwoord vóór een zelfstandig naamwoord staan. Het verwijst dan naar het zelfstandig naamwoord.
    Aanwijzend voornaamwoord (aanw. vnw.).
  • Verwijst terug naar een woord of een woordgroepje dat er vlak voor staat (antecedent). Het zijn: die, dat, wie en wat. Soms staat er geen antecedent in de zin. Je kunt wie en wat dan vervangen door degene die en dat wat. Je noemt wie en wat dan het antwoord met ingesloten antecedent (m.i.a.).
    Betrekkelijk voornaamwoord (betr. vnw.), dus betrekkelijk voornaamwoord met ingesloten antecedent.
  • Verwijst vaag naar iets of iemand. Je kent geen bijzonderheden van dit ding of persoon. Het zijn o.a.: iets, niets, iemand, niemand, alles, men, wat (=iets), elke, ieder(een).
    Onbepaald voornaamwoord (onb. vnw.).
  • Geeft een hoeveelheid aan. Er zijn verschillende soorten. Noem ook deze soorten.
    Telwoord (telw.):
    - bepaald hoofdtelwoord (b.htelw.)
    - onbepaald hoofdtelwoord (onb.htelw.)
    - bepaald rangtelwoord (b.rtelw.)
    - onbepaald rangtelwoord (onb.rtelw.)
  • Verbindt woorden, woordgroepen of zinnen met elkaar. Er zijn twee soorten. Noem ook deze soorten.
    Voegwoord (vw.):
    - nevenschikkend voegwoord (nevensch. vw.)
    - onderschikkend voegwoord (ondersch. vw.)
  • Bestaat uit twee delen. Het eerste deel wordt meestal gevormd door de bijwoorden er, hier, waar, daar. Het tweede deel is een voorzetsel. De delen hiervan kunnen gescheiden in de zin voorkomen. Ze kunnen geen betrekking op personen hebben.
    Voornaamwoordelijk bijwoord (vnw. bw.).
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Voorbeelden van vragen in deze samenvatting

Staat meestal vóór een zelfstandig naamwoord.
1
Gebruik je meestal voor mensen, dieren, planten, dingen en (eigen)namen.
1
Geeft een eigenschap of kenmerk van een zelfstandig naamwoord aan en staat er meestal direct achter. Als er een koppelwerkwoord in de zin voorkomt, kan het ook achter of voor het koppelwerkwoord staan.
1
Geeft de handeling in de zin aan. Er staat altijd maar één van in de zin.
1
Pagina 1 van 50