Samenvatting Class notes - pediatrische neuropsychologie

Vak
- pediatrische neuropsychologie
- Luman
- 2021 - 2022
- Vrije Universiteit Amsterdam
- Psychologie
306 Flashcards en notities
2 Studenten
  • Deze samenvatting

  • +380.000 andere samenvattingen

  • Een unieke studietool

  • Een oefentool voor deze samenvatting

  • Studiecoaching met filmpjes

Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.

Samenvatting - Class notes - pediatrische neuropsychologie

  • 1615158000 cerebrale ontwikkeling 1

  • Wat is er veranderd in de visie op het brein
    - modulaire (gelokaliseerd) --> connectionistisch
    - complexe vaardigheden worden gemedieerd door complexe neurale netwerken 
    - morfologie (structuur brein) en connectiviteit zijn van belang!
  • Wat houdt interactieve specialisatie in
    Rijping van neurale netwerken
  • Equipotentieel --> aangeboren specialisatie
    Gebieden zijn verantwoordelijk voor meerdere functies (plasticiteit) --> lateralisatie (meer specifiek)
  • Gewicht van het brein
    - 20 weken: 100 gram
    - geboorte: 400 gram 
    - vroege volwassenheid: 1300 - 1500 gram
  • Wat is waar over de ontwikkeling van het brein premature vs mature
    Het brein is al heel erg ontwikkeld voor de geboorte
  • Het brein bestaat uit:
    - 86 miljard neuronen
    - maken verbindingen met synapsen (10.000)
    - communiceren via actiepotentialen
  • Functie van gliacellen
    - witte stof aanmaak
    - voeding
    - herstel bij schade 

    er zijn wel 10x meer gliacellen in het brein dan neuronen
  • Witte stof bestaat uit
    Axonen en myeline. Gaat om verbindingen
  • Grijze stof bestaat uit
    Cellichamen. Gaat vooral om specifieke brein functies/gebieden
  • Soorten gliacellen en hun functie
    1. Oligodendrocyten: myeline aanmaak
    2. astrocyten: bloedbrein barriere, voeding en herstel
    3. microglia: ruimen dode cellen op (immuunsysteem)
  • Verschil prenatale en postnatale brein ontwikkeling
    • Prenataal: morfologie (brein structuur). Genetisch bepaald, neurogenese (aanmaak van de neuronen). Neurogenese
    • postnataal: connecties functionele rijping, grotere invloed van omgeving en ervaring. Nog synaptogenese en myelinisatie. Geen neurogenese (neuron aanmaak)
  • Wat is waar over synaptogenese
    - Heel veel synapsen tot 2 jaar, daarna sterke afname
    - het is gevoelig voor invloeden vanuit de omgeving
  • Verschil witte en grijze stof
    Witte stof: blijft toenemen 
    grijze stof: rise and fall patroon
  • Wanneer is het kind het meest gevoelig voor teratogenen
    Embryonale fase (3 weken tot 8 weken)
  • Wat is arborisatie?
    Het groeien van dendrieten en axonen
    axonen blijven toenemen, denrieten niet. 

    Dendrieten zijn gevoelig voor teratogenen
  • 2 manieren van de rijping van het brein
    1. Gefaseerde groei: lineaire ontwikkeling, blijven toenemen (witte stof bijvoorbeeld)

    2. Rise and fall: initiële overproductie en dan eliminatie (synapsen bijvoorbeeld)
  • Ontwikkeling van het brein postnataal:
    1. Hersen volume/activiteit: meisjes (11 jaar piek) jongens (16 jaar). (oorzaak = grijze stof & synapsen) ''rise and fall''

    2. Grijze stof: meisjes eerder piek dan jongens (rise and fall vanaf 10 jarige leeftijd)
  • volgorde van brein ontwikkeling
    1. Occipitaal kwab (als allereerst)
    2. Frontale kwab
    3. Sensomotorische cortex
    4. Pariëtaal en temporele
    5. PRE-frontale cortex
  • Oorzaken aangeboren hersenafwijking
    - 25% genetisch bepaald
    - 3%-5% = teratogenen 
    - 70% = genetische kwetsbaarheid + omgeving
  • Fases in de zwangerschap
    - week 1 en 2: zygote fase
    - week 3 - 8: embryonale fase (hart, ledematen, oren, tanden, genitale)
    - week 9 - 39: foetale fase (CZS ontwikkeld door)
  • Wat zijn prenitale (congenitale) factoren op de brein ontwikeling
    Intra-uterien trauma (infecties, ongeval, drugs)

    maternale factoren (leeftijd, stress, voeding, SES)
  • Wat zijn peri/postnatale factoren op de brein ontwikkeling
    - geboortecomplicaties
    - cerebrale infecties
    - NAH
  • Proces van neurulatie (Week 3 en 4)
    Ectoderm: een neurale plaat gaat zich vouwen en sluiten (neurale buis) die gaat in allerlei richtingen groeien. Bij 3 weken heb je een inimini breintje.

    neurale plaat --> neurale buis --> hersenen
  • Hiërarchische ontwikkeling brein (week 4 en 5)
    - telencephalon: limbische systeem (amygdala, hippocampus, Cingulate corte), basale ganliga (als laatste: neocortex)

    - diencephalon: thalamus, hypothalamus

    - mesencephalon: tectum en tegementum

    - methencephalon: cerebellum en pons

    - myelencephalon: hersenstam (als eerste: hersenstam)
  • Problemen sluiting neurale buis
    1. Anencefalie: geen hersenen (Ernstig)
    2. meningocefalie: open ruggetje
    3. holoprosencefalie: geen onderscheid LH en RH


    --> voorkomen: slikken foliumzuur ver voor de zwangerschap
  • Neurogenese (Week 6 - 18)
    - aanmaak neuronenen 

    problemen
    • micro-encefalie: klein brein (minder neuronen)
    • foetaal alcohol syndroom
    • hemi-megalencefalie: te veel neuronen
    • hydro-encefalie, prencefalie
  • Bij 17 weken: gaan neuronen migreren naar verschillende hersenstructuren. Dit kan op 2 manieren
    1. Passieve migratie: subcorticale gebieden 
    2. Actieve migratie: thalamus, hippocampus en hersenstam (cellen reizen naar boven --> bijv. Naar de cortex)
  • rond 20 weken vind plaats
    Synaptogenese, myelenisatie, dendrieten en axonenen.
  • Afwijkingen ten gevolge van (passieve/actieve) migratie
    1. Dubbele cortex: foutieve migratie neuronen (niet naar de goede plek)
    2. pachyri: verdikte gyri 
    3. achyrie: te dunne gyri
    4. polymicrogyrie: heel groot aantal kleine gyri's
    5. schizenfalie: splitsing van 1 hersenhelft in 2en
    6. aganaeie van corpus callosum: geen corpus callosum
  • Geprogrammeerde celdood is
    Het stopzetten van het neuron-aanmak proces. Dit moet gebeuren om het brein zo efficiënt mogelijk te laten werken
  • Wat is waar over myelinisatie
    - blijft zich ontwikkelen 
    - kan verstoord worden door teretogenen (meest gevoelig in de eerste 8 maanden)
  • Ontwikkeling witte stof
    • Sensorisch dan motorisch
    • primaire dan associatie
    • posterieure dan anterieure
    • laatste: temporaal, pariëtaal
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Laatst toegevoegde flashcards

Soorten gliacellen en hun functie
  1. Oligodendrocyten: myeline aanmaak
  2. astrocyten: bloedbrein barriere, voeding en herstel
  3. microglia: ruimen dode cellen op (immuunsysteem)
Waar is de basale ganglia belangrijk voor
  1. Motorbewegingen
De substantia nigra is belangrijk voor
Het initiëren van bewegingen
Het limbische systeem bestaat uit
  1. Amygdala
  2. CC
  3. Hippocampus
Behandelingen en revalidatie bij CVI
  1. ICT oplossingen (licht, vergroting, interspacing)
  2. oplossingen meetal compenserend van aard
  3. traininsstrategie toepassing
  4. psycho-educatie
  5. cluster 1 onderwijs/AOB 
Wat zijn de beperkingen in onderzoek naar CVI?
  1. Testmateriaal niet altijd valide
  2. hoge frequentie, lage ernst
  3. relatie functiestoornissen en beperkingen in activiteiten
  4. differentiaal diagnostiek (ADH, ASS, DCD)
  5. behandeling
Diagnose CVI en de leeftijd van de kinderen:
  1. Onder de 5 jaar: observatie 
  2. schoolgaande kinderen: formeel onderzoek
  3. herindicatie onderzoek: cluster 1 
  4. NP: toename mogelijkheden vanaf ongeveer 5 jaar
Het beloop van een diagnose CVI
  1. Vroeg ontstaan, blijvend
  2. voorbijgaande aard
    1. vertraagde visuele ontwikkeling
    2. 'restverschijnsel': leerproblemen 
  3. later in de kinderleeftijd ontstaan
    1. als gevolg van tumor of NAH bijvoorbeeld
  4. let op: enkelvoudige CVI lijkt relatief zeldzaam: vaak 'marker' of onderdeel van andere problematiek
Diagnostiek bij CVI (ICF model WHO). Bij een diagnose CVI gaan we uit van 3 factoren:
  1. Aandoeningen hersenen
  2. stoornis(sen) in visuele functies
  3. (uitingen in beperkingen in het dagelijks leven)
Neuropsychologisch onderzoek bij CVI (screenend vd diagnostisch), hoe ziet het diagnostisch onderzoek eruit:
  • Visuele perceptie (DVTP)
  • NPO: stoornissen in visuele herkenning, etc
  • onderzoek visuele aandacht, selectieve aandacht, visueel-ruimtelijk, etc.
  • kijk naar: discrepantie binnen het neurocognitieve profiel ten nadele van visuele verwerkingsfuncties zoals aandacht.
  • testprestaties vergelijken met ontwikkelingsniveau