Samenvatting Class notes - Persoonlijkheidsleer en onderzoek

Vak
- Persoonlijkheidsleer en onderzoek
- Vrije Universiteit Amsterdam
- Pedagogische Wetenschappen
499 Flashcards en notities
4 Studenten
  • Deze samenvatting

  • +380.000 andere samenvattingen

  • Een unieke studietool

  • Een oefentool voor deze samenvatting

  • Studiecoaching met filmpjes

Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.

Samenvatting - Class notes - Persoonlijkheidsleer en onderzoek

  • 1587160801 Hoorcollege 1.1

  • Wat houdt de Twenty Statements test in, een test die wordt gebruikt in de persoonlijkheidpsychologie?
    De twenty statements test is een test waarbij een participant 20 keer de vraag ''ik ben..'' aanvult met eigenschappen die op hem of haar van toepassing zijn. Het is een open vragenlijst om te achterhalen hoe mensen over zichzelf denken
  • ''Wat onderzoeken persoonlijkheidspsychologen?''. Persoonlijkheidspsychologen doen onderzoek op 3 niveau's. Noem deze 3 niveau's en leg uit wat deze niveau's betekenen
    1) De menselijke natuur: mate waarin alle mensen gelijk zijn aan alle anderen. VB: taalvaardigheden: ieder mens wordt hiermee geboren en maakt het mogelijk om taal te leren. Dieren hebben ook een sterke persoonlijkheid. 

    2) Verschillen tussen individuen en groepen: mate waarin mensen gelijk zijn of verschillen met sommige anderen (=groepen)

    3) Individuele uniciteit: mate waarin mensen niet gelijk zijn met anderen
  • De drie niveau's die persoonlijkheidspsychologen onderzoeken (de menselijke natuur, verschillen individuen/groepen en individuele uniciteit) kunnen aan de hand van twee verschillende methodes worden beoordeeld
    1) De idiografische methode: zoeken naar beschrijving van een individueel persoon. Idiografisch onderzoek wordt vaak gedaan aan de hand van een casestudie of een psychologische biografie van een enkele persoon. 




    2) De nomothethische methode:  zoeken naar wetmatigheden van persoonlijkheid. Nomothetisch onderzoek wordt doorgaans toegepast om universele menselijke kenmerken te identificeren aan de hand van statistische vergelijkingen tussen individuen of groepen (wetenschappelijk onderzoek)
  • De drie niveau's die persoonlijkheidspsychologen onderzoeken hebben twee tradities (nomothethisch en idiografisch) en deze hebben ook twee uitgangspunten. Noem deze twee uitgangspunten en leg uit
    1) Entiteit(stheorie) persoonlijkheid staat vast en is onveranderbaar (nature beliefs)

    2) Incrementeel theorie: persoonlijke eigenschappen veranderen over de tijd van hun leven (nurture beliefs)
  • Persoonlijkheid gaat over individuele verschillen tussen mensen op een bepaalde eigenschap. Je hebt twee soorten individuele verschillen. Beschrijf deze:




    Fysieke = verschillen die je min of meer gegeven zijn, zoals: lengte, aantrekkelijkheid.
    Psychologische = twee soorten psychologische individuele verschillen: 1) intellectueel psychologische verschillen zoals intelligentie, kennis en vaardigheden. 2) niet-intellectuele psychologische individuele verschillen zoals gedragingen en gedachten. Deze kunnen kortstondig zijn of langdurig (zoals de persoonlijkheid). 
  • Wat is de betekenis van persoonlijkheid?
    Persoonlijkheid = verzameling trekken en mechanismen binnen het individu; deze zijn georganiseerd en relatief constant en beïnvloeden iemands interacties met, en aanpassingen aan, de binnen psychische fysieke en sociale omgeving
  • In de persoonlijkheidspsychologie hebben we een persoonlijkheidstrekken hierarchie. Noem de 4 onderdelen die in de persoonlijkheidstrekken hiërarchie staan:
    1) Domein/factor (conscientieusheid)
    2) Facetten (ijver en orderlijkheid)
    3) Context facetten (ij op school+werk en o op school/werk)
    4) Gedragingen binnen die context (ij-s en ij-w gedrag en o-s en o-w gedrag)
  • Walter Mischel deed onderzoek naar persoonlijkheid bij studenten door te onderzoeken naar cross-situationele consistentie van consientieusheid. Wat was zijn bevinding?
    Volgens Mischel bestaat persoonlijkheid niet of nauwelijks. Hij stelt dat er een zwak verband is tussen het gedrag van een persoon in een situatie en het gedrag van een persoon in een andere situatie.
  • Aan de hand van persoon-omgeving interactie kunnen karakteristieken worden vastgesteld. De interactie met de omgeving (persoon-omgevingsinteractie) is zeer complex en bestaat uit 4 onderdelen. Noem deze 4 onderdelen:
    - Perceptie: hoe iemand zijn omgeving ziet en interpreteert = wordt beinvloed door persoonlijkheid

    - Selectie: hoe iemand zijn eigen omgeving kiest = reflectie persoonlijkheid

    - Evocaties: de reactie die iemand, vaak onbewust, in andere mensen oproept.

    - Manipulaties: bewuste beinvloeding van anderen
  • Er zijn vijf standaarden van het evalueren van een persoonlijkheidstheorie, namelijk comprehensiviteit, heuristische waarde, testbaarheid, parcinomie en comptabiliteit en integreatie tussen domeinen en niveau's. Leg uit wat deze inhouden
    - Volledigheid/comprehensiviteit = alle feiten en observaties binnen een domein moeten genoemd worden.
    - Heuristische waarde = zorgt de theorie voor een goede leidraad voor nieuwe onderzoeken?
    - Testbaarheid = maakt nauwkeurige voorspellingen zodat persoonlijkheidspsychologen ze empirisch kunnen testen
    -Parcimonie = bevat de theorie weinig premissen en veronderstellingen?
    - Comptabiliteit en integratie van alle domeinen en niveau's  = een een goede theorie schendt geen erkende feiten uit andere domeinen
  • Welk onderdeel van de persoon-omgevingsinteractie kon de test van Rorsach test het best onderzoeken?
    Percepties
  • Er zijn drie niveau's van persoonlijkheidsonderzoek, waaronder ''verschillen tussen individuen en groepen''. Differentiele psychologie valt hier dus ook onder. Leg uit wat dit inhoudt en beschrijf tevens wat groepsverschillen eigenlijk inhouden
    Differentiële psychologie = de studie van individuele verschillen tussen mensen (IQ,  vaardigheden etc). Een individueel karakter (het uiteindelijke product) kan bepaald worden met maar een paar karaktertrekken (net als een kleur bepaald wordt door de primaire kleuren).
    Groepsverschillen = verschillende culturen, sekseverschillen, verschillende leeftijds- groepen, verschillende politieke partijen en mensen met verschillende sociaal-economische achtergronden.
  • Als we het hebben over persoonlijkheid, dan hebben we het over... (vul 4x aan)
    - Algemene
    - Langdurige
    - Niet intellectuele
    - Psychologische verschillen
  • Persoonlijkheid wordt als volgt beschreven: ''de verzameling van psychologische karaktertrekken en mechanismen binnen het individu; deze zijn georganiseerd en relatief constant en beïnvloeden iemands interacties met, en aanpassing aan de binnenpsychische, fysieke en sociale omgevingen''. Wat wordt bedoelt met de de verzameling psychologische karaktertrekken? Noem tevens 3 redenen waarom psychologische eigenschappen nuttig zijn
    = karaktertrekken, die beschrijven hoe uniek, verschillend of gelijk mensen zijn met elkaar

    Psychologie eigenschappen zijn nuttig, omdat..
    - Karaktertrekken helpen om mensen te beschrijven;
    - Karaktertrekken zijn nuttig omdat ze helpen bij het verklaren van gedrag;
    - Karaktertrekken zijn nuttig omdat ze toekomstig gedrag kunnen helpen voorspellen.
    .
  • Persoonlijkheid wordt als volgt beschreven: ''de verzameling van psychologische karaktertrekken en mechanismen binnen het individu; deze zijn georganiseerd en relatief constant en beïnvloeden iemands interacties met, en aanpassing aan de binnenpsychische, fysieke en sociale omgevingen''. Wat wordt bedoelt met de de psychologiche mechanismen? De meeste psychologische mechanismen bestaan uit drie kenmerken, welke zijn dit en wat houdt het in?
    = vergelijkbaar met karaktertrekken, maar mechanismen verwijzen meer naar processen van persoonlijkheid.

    De meeste psychologische mechanismen bestaan uit drie kernelementen:
    - Input = bepaalde informatiebronnen uit de omgeving waar mensen gevoeliger voor zijn;
    - Beslisregels = op basis van bepaalde input (de omgeving) ontstaat er een ‘als dan...’ mechanisme, wat doe ik als... Beslisregels zorgen dus voor een bepaalde uitkomst. Je hebt bepaalde gevoelens, gedachten en gedragingen (3 G’s van de psychologie) bij een omgeving, deze worden vertaald in beslisregels. Dus beslisregels helpen mensen nadenken over opties.
    - Output = gedrag sturen naar bepaalde categorieën van actie.
  • Persoonlijkheid wordt als volgt beschreven: ''de verzameling van psychologische karaktertrekken en mechanismen binnen het individu; deze zijn georganiseerd en relatief constant en beïnvloeden iemands interacties met, en aanpassing aan de binnenpsychische, fysieke en sociale omgevingen''. We weten dat bij ''binnen het individu'' gaat om belangrijke bronnen van persoonlijkheid die zich bevinden in het individu en daarom stabiel zijn en consistent in situaties. Maar wat wordt er bedoelt met georganiseerd en relatief constant?




    = Persoonlijkheden zijn georganiseerd in de zin dat ze beslissingsregels bevatten die bepalen welke behoeften worden geactiveerd, afhankelijk van de omstandigheden. Constant betekent dat de psychologische karaktertrekken over het algemeen consistent zijn in de tijd en in situaties, vooral op volwassen leeftijd. 
  • Wat kunnen we zeggen over karaktertrekken en wetenschappelijk onderzoek? Beschrijf twee dingen:
    - Karaktertrekken hebben hoge test-hertest correlaties. De latente trek blijft hetzelfde over de tijd, maar het gedrag kan veranderen met de leeftijd.
    - De correlaties van karaktertrekken in verschillende situaties zijn redelijk laag. De gedragsveranderingen komen niet door karaktertrekken, maar door de verschillende situaties: situationisme. 
  • Er zijn meerdere bronnen van persoonlijkheidsgegevens, zoals Self-report data (S-Data), Observer-report data (O-Data), Test data (T-Data) en Life-outcome data (L-Data). Wat houdt Self-report data (S-Data) in? Beschrijf tevens een voordeel en een nadeel én welke vormen er zijn.
    Self-report data (S-Data) = hierbij onthult een persoon informatie over zichzelf.



    Voordeel vs nadeel:
    - Voordeel: individuen hebben toegang tot heel veel informatie over zichzelf die voor niemand anders bereikbaar is.
    - Nadeel: de persoon in kwestie heeft een accuraat (=nauwkeurig) beeld over zichzelf, waardoor de data onjuist kan zijn en er kan sprake zijn van sociale wenselijkheid.

    Vormen van self-report data onderzoek:
    - Vragenlijst, interview of periodieke rapporten van een persoon om de gebeurtenissen op te nemen terwijl ze plaatsvinden.
    Ongestructureerd = open einde, zoals ‘Vertel me over de feesten die je het leukst vindt’.
    Gestructureerde = ‘Ik hou van luide en overvolle feesten’, antwoord met waar of niet waar.
  • Er zijn meerdere bronnen van persoonlijkheidsgegevens, zoals Self-report data (S-Data), Observer-report data (O-Data), Test data (T-Data) en Life-outcome data (L-Data). Wat houdt Observer-report data (O-Data) in? Welke twee keuzes moet je hierbij maken? En wat is een voordeel?




    Observer-report Data (O-Data) = is data over de persoonlijkheid van een persoon die verzameld is door bronnen van buitenaf (leraren, ouders, vrienden of kennissen).

    Je moet hierbij twee keuzes maken:
    1: professionele of bekende gebruiken als oberservatoren
    2: in een naturalistische omgeving of een artificiële omgeving.


    Voordelen: waarnemers hebben mogelijk toegang tot informatie die niet via andere bronnen kan worden verkregen en er kunnen meerdere waarnemers worden gebruikt om elk individu te beoordelen. Meestal kan een meer valide en betrouwbare beoordeling van persoonlijkheid worden bereikt wanneer meerdere waarnemers worden gebruikt.
  • Er zijn meerdere bronnen van persoonlijkheidsgegevens, waaronder Observer-report data (O-Data). Er zijn hierbij twee strategieen om observatoren te selecteren. Beschrijf deze twee en beschrijf tevens een voor- en nadeel van één van de strategieen:
    - Professionele persoonlijkheids observatoren gebruiken die de deelnemer niet kennen.
    - De andere strategie is om individuen te gebruiken die de te onderzoeken individu wel kennen. Voordeel: ‘bekende’ waarnemers zijn beter in staat om het natuurlijke gedrag van de te observeren persoon te observeren. Nadeel: omdat de ‘bekende’ waarnemers relaties hebben met het te onderzoeken individu, kunnen ze op bepaalde manieren bevooroordeeld zijn. Bijvoorbeeld de negatieve eigenschappen over het hoofd zien en de positieve eigenschappen benadrukken.
  • Er zijn meerdere bronnen van persoonlijkheidsgegevens, waaronder Observer-report data (O-Data). Er zijn hierbij twee strategieen om observatoren te selecteren, namelijk professionele persoonlijkheidsobservatoren en personen die het individu kennne. Persoonlijkheidsonderzoekers moeten ook bepalen of de waarneming plaatsvindt in een natuurlijke of artificiele omgeving. Beschrijf wat het verschil is en wat het voor- en nadeel is van elke vorm.




    Natuurlijke observatie = waarnemers observeren gebeurtenissen die zich voordoen in de normale levensloop van hun deelnemers en registreren deze.
    - Voordeel: er is informatie te zien in de realistische context van iemands dagelijks leven.
    - Nadeel: kunnen onderzoekers de gebeurtenissen die worden waargenomen niet controleren.


    Artificiële observatie = geconstrueerde omgevingen, bijvoorbeeld in een laboratorium.
    - Voordeel: omstandigheden kunnen worden gecontroleerd door de onderzoeker, waardoor het relevante gedrag opgeroepen kan worden.
    - Nadeel: het gedrag is wellicht anders dan in het dagelijks leven.
  • Er zijn meerdere bronnen van persoonlijkheidsgegevens, zoals Self-report data (S-Data), Observer-report data (O-Data), Test data (T-Data) en Life-outcome data (L-Data). Wat houdt Test-data (T-Data) in en waar is het voor bedoeld? Wat is een voordeel en een nadeel?




    Test data (T-Data) = informatie wordt verzameld door deelnemers in een gestandaardiseerde test-situatie te plaatsen om te zien of verschillende mensen verschillend reageren of zich anders gedragen in identieke situaties. De situatie is bedoeld om gedragingen op te roepen die dienen als indicatoren voor persoonlijkheidsvariabelen.


    - Voordelen: procedures kunnen worden ontworpen om gedrag uit te lokken dat in het dagelijks leven moeilijk waar te nemen is. Daarnaast kunnen onderzoekers de context beheersen en externe invloeden elimineren. De onderzoekers kunnen ook specifieke hypothesen testen door controle uit te oefenen op de variabelen waarvan wordt aangenomen dat deze invloed hebben.
    - Nadelen: deelnemers kunnen proberen te raden welke eigenschap wordt gemeten en vervolgens hun reacties hieraan aanpassen. Een tweede is de moeilijkheid om te verifiëren of de deelnemers de testsituatie op dezelfde manier interpreteren als de onderzoeker. En een derde is dat de onderzoeker onbedoeld kan beïnvloeden hoe de deelnemers zich gedragen. 
  • Er zijn meerdere bronnen van persoonlijkheidsgegevens, zoals Self-report data (S-Data), Observer-report data (O-Data), Test data (T-Data) en Life-outcome data (L-Data). Wat houdt Life-outcome data (L-Data) in en wat is een voorbeeld? Noem tevens 1 nadeel en een ander kenmerk




    Life-outcome data (L-Data) = informatie die is verworven van gebeurtenissen en activiteiten. Bijvoorbeeld: trouwerijen en echtscheidingen. Men moet er rekening mee houden dat uitkomsten kunnen worden veroorzaakt bijvoorbeeld geslacht, ras en SES.
    - Persoonlijkheids psychologen gebruiken vaak S-data en O-data om L-data te verzamelen.
    - Nadeel: het kost veel geld. 
  • Er zijn twee brede kwesties in persoonlijkheidsbeoordeling van L-data, namelijk 1) het gebruik van twee of meer gegevensbronnen binnen 1 persoonlijkheidsonderzoek en 2) de feilbaarheid van de persoonlijkheidsmeting en hoe het gebruik van meerdere gegevensbronnen een aantal problemen kan corrigeren die verband houden met gegevensbronnen. Een krachtige strategie van persoonlijkheidsbeoordeling is triangulatie, wat houdt dit in?
    - Onderzoeken van resultaten die de databronnen overtreffen. 
    VB: als een bepaald effect wordt gevonden, zal het effect dan optreden wanneer het wordt gemeten met zowel rapportage als waarnemingsmeldingen? Als dezelfde resultaten worden gevonden met twee of meer gegevensbronnen, dan zullen onderzoekers meer vertrouwen hebben in de geloofwaardigheid van die bevindingen
  • Er zijn drie verschillende methoden om test data te verzamelen. Het gaat hierbij om mechanisme opnameapparaten, het gebruik van fysiologische gegevens en projectieve technieken. Wat zijn de voordelen en nadelen?




    - Mechanische opnameapparaten = het belangrijkste voordeel is dat ze een mechanische  manier bieden om de persoonlijkheid te beoordelen, een die niet wordt belemmerd door de vooroordelen die kunnen ontstaan wanneer er een menselijke waarnemer bij betrokken is. Een tweede voordeel is dat resultaten kunnen worden verkregen in natuurlijke omgevingen. Het belangrijkste nadeel is dat relatief weinig persoonlijkheidskenmerken zich gemakkelijk laten beoordelen door mechanische opnameapparaten.
    - Fysiologische gegevens = het belangrijkste voordeel is dat het voor deelnemers moeilijk is om reacties te vervalsen. Een nadeel is dat opname doorgaans wordt beperkt door een relatief kunstmatige laboratoriumsituatie.
    - Projectieve technieken = psychologen die voorstander zijn van projectieve maatregelen, zijn ervan overtuigd dat ze nuttig zijn om te komen tot wensen, verlangens, fantasieën en conflicten waar de deelnemers zelf niet van op de hoogte zijn en die daarom niet door een vragenlijst gerapporteerd kunnen worden. Anderen psychologen zij kritisch of de validiteit en betrouwbaarheid van de interpretaties van de psycholoog van de reacties van de persoon als nauwkeurige metingen van persoonlijkheid kunnen worden beschouwd.
  • Er zijn drie basisonderzoeksontwerpen op het gebied van persoonlijkheidspsychologie: experimenteel; correlationeel en casestudy. Waar wordt experimenteel onderzoek voor gebruikt? En aan welke twee voorwaardes moet het voldoen? En op welke manier kan je aan die voorwaardes voldoen?




    Experimenteel onderzoek = wordt gebruikt om de causaliteit te bepalen, dat wil zeggen of een variabele een andere variabele beïnvloedt. Om dit te kunnen bepalen moet een experimenteel ontwerp aan twee voorwaarden voldoen:
    - Manipulatie van één of meer variabelen;
    - Ervoor zorgen dat deelnemers in elke experimentele conditie gelijkwaardig zijn aan elkaar op het begin van de studie.

    Dit kan op twee manieren:
    Random assignment = random mensen toewijzen aan een conditie, waardoor iedereen evenveel kans heeft om in een groep te komen. Als het experiment manipulatie tussen groepen heeft.
    Counter balancing = zorgt ervoor dat volgorde effecten weg worden gehaald. Bij sommige experimenten is manipulatie binnen elke afzonderlijke groep. Bijvoorbeeld: een conditie met een medicijn en een conditie met een placebo. In dit geval bevindt elke deelnemer zich in beide condities. 
  • Er zijn drie basisonderzoeksontwerpen op het gebied van persoonlijkheidspsychologie: experimenteel; correlationeel en casestudy.  Wat houdt correlationeel onderzoek in en wat zijn de twee redenen waarom correlaties nooit causaliteit kunnen bewijzen?




    Correlationeel onderzoek = om te bepalen of er een verband bestaat tussen variabelen. Correlatiecoëfficiënt = de meest gebruikelijke statistische procedure voor het meten van relaties tussen variabelen. Correlatiecoëfficiënten kunnen variëren van -1.00 (negatief) tot
    1.00 (positief) waarbij 0 geen correlatie betekend.
    Er zijn minstens twee redenen waarom correlaties nooit causaliteit kunnen bewijzen:
    - Richtingsprobleem = als A en B gecorreleerd zijn, weten we niet of A de oorzaak is van B of dat B de oorzaak is van A.
    - Probleem met derde variabele = twee variabelen kunnen gecorreleerd zijn omdat een derde, onbekende, variabele beide veroorzaakt.
  • Wat houdt de handelingsfrequentiebeandering in? Het gaat tevens over 3 belangrijke elementen: handelingsnominatie, prototypisch oordeel en registratie van handelingen. Licht dit toe
    = eigenschappen zijn categorieen van handelingen. Een dominant persoon is bijvoorbeeld iemand die een groter aantal dominante handelingen verricht ten opzichte van andere personen. 

    Bij de handelingsfrequentie benadering van eigenschappen gaat het om drie elementen:

    - Handelingsnominatie: bepaal welke handelingen in welke eigenschapscategorie thuishoren
    - Prototypisch model: bepalen welke handelingen het meest prototypisch zijn van elke eigenschapstheorie
    - Registratie van handelingen: het veiligstellen van informatie over feitelijke prestaties van personen in hun dagelijks leven
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Laatst toegevoegde flashcards

Er zijn twee benaderingen die heel veel nadruk leggen op waarde (op gebied van waarde-georienteerde benaderingen van cultuur), namelijk individualistische collectivisme en eer versus waardigheid culturen. Leg deze twee uit




- Individualisme-collectivisme = waarde die meer over hele culturen heen gelden. Een meer psychologische invulling = interdependentie versus independentie, het idee hierbij is dat je de waarde van de cultuur internaliseert en dat dat je zelfbeeld verandert (afhankelijk/onafhankelijk).

- Eer versus waardigheid culturen = gaat over culturele verschillen in morele waarden.
Leg het grootste verschil uit tussen mannen en vrouwen met betrekking tot interesses. Leg tevens twee punten uit die deze verschillen zouden kunnen verklaren
Interesse blijkt het allergrootste sekseverschil te zijn (effectgrootte 1). Het blijkt uit onderzoek dat vrouwen houden meer van dingen die te maken hebben met relaties, terwijl mannen houden meer van objecten. Het is dus object vs relationships.

Hoe kunnen we deze verschillen verklaren?
- Hormonen;
- Genderrollen.
Er zijn internationale verschillen in persoonlijkheid, zoals bij extraversie. Licht dit toe en leg de verschillen uit met betrekking tot 1) extraversie en korte termijn relaties en 2) pathogenen vermijding
= Er zijn verschillen tussen verschillende wereld regio’s, echter heel klein. Het grootste verschil is tussen Noord-Amerika en Afrika.
- Extraversie en korte termijn relaties = in landen waar vrouwen extraverter zijn blijkt dat ze meer open staan voor korte termijn relaties.
- Pathogenen vermijding = landen waarin mensen extraverter zijn dat er minder besmettelijke ziektes zijn geweest.
Leg het verschil uit tussen transport & test en lexicale replicatie onderzoek naar big 5 uit




- Transporteer & test = hierbij wordt de vragenlijst van de Big Five vertaalt en in verschillende landen/culturen getest —> steun voor Big Five in 50 landen;
- Lexicale replicaties = veel grondigere methode, hierbij wordt het hele woordenboek genomen van een nieuw taalgebied en dat daar een factoranalyse op wordt gedaan om te kijken of de Big Five wordt teruggevonden —> NL, Duits, Hongaars, Italiaans, Tsjechisch en Pools. 4 van de 5 factoren zijn repliceerbaar: extraversie, vriendelijkheid, zorgvuldigheid en emotionaliteit. 
Wat is het verschil tussen evoked cultuur en transmitted cultuur? Leg uit




Evoked cultuur = opgeroepen cultuur, dit betekend dat bepaalde omgevingsfactoren leiden tot een bepaalde cultuur. Bijvoorbeeld: omgevingsfactor klimaat. De omgeving beloont persoons eigenschappen in de ene regio meer dan in de andere.

Transmitted cultuur = doorgegeven, overgeleverde cultuur. De cultuur benadrukt ene persoonseigenschap meer dan andere eigenschappen. Dat betekent dat ideeën, normen, of waarden die bij minimaal bij één persoon origineel is wordt overgedragen naar andere personen, door observatie of interactie met deze persoon.
Wat is de overeenkomst met stereotypen met betrekking tot de persoonlijkheid?
= als we kijken naar culturen dan kloppen stereotypen vaak niet, maar bij genderstereotypen is het duidelijk zo dat we de gemiddelde tendens volgen tussen verschillen tussen mannen en vrouwen. Uit onderzoek blijkt dat waargenomen gender verschillen in 26 landen matchen sekse verschillen in persoonlijkheid.

Cross-cultureel = over culturen heen worden mannen gezien als meer instrumenteel en vrouwen als meer communaal (= gericht op de gemeenschap).
Wat houdt het standaard sociale wetenschapsmodel in? Noem 4 punten
Standaard sociale wetenschapmodel = het is een soort standaard manier voor alle sociale wetenschappen waarop ze naar mensen kijken:
- Mens geboren als onbeschreven blad;
- Cultuur programmeert gedrag;
- Culturen kunnen elke eigenschap in elke richting sturen —> volledig afhankelijk van cultuur;
- Biologie is onbelangrijk om menselijk gedrag te begrijpen.
Er zijn cultuurverschillen in beroepskeuze. Leg uit en beschrijf tevens hoe dit verklaard kan worden (3 punten).




Maar als we kijken naar het kiezen van beroepen dan gebeurd er iets opmerkelijks:
- Meer gender-gelijke landen hebben minder vrouwen in STEM disciplines dan minder gelijke
landen, dus vrouwen kiezen minder snel voor wiskundige vakken.

Verklaard door:
- Vrouwen bredere profielen —> eerder genoemde verschil, voorbeeld: als jongens goed zijn in wiskunde dan zijn ze waarschijnlijk slecht in taal dus kiezen ze automatisch voor een wiskundevak (ze hebben eigenlijk maar 1 pad). Vrouwen kunnen naast wiskunde ook goed zijn in taal (zij hebben dus eerder een keuze).
- Grotere gender kloof gepaard met hogere levenssatisfactie.
- STEM = Science, Technology, Engineering en Mathematics. 
Wat houdt culturele psychologie in? Noem tevens 4 kenmerken
Culturele psychologie = het hoofddoel van de culturele psychologie is niet om een lijst met gemene delers op te stellen. Het is een bepaalde manier van leven te begrijpen (vanaf 1990).
- Historische in plaats van biologische verklaringen -> overgeleverde cultuur;
- Focus ligt op ‘hogere’ zingeving —> zoals waarden, overtuigingen, emoties, keuzen;
-  Nadruk op verschillen tussen culturen;
- Ontstaan vanuit het idee dat cultuur volledig de richting van gedrag bepaald.

Heel lang is dat standaard sociale wetenschapsmodel dominant geweest in de wetenschap, toch zie je vanaf ongeveer de jaren 1990 dat er steeds meer dwars verbanden komen tussen de meer biologisch georienteerde wetenschappen en de psychologie. Er is een natuurlijke ontwikkeling te zien dat leidt tot een integratief model.
Er zijn cultuurverschillen in voorkeuren. Licht toe en beschrijf hierbij tevens wat de gender paradox inhoudt




Hoe groot is de genderkloof (verschillen) in risico’s nemen, geduld, altruïsme, positieve en negatieve reciprociteit en vertrouwen. Uitkomst: hoe gelijker de cultuur tussen mannen en vrouwen, hoe groter het verschil tussen mannen en vrouwen in voorkeur. Iets soortgelijks zie bij economische ontwikkeling: hoe rijker het land, hoe groter de verschillen tussen mannen en vrouwen in hun voorkeuren.

Gender paradox = hoe gelijker we mannen en vrouwen behandelen, hoe meer ze van elkaar gaan verschillen.