Samenvatting Class notes - Psychische stoornissen

168 Flashcards en notities
4 Studenten
  • Deze samenvatting

  • +380.000 andere samenvattingen

  • Een unieke studietool

  • Een oefentool voor deze samenvatting

  • Studiecoaching met filmpjes

Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.

PREMIUM samenvattingen zijn gecontroleerd op kwaliteit en speciaal geselecteerd om je leerdoelen nog sneller te kunnen bereiken!

Samenvatting - Class notes - Psychische stoornissen

  • 1425250800 Palet van de Psychologie Hoofdstuk 1

  • Stromingen met de mensbeelden:
    1. Psychoanalyse: mechanistisch in de beginperiode. Personalistisch in de moderne psychoanalyse.
    2. Behaviorisme: organistisch (alleen bij Skinner) & mechanistisch
    3. Humanisme: personalistisch
    4. Cognitief: mechanistisch in de vroegere cognitieve theorieën. Organistisch: de theorie van Piaget en personalistisch is van toepassing bij latere cognitieve theorieën. 
    5. Systeemtheorie: organistisch
    6. Omgevingspsychologie: organistisch
    7 Biologische psychologie: mechanistisch en organistisch
  • Het mechanistische mensbeeld: 
    1. Er is geen verschil tussen mensen en dieren. Beide worden opgevat als machines, waarbij de mens hooguit ingewikkelder is. Er wordt gebruik gemaakt van resultaten uit dierexperimenten. 
    2.Het verklaringsmodel is lineair causaal; er wordt een oorzaak voor het gedrag gezocht. (A veroorzaakt B). 
    3. Alle onderdelen zijn bekend. We kennen het geheel. 
    4. Mensen en onderdelen van mensen kunnen zelfstandig bestudeerd worden zonder daarbij rekening te houden met de omgeving waarin zij verkeren. 
  • Het organistische mensbeeld: 
    1. Mens en dier staan beide in wisselwerking van hun omgeving. Enige verschil: mensen hebben een sociale en culturele omgeving, dieren niet. 
    2. Het verklaringsmodel is circulair causaal: er is sprake van een wisselwerking: A veroorzaakt mede B en B veroorzaakt mede A. Bijvoorbeeld: een kind is ongehoorzaam, waardoor de ouders streng worden. Hierdoor wordt het kind nog ongehoorzamer en worden de ouders nog strenger. 
    3. Een organisme is principieel meer dan een optelsom van zijn spieren, zenuwbanen, organen etc. 
    4. Mensen zijn niet los van hun omgeving te bestuderen en delen van mensen zijn niet los van het geheel te bestuderen. 
  • Personalistisch mensbeeld: 
    1. mensen moeten als mensen bestudeerd worden. Het unieke karakter van mensen wordt benadrukt. Mensen en dieren zijn niet gelijk omdat dieren geen cultureel leven kennen. 
    2. Mensen moeten als één geheel bestudeerd worden. (komt overeen met de organitische mensbeeld) 
    3. Mensen handelen doelgericht, hun gedrag heeft zin en juist die zingeving moet bestudeerd worden. Ook zijn mensen zelf (in ieder geval gedeeltelijk) verantwoordelijk voor hun gedrag. 
  • De algemene systeemtheorie (AST)
    Het wordt een metatheorie genoemd: theorie over theorieën.
    Vijf belangrijke uitgangspunten en dynamisch denken.
    Uitgangspunten:
    1. De werkelijkheid wordt onderscheiden in lagen. Deze lagen zijn hiërarchische geordend. (hiërarchische niveaus) Hoe hoger het niveau, hoe complexer het systeem.

    2. Elk hiërarchisch niveau is een systeem met als kenmerk dat het zichzelf in stand houdt door het interne en externe evenwicht te handhaven.
    Een systeem staat in contact met zijn omgeving en wisselt er materiaal, energie of informatie mee uit -> open systemen.

    3. Een hiërarchisch hoger niveau is complexer van aard dan het niveau (of de niveaus) eronder. Een hoger niveau omvat kenmerken van het lagere niveau.

    4. Geen enkel niveau is te herleiden tot de niveaus eronder en dit geldt ook andersom: geen enkel niveau is te herleiden tot de niveaus die hoger in de hiërarchie staan.

    5. het blauwe vak: persoon en beleving en gedrag. Dit is het niveau waarmee de psychologie zich voornamelijk bezighoudt.
    Dynamisch denken: kenmerken van een open systeem te vergelijken met de kenmerken van een ding.

    Ding denken heeft te maken met hoe wij taal gebruiken, zonder erbij na te denken. praten we over mensen alsof het dingen zijn.
    Dynamisch denken; een persoon of kenmerk van een persoon wordt niet gezien als het eindproduct van iets, maar als een kenmerk dat kan veranderen en mede afhankelijk is van de omgeving.

    Ding:
    Statisch
    Afgegrensd tegen omgeving
    Definitie: niet het andere
    Zelfstandig naamwoord
    Substantieel (wat)
    Relaties secundair

    Open Systeem: Dynamisch
    Open voor omgeving
    Zichzelf zijn via het andere
    werkwoord
    functioneel (hoe)
    Relaties primair.
  • Gebruik maken van de algemene systeemtheorie.
    Alles hangt met alles samen.
    Biopsychosociale model: de verschillende systeemniveaus worden teruggebracht tot het biologische, het psychische en het sociale.
    Hoewel de drie factoren - de biologische, de psychische en de sociale - nodig zijn om menselijk gedrag te begrijpen, is het niet zo dat ze bij al ons gedrag even belangrijk zijn.
    Hun invloed is niet evenredig!
  • Hierarchisch: een systeem heeft een ander systeem nodig om te kunnen ontwikkelen. 
  • Zenuwstelsel: 
    Neuronen zijn de basiscellen en hebben een cel lichaam dat een celkern bevat. 
    Neuronen kunnen niet met elkaar communiceren. 
    Om te kunnen communiceren hebben ze aan één uiteinde vertakkingen zitten. Die vertakkingen heten dendrieten. 
    Dendrieten ontvangen boodschappen van andere cellen. 
    Neuronen hebben ook een axon waarin ze de boodschappen voor de andere cellen bewaren. Neuronen communiceren door middel van chemische boodschappers (neurotransmitters). 
    Neurotransmitters reizen tussen de kleine spleten van neuronen door. 
    Die spleten heten synapsen. 

    Myeline: vettige substantie die neuronen helpt beschermen en de overdracht van zenuwsignalen versnelt. 
  • Ding denken heeft te maken met hoe wij taal gebruiken, zonder erbij na te denken. praten we over mensen alsof het dingen zijn.
    Voorbeeld: zoals we van een steen zeggen: die is hard, zeggen we ook: Robert is agressief of Jacob is gestoord. 
    Die steen is en blijft echt hard, kenmerken van een ding veranderen over het algemeen niet. 
    De juiste manier van spreken volgens de ATS is het dynamisch denken want Robert is niet altijd agressief. 

    Dynamisch denken; een persoon of kenmerk van een persoon wordt niet gezien als het eindproduct van iets, maar als een kenmerk dat kan veranderen en mede afhankelijk is van de omgeving.
  • 1425423600 De Psychoanalyse

  • De Psychoanalyse wordt ook wel de Psychodynamische theorie genoemd.
    Uitgangspunten: 
    1. De Psychoanalyse gaat uit van de subjectieve ervaringen van mensen. Ze zijn meer geïnteresseerd in datgene waarin iemand zich onderscheidt van een ander.
    2. Het gedrag van een persoon wordt bepaald door zijn biologische aanleg en zijn unieke levensgeschiedenis.
    3. Wij sturen ons gedrag niet altijd bewust aan. Er zijn onbewust krachten en ons gedrag gaat z'n eigen gang -> geldt zeker voor emoties zoals angst of verdriet.
    4. Mensen hebben een onbewuste. Inhoud van dit onbewuste bestaat uit wensen waarvan we soms nooit beseft hebben dat we ze hadden of uit wensen die we weggestopt hebben.
    De wensen zijn onbewust maar ze blijven actief en beïnvloeden ons gedrag.
    5. Conflictmodel: een compromis tussen een wens en een (zelf opgelegd) verbod. Ons gedrag is te zien als het resultaat van dit conflict. Ik wist dat het niet mocht, maar toch deed ik het.
    6. Al ons gedrag heeft een (verborgen) betekenis.  Uitingsvormen van het gedrag wordt door twee invloeden bepaald -> de wens en het verbod. 
    7. Ervaringen uit de eerste levensjaren bepalen de persoonlijkheid (karaktertrekken) van een volwassene. De Neuropsychologie ondersteunt dit uitgangspunt. 
  • Geschiedenis Psychoanalyse Freud
    Twee manieren waarop de psychologische theorie ontworpen kan worden:
    1. Het verzamelen van feiten waarbij gezocht wordt naar gemeenschappelijke factoren die de feiten verklaren. 
    2. Het ontwerpen van een theorie om daarna te kijken of en zo ja hoe de feiten erin passen. Passen de feiten er niet in dan wordt de theorie aangepast.

    Freud maakte gebruik van de tweede manier. Hij heeft zijn werk zo vaak veranderd omdat de Psychoanalyse feiten gebruikt die afkomstig zijn uit de hulpverleningspraktijk.
    Freud zijn werk werd ook beïnvloed door twee belangrijke wetenschapstheorieën:
    1. Natuurwetenschappelijke benadering: biologische benadering staat centraal. Freud probeerde psychische processen met fysiologische wetten te verklaren. Hij zocht naar eenduidige oorzaken van gedrag -> ook wel determinisme genoemd en het is een mechanistische benadering van de psychologie. Dit zie je terug in Freuds theorie dat mensen aangeboren driften hebben.
    2. Romantische benadering: het onbewuste. Aan gedrag en dromen werd een betekenis toegekend waardoor ze begrijpelijk werden gemaakt -> dit is de hermeneutische methode, die bij de personalistische benadering gebruikt wordt.

    De Psychoanalyse kent twee verschillende mensbeelden en wordt daarom tweezijdig (dualistisch) genoemd. Mensbeeld: mechanistische en personalistisch. Het personalistische mensbeeld is dominanter in de hedendaagse Psychoanalyse. 
  • Freud en Breuer formuleerde de hypothese over hypnose dat een dergelijke klacht een symboolfunctie heeft: het symptoom beeldt iets anders uit en verwijst naar een probleem of innerlijk conflict. En dat trauma's de achtergrond vormen van neurotische symptomen. 

    Deze theorie werd al snel aangepast toen de ervaringen van de cliënt niet zijn theorie bleek te verklaren. 

    De nadruk werd gelegd op onbewuste innerlijke wensen en de wijze waarop deze aan de oppervlakte komen -> droomtheorie
    Droomtheorie: de droominhoud die iemand zich herinnert is een vermomming van onbewuste innerlijke krachten. 
    VB: kippenboerderij in London. 
  • Freud ontwikkelde een eigen begrippenapparaat waarmee hij het gedrag van mensen beschreef en daarmee zette hij zich af en werd een tegenbeweging. 
  • Pessimistische mensbeeld benadruk dat mensen geen baas in eigen huis zijn en dat driften (waaronder agressie) ons leven besturen. 

    Optimistische mensbeeld benadrukt juist dat mensen zich bewust kunnen worden van hun (onbewuste) wensen en driften en zo hun leven (meer) in eigen hand hebben. 

    De psychoanalyse is meer pessimistisch dan optimistisch. 
  • Onbewuste mentale processen

    Het bewuste is dat deel van het psychische dat alles omvat wat zich op een bepaald moment onder de aandacht speelt dus waarnemen, herinneren, emoties, gedachten etc. 

    Het voorbewuste is datgene wat niet op dat moment onder de aandacht speelt maar wel op te roepen is. Dus kennis en emoties. 

    Het onbewuste is het deel van de psychische waarvan we het niet weten. Het bevat kinderlijke wensen en herinneringen die te veel angst opwekken om zich ervan bewust te zijn. Het onbewuste is er al bij de geboorte en bevat dan twee aangeboren driften: de levensdrift en doodsdrift. 

    Bijvoorbeeld dromen, versprekingen en andere Fehlleistungen (letterlijk: verkeerde handelingen). 
    Versprekingen: betekend dat mensen ergens anders met hun hoofd en gedachten zijn -> The Freudian Ship
  • Het functioneren is een dynamisch proces en Freud onderscheidt daarin twee vormen: het primaire en secundaire proces. 
    Het primaire proces kenmerkt het onbewuste. Het onbewuste kent alleen maar wensen en geen waarden of normen. Het streeft naar verwerkelijking van de wensen: het lustprincipe -> het onbewuste streeft naar lustbevrediging. Het primaire proces van het onbewuste is irrationeel, waarmee bedoeld wordt dat het ongevoelig is voor bewuste overwegingen en redenen. 

    Het secundaire proces kenmerkt het (voor)bewuste. Het proces is gericht op doelmatigheid en het organisme moet rekening houden met realiteit en de eisen van de buitenwereld (waarden en normen). 
    Het Secundaire proces kenmerkt zich door rationaliteit, door overwegingen: wat wel en wat niet bereikt kan worden -> realiteitsprincipe. 
  • Freud gaat ervan uit dat mensen twee aangeboren basisdriften hebben die tegengesteld aan elkaar zijn. Met deze theorie probeert hij de motivatie van mensen te verklaren. 

    Eros: de seksuele of levensdrift -> de motor van al het gedrag dat als fijn of plezierig wordt ervaren. De Eros functioneert volgens het lustprincipe. Voorbeelden: nuttigen van een maaltijd, knuffelen van een kind en het beheersen van een moeilijke vaardigheid. 

    Thanatos: de doodsdrift -> deze bevat de agressieve en destructieve driften maar ook driften die gericht zijn op vermijding van spanning. Komt dit naar buiten dan ontstaat er agressie. 

    Volgens Freud zijn mensen tegelijkertijd goed en slecht. 
    Freud verbindt zijn drifttheorie aan een energietheorie. Elke drift vertegenwoordigt volgens hem een energie -> driftenenergie -> libido. 
    Libido is op het eigen lichaam gericht. (Auto-erotiek) 
  • De Psychische structuur:
    1. ID: het eerste aangeboren gedeelte van de persoonlijkheid, dat meteen aanwezig is bij de geboorte.
    2. EGO (het ik) staat voor het rationele en redelijke deel van de persoonlijkheid. (Je gezonde verstand) Waarmee je bewust redeneert, afweegt en beslissingen neemt.
    3. Superego: het aspect van de persoonlijkheid dat iemands geweten vertegenwoordigd en onderscheid maakt tussen goed en kwaad. Je geweten.
  • Psychoseksuele stadia: 
    De ontwikkeling van kinderen verloopt volgens een vaste volgorde en elke fase is verbonden met een bepaald conflict dat het kind moet zien op te lossen. 
    1. Orale fase -> de mond is de erogene zone. Conflict: afhankelijkheid. 
    2. Anale fase -> de anus is de erogene zone. Conflict: autonomie en zelfcontrole -> de zindelijkheidstraining. Het EGO ontstaat in deze fase. 
    3. Fallische fase (3/4 jaar) -> geslachtsdeel is de erogene zone. Conflict: masturberen. 
    4. Oedipale fase (4/5 jaar) -> incestthema -> Het kind wil de moeder als liefdesobject en de andere ouder is de rivaal. Jongens krijgen castratieangst en meisjes penisnijd. 
    5. Latentiefase (6/20 jaar) -> emotionele rust en sublimatie van de seksuele interesses. 
    6. Genitale fase (20/dood) -> de ontwikkeling van intieme relaties met iemand van het andere geslacht 
  • Fixatie: een kind blijft steken in een fase en weet het conflict onvoldoende op te lossen. 
    Regressie: een kind heeft al één of meerdere fasen goed doorlopen maar kan door allerlei oorzaken terugvallen in een eerdere fase. Dit kan kort maar ook langdurend zijn. De oorzaak is vaak angst of spanning bij het kind. 

    Freud noemt pasgeboren kinderen: Polymorf pervers, waarmee hij aangeeft dat ze op allerlei manieren seksuele lust beleven. 
  • Verschil hechtingstheorie en de klassieke psychoanalytische theorie:
    1. Freud: volwassene problemen? -> kijken naar de jeugdervaringen.
    Bowbly gaat andersom te werk. Zijn vertrekpunt is gedrag uit de kindertijd, waarbij hij kijkt hoe dit doorwerkt in de volwassenheid. 
    2. Hij benadrukt in zijn theorie wat er werkelijk in de kinderjaren plaatsvindt. de manier waarop het kind de gebeurtenissen beleefd is secundair. 
    3. Bowbly maakt gebruik van directe observaties van kinderen en niet op verhalen van volwassenen tijdens de therapie zoals Freud doet. 
    4. Hij maakt gebruik van kennis uit andere wetenschappen of benaderingen in de psychologie zoals de ethologie. 
  • Bowlby verving de liefdes- en doodsdrift door een andere aangeboren drift: de hechting. Een normale moeder-kind relatie is van essentieel belang. De hechting van Bowlby is mechanistisch. 

    Fases van hechting:
    1. Protest
    2. Terugtrekking
    3. Onthechting

    Hechting; ander woord: attunement
    Miesen -> ouderfixatie (bejaarden met dementie, geloven oprecht dat hun ouders nog leven, voor de moeder)
  • Objectrelatietheorie 

    In het begin van de kinderlijke ontwikkeling is er sprake van een symbiotische relatie tussen moeder en kind. Er is intense betrokkenheid en het kind ervaart zich nog niet als een zelfstandig individu. -> duurt tot het vijfde levensmaand. 

    Na deze fase gaat het kind (subject) relaties aan met andere personen (objecten). Betekenisvolle personen zoals ouders, opa en oma, broertjes en zusjes en bijvoorbeeld ook het personeel van een crèche.  -> fase: separatie-individuatieproces tot het derde jaar: losmaking en het krijgen van een eigen identiteit. 
    In deze tweede fase worden de objectrelaties van het kind verinnerlijkt. Het kind houdt beelden en herinneringen vast van belangrijke objecten. Deze zijn bepalend voor de latere ontwikkeling tot volwassene. 
  • Psychische stoornissen worden opgevat als uitingen van onbewuste conflicten en bij het ontstaan ervan spelen vroegkinderlijke ervaringen een grote rol. 
    Elk lijden wordt gekleurd door (onbewuste) persoonlijke ervaringen. 
  • Psychoanalyse sterke kant: onbegrijpelijk gedrag, begrijpelijk maken.
    Verdedigingsmechanismen (weerstand bieden)
    Iedereen is geneigd om zichzelf voor de gek te houden als het te pijnlijk is om de waarheid onder ogen te zien.
    Manieren om niet hoeven om te gaan met dingen waar we niet mee om willen gaan. 

    Neurotische verdedigingsmechanismen: zitten tussen de volwassen en de primitieve mechanismen in en moeten ervoor zorgen dat onbewuste, dreigende gedachten niet aan de oppervlakte komen. Ze houden de wensen er niet alleen onder, maar vervormen ze in zo'n mate dat de oorsprong moeilijk te vinden is.
    1. Verdringen
    2. Verplaatsing; gevoelens voor bijvoorbeeld je vader, worden gericht op een andere situatie of persoon.
    3. Reactieformatie: onaanvaardbare wens of impuls wordt geneutraliseerd door juist het gedrag te tonen dat er lijnrecht tegenover staat. Jaloers -> overbezorgd
    4. Isoleren van gevoel: traumatische herinneringen worden gemakkelijk opgehaald, maar de emoties die erbij horen, herinneren ze niet.
    5. Ongedaan maken: dwangstoornis -> angstaanjagende gedachten worden ongedaan gemaakt met rituelen.
    6. Somatiseren: onbewuste wensen worden vermomd en krijgen een uitdrukking in lichamelijke klachten.
    7. Vermijding: vermijding is een mechanisme waarvan iemand zich goed bewust kan zijn.
    8. Rationaliseren: jezelf in de maling nemen. Een soort smoes waarmee iemand voorkomt dat een negatieve situatie of informatie gevolgen voor hem heeft.
  • Volwassen verdedigingsmechanismen: ze worden als nuttig en nastrevenswaardig gezien. 
    1. Sublimatie: onaanvaardbare wensen worden omgezet in sociaal aanvaardbaar gedrag. VB: de wens om broertjelief de strot door de snijden wordt omgezet in een chirurgische carrière. 
    2. Altruïsme: ondergeschikt maken van eigen belangen aan die van anderen.
    3. Humor: jezelf op de hak nemen.  

    Primitieve verdedigingsmechanismen: zijn moeilijk te behandelen tijdens therapie omdat het mechanismen zijn die al vroeg in de kindertijd zijn ontstaan. 
    1. Ontkenning: je staat niet open voor traumatische ervaringen of informatie. VB: mijn kind dood? nee dat kan niet, ik zag hem net nog buiten lopen. 
    2. Splitsen: tegengestelde gevoelens worden gescheiden. Dus goed en slecht, plezier en onaangenaamheid worden van elkaar gescheiden. 
    3. Projectie: iemand schrijft eigen onbewuste gevoelens toe aan iemand anders. Iemand kan zijn agressieve impulsen toeschrijven aan een ander. 
  • Overdracht (gevoelens) :
    Herbeleven van onbewuste conflicten uit kindertijd en dat ze daardoor als nog verwerkt kunnen worden. 
    Overdrachtsreactie heeft twee belangrijke kenmerken: ze is een herhaling van een gedragspatroon uit het verleden en ze is inadequaat, dat wil zeggen niet in overeenstemming met de realiteit van de situatie.
    Bij kinderen: hebben nog geen overdracht maar kunnen wel conflicten die zich thuis afspelen, meenemen naar de opvang, school of de hulpverleningssituatie.

    Positieve overdracht: positieve gevoelens zoals bewondering, veiligheid en verliefdheid.
    Negatieve overdracht: negatieve gevoelens zoals boosheid, agressie en jaloezie.

    Tegenoverdracht: cliënt kan bij de therapeut gevoelens losmaken van conflicten van vroeger. 
  • Kanttekeningen:
    De psychoanalyse is moeizaam te combineren met wetenschappelijk onderzoek. 
    Er is weinig aandacht voor (traumatische) ontwikkelingen binnen het gezin. 
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Voorbeelden van vragen in deze samenvatting

Welk mensbeeld heeft de Humanistische psychologie? 
2
Wat betekend cognitie? 
2
Wat betekend Persoonlijkheid?
2
Wat betekend dynamiek? 
2
Pagina 1 van 2