Samenvatting Class notes - Sensomotorische Coördinatie

Vak
- Sensomotorische Coördinatie
- Lieke Peper
- 2015 - 2016
- Vrije Universiteit Amsterdam
- Bewegingswetenschappen
252 Flashcards en notities
3 Studenten
  • Deze samenvattingen

  • +380.000 andere samenvattingen

  • Een unieke studietool

  • Een oefentool voor deze samenvatting

  • Studiecoaching met filmpjes

Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.

Samenvatting - Class notes - Sensomotorische Coördinatie

  • 1449097200 Centrale zenuwstelsel

  • Uit welke delen bestaat de hersenstam en wat zijn de functies?
    Verlengde merg, pons en middenhersenen. Basale mechanismen, prikkels van evenwichtsorgaan naar kleine hersenen en regulatie motorische en sensorische functies en auditieve en visuele reflexen.



  • Hoe kunnen functies van delen van hersenen worden bepaald? Geef twee vormen.
    Destructief (verwijderen van zenuwweefsel). Het is onomkeerbaar en niet ethisch voor mensen. Non-destructief (tijdelijk inactief maken van delen van het zenuwweefsel, bijvoorbeeld koeling of virtuele laesie techniek). Het is omkeerbaar en ethisch voor mensen. Door de natuur is het altijd destructief.



  • De cortex wordt opgedeeld in vier kwabben. Benoem de vier kwabben en de functies.



    • - Occipitale kwab, verwerken van visuele informatie, talen en oriëntatie. 

      - Pariëtale kwab, ontvangen van sensorische input vanuit de huid, spieren, gewrichten, tong (smaak) en vestibulair systeem. 
      - Temporale kwab, verwerken van gehoor- en reuk input informatie.
      - Frontale kwab, complexe mentale functies, vrijwillige motorische controle, planning en beslissingen nemen. 
  • Benoem drie delen van de frontale kwab en de functies.



    • - Premotorische schors, gedrag afstemmen op sensorische informatie (dansbewegingen koppelen aan muziek).
      - SMA, zelf-geïnitieerde bewegingen, bimanuele coördinatie en planning (complex).
      -  Prefrontale schors, globale planning, evaluatie geschiktheid gedrag (past het wel in de context).
  • Wat is visuele-vorm-agnosie en optische ataxie?



    Visuele-vorm-agnosie: ventrale stroom werkt niet goed, men kan object wel zien, maar de eigenschappen niet herkennen. 



    Optisch ataxie: dorsale stroom werkt niet goed, men kan motorische bewegingen niet goed uitvoeren die beïnvloed worden door wat men ziet. (bewuste visuele perceptie is normaal). 
  • Wat zijn de tien gevolgen bij de ziekte van Parkinson?



    - Progressief 
    - Ongeneeslijk
    - Hypokinesie (bewegingsarmoede)
    - Bradykinesie (langzaam)
    - Hypometrie (kleinere amplitude)
    - A-kinesie (moeite met zelf-initieren van bewegingen, freezing)
    - Tremor (schudden van ledematen)
    - Rigide (stijfheid)
    - Uitdrukkingsloos gelaat
    - Gebogen houding 
  • Wat zijn de fylogenetische niveaus van het Cerebellum en de functies daarvan?



    - Archi-(vestibulo-)cerebellum: evenwicht, coördinatie oog- en hoofdbewegingen, correctie.
    - Paleo-(spino-)cerebellum: feedbackcontrole, consequenties inschatten.
    - Neo-(cerebro-)cerebellum: planning op basis van feedforward controle, als commando nog niet is uitgevoerd kan het nog gewijzigd worden. 
  • 1603666801 HC1: Feedback sturing; Context-bepaalde variabiliteit

  • Waar gaat het bij bewegingscoördinatie om?
    Bij bewegingscoördinatie gaat het om het afstemmen van onze bewegingen. Bijvoorbeeld bij de bewegingen van verschillende ledematen ten opzichte van elkaar. Je stemt je bewegingen ook af op je omgeving.
  • Door welke 3 factoren worden bewegingen beïnvloed?
    1. Doel van beweging.
    2. Persoon.
    3. Omgeving.
  • Wat is context-bepaalde variabiliteit?
    Dat is de variabiliteit die we zien in de bewegingscoördinatie en die variabiliteit is het gevolg van verschillen in de context. En de context heeft dan te maken met bijvoorbeeld de omgeving of ons lichaam. De context heeft invloed op hoe de bewegingen eruit zien.
  • Wat is 1-op-1 correspondentie?
    Niet 1 motorisch commando heeft altijd precies hetzelfde bewegingseffect.
  • Waarom is er nooit 1-op-1 correspondentie?
    Motorische commando's hebben niet steeds hetzelfde effect omdat de omstandigheden steeds (een beetje) anders zijn. Commando's moeten afgestemd zijn op de toestand van het bewegingsapparaat en de omgeving.
  • Wat is sensorische informatie?
    Via onze zintuigen krijgen we veel informatie die een rol spelen bij de coördinatie van onze bewegingen.
  • Wat is de perceptie-actie lus?
    Door re-afferente informatie wordt de beweging aangepast.
  • Wat is efferent?
    Afvoerend, van het zenuwstelsel af. (motorische commando's)
  • Wat is afferent?
    Aanvoerend, naar het zenuwstelsel toe. (vanuit de sensoren)
  • Wat is re-afferentie?
    Informatie ten gevolge van zelf uitgevoerde beweging.
  • Wat is ex-afferentie?
    Informatie over omgeving, die niet het gevolg is van zelf uitgevoerde beweging.
  • Wat is open-lus-controle? En wat zijn de voor- en nadelen?
    Geen gebruik van re-afferente informatie. Geen bijsturing mogelijk. Voordeel: snel. Nadeel: geen correcties bij fouten en verstoring.
  • Wat is gesloten-lus-controle? En wat zijn de voor- en nadelen?
    Bijsturing op basis van sensorische (re-afferente) feedback. Voordeel: correcties bij fouten/verstoringen; nauwkeuriger. Nadeel: kost meer tijd.
  • Welk circuit wordt meestal gebruik? (open-lus-circuit of gesloten-lus-circuit)
    Gesloten-lus-circuit
  • Wat is feedforward-controle?
    Motorisch commando kan van tevoren worden afgestemd op de situatie.
  • Wat is feedback-controle?
    Sensorische feedback om te corrigeren.
  • Normaliter worden je bewegingen bijgestuurd op basis van de sensorische waarneming die je doet tijdens het bewegen. Het is natuurlijk niet zo dat het zenuwstelsel moet kiezen tussen feedback-controle en feedforward-controle. Als er een storing is kun je in ieder geval altijd dankzij de feedback-controle corrigeren. Feedback-controle kan dus gecombineerd worden met feedforward-controle.
  • Wat is het invers model?
    Representatie van eigenschappen van:
    - Het systeem (bv. Lengte/gewicht ledematen; werklijnen spieren)
    - Context (bv. Tennisracket)
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Samenvatting - Class notes - Sensomotorische coördinatie

  • 1512342000 SMC

  • Motor behavior
    bewegingsgedrag. Bewegingen zijn gebaseerd op het einddoel. dus bijvoorbeeld het pakken van een bekertje
  • motor task
    is het specificeren van een taak die kan worden uitgevoerd door motor behavior.
  • elemantal action
    is een beweging waarbij slechts 1 doel moet worden uitgevoerd.
  • Discreet action
    een actie waarbij er duidelijk een begin en eindpunt is.
  • Wat is het principe van motor fit?
    bereiken van hetzelfde doel met andere omstandigheden zorgt ervoor dat we een ander motor behavior moeten laten plaatsvinden. hiervoor moeten we onszelf aanpassen.
  • motor equivalent
    verschillende bewegingen met dezelfde uitkomst. 

    Het herhalen van de beweging wil niet meteen betekenen dat de beweging hetzelfde is met een gelijke kracht
  • vrijwillig gedrag
    het doel gerichte gedrag dat vrijwillig wordt uitgevoerd met bewuste intentie om het doel te bereiken. Bewust van de keuze om door te gaan of niet met de beweging. bijvoorbeeld lopen.
  • Onvrijwillig gedrag
    geen bewuste keuze voor het uitvoeren van de beweging. Zoals gebeurt bij reflexen. Bijvoorbeeld aanpassen van onze ogen bij plots fel licht.
  • aanpassingsvermogen
    aanpassing aan omstandigheden voor bereiken van het doel. Zelfde uitkomst kan worden bereikt in verschillende omstandigheden met gebruik van verschillend motorisch gedrag.
  • Persistence in response to failure (volharding na mislukkig)
    als een doel niet gehad wordt, net zo lang doorgaan tot het doel wordt bereikt.
  • sensomotorische principe
    sensorische perceptie is nodig voor doelgerichtheid. het is sensorische perceptie dat het mogelijk maakt voor motorisch gedrag om doelgericht te zijn.
  • Wat zijn de factoren die bepalen hoe er bewogen wordt?
    1. persoon
    2. doel
    3. omgeving
  • input
    een factor die een beweging veroorzaakt of beïnvloed.
  • output
    alles dat het systeem doet
  • evaluative feedback
    terugkoppeling met een waarde als goed of fout of verder minder ver etc.
  • gecontroleerde variabele
    een variable wiens waarde beïnvloed kan worden door input van het systeem
  • controle variable
    een invoer voor een regelkring die kan worden gewijzigd om een variable de vereiste waarde te kunnen laten aannemen
  • gecontroleerd systeem
    een systeem dat onder controle is.
  • fout corrigerend feedback
    is een feedback die ervoor zorgt dat je lichaam de fout hersteld. bijvoorbeeld bijna struikelen --> niet struikelen. kan verschil zien/meten etc tussen wat er uitgevoerd wordt en wat er uitgevoerd moet worden en hierbij het proces dusdanig veranderen dat ook echt gebeurt wat moet gebeuren.
  • bronnen van fouten tijdens beweging
    1. verstoring: externe inputs kunnen een effect hebben op de beweging
    2. controller fouten: kan een verandering veroorzaken terwijl dit niet nodig is.
    3. verandering in de vereisten: als de vereiste waarde verandert kan gemakkelijk een fout worden gemaakt. (output anders dan input --> ERROR)
  • set point
    de waarde die vereist wordt
  • regulering probleem
    het controle probleem dat optreedt wanneer het besturingssysteem doel een gecontroleerde variable en specifieke vaste waarde aanneemt die verstoringen brengen en handhaven. Hierdoor instaat een tracking probleem; kan niet de juiste beweging uitvoeren.
  • feedback controle wet
    de proceduren om een fout signaal om te zetten naar een controleerbare variabelen.
  • Wanneer is feedback nutteloos?
    Als er een te groot tijd verschil tussen de signalen zit.
  • Hoe komt coördinatie tot stand?
    zenuwstelsel zorgt voor commandos naar spieren (motorische commandos)
  • context-bepaalde variabiliteit
    motorische commando's hebben NIET steeds hetzelfde effect, omdat de omstandigheden steeds (een beetje) anders zijn. --> geen 1-op-1-correspondentie
  • afferentie
    naar het zenuwstelsel toe
  • efferentie
    van het zenuwstelsel af (en dus naar periferie toe)
  • re-afferentie
    informatie t.g.v. zelf uitgevoerde beweging (vb. katjes waarbij ene zelf rondjes loopt en andere op wagentje)
  • ex-afferentie
    informatie (over omgeving), die los staat van zelf uitgevoerde beweging. (vb. katjes waarbij ene zelf rondjes loopt en andere op wagentje)
  • teken de perceptie-actie lus
    zie plaatje
  • open lus controle
    geen gebruik van re-afferente info; geen bijsturing. 

    Voordeel: snel
    Nadeel: geen correcties bij fouten en verstoringen
  • gesloten lus controle
    bijsturing op basis van sensorische (re-afferentie) feedback.

    gewenste waarde constant: set point regeling
    gewenste waarde variabel: servo- of volg regeling (tracking)
  • Welke vier verschillende soorten weefsel zijn er? en wat is hun functie?



    1. Epitheel weefsel: vormt de membranen voor alle structuren in het lichaam
    2. Bindweefsel: houdt lichaamsstructuren samen
    3. Spierweefsel: zorgt voor bewegen
    4. Zenuwweefsel: voorziet het lichaam van informatie en zorgt voor output 
  • Waar bestaat het zenuwstelsel uit?
    centrale en perifere zenuwstelsel
  • centrale zenuwstelsel
    hersenen en ruggenmerg
  • perifere zenuwstelsel
    zenuwcellen in het lichaam
  • Wat zijn de drie niveaus van het fylogenetische model van het CZS? en welke delen van het CZS horen tot welk niveau?
    1. Archiniveau (ruggenmerg, hersenstam)
    2. paleoniveau (binnenbrein)
    3. neoniveau (hersenschors)
  • Wat zijn de voornaamste functies van het Archiniveau van het CZS?
    alertheid(wakker vs slapen), spiertonus (houdingscontrole), reflexen
    • basale vormen van coordinatie
  • Wat zijn de voornaamste functies van het Paleoniveau van het CZS?
    expressie van emoties, bewegingsautomatismen
  • Wat zijn de voornaamste functies van het neoniveau van het CZS?
    bewuste aandacht, nieuwe vaardigheden
  • welke type zenuwcellen zijn er? en wat is hun functie?

    1. Neuronen: basis cel, zorgt voor bewegen mens
    2. Gliacellen: zorgen voor brandstof aan neuronen, isoleren neuronen en zorgen
      voor structurele steun 
  • unipolair neuron
    een neuron waarbij alleen 1 neuriet vanuit het cellichaam ontspringt
  • bipolair neuron
    een neuron waarbij 2 neurieten vanuit het cellichaam ontspringen
  • multipolair neuron
    een neuron waarbij meer dan 2 neurieten vanuit het cellichaam ontspringen
  • noem de drie klasse van neuronen en hun functie

    1. Sensorische neuron: opvangen signalen en deze doorgeven
    2. Motorneuron: prikkel doorgeven aan weefsel, zorgt dat er daadwerkelijk iets
      gebeurt
    3. Schakelneuronen: doorgeven signalen 
  • axon
    naar de celkern toe. (elke neuron heeft maar 1 axon "single axon rule")
  • dendriet
    van de celkern af. (elk neuron kan meerdere dendrieten hebben)
  • axon hillock
    verdikking in de axon vlakbij het cellichaam
  • terminal buttons
    einde van tak
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Laatst toegevoegde flashcards

Wat zijn verklaringen voor EP-modellen door een glijdend EP-model?
  • De beweging zelf 'volgt' later dan het virtuele traject door massatraagheid.
  • 'Dip' in het traject (afremming)  voor afstemming van het traject en de mechanica van het lichaam.
  • Initiële versnelling afhankelijk van de vasthoudtijd (langer vasthouden = sneller) door verder ontwikkeling en dus aantrekking van het EP.
Wat is het virtueel traject?
Het virtuele traject specificeert op elk moment in de tijd de momentane positie van het equillibriumpunt en daarmee de krachten waarmee de ledemaat naar deze positie wordt gedreven -> mechanische eigenschappen neuromusculair systeem.
Wat zijn glijdende EP-modellen?
  • EP geleidelijk ingesteld
  • Virtueel traject: verzameling momentane EP's
  • Afgestemd op de mechanische eigenschappen van de ledemaat
Wat is een mogelijke oplossing voor de problemen van EP-modellen?
Mogelijke oplossing: het EP is een proces van spiercontractie dat tijd kost om in te stellen en zich vormt als een serie EP's in de tijd. Ofwel: virtueel traject, waarden in de tijd waarvan de beweging de veranderingen van EP's volgt -> glijdende EP-modellen.
Wat zijn de problemen voor EP-modellen?
  1. Vasthoudtijd: geen constante waarde voor versnelling na vasthouden van de arm voor een beweging naar EP.
  2. Bij een externe verplaatsing van de arm naar EP eerst een controversiële beweging voordat deze weer omslaat en naar het EP beweegt. 
Hoe wordt de houding, beweging, evenwicht gereguleert?
Voor beweging wordt er vanuit het czs een nieuw EP ingesteld, waarna beweging optreedt tot dit nieuwe EP is bereikt. Ofwel: de eigenschappen van de veer worden veranderd -> een houding is stabiel zo lang de instelling/eigenschappen van de spieren niet veranderen. Hier is dan geen feedback voor nodig.
Hoe werkt de rustlengtesturing?
Het czs kan de rustlengte manipuleren via de alfa-gamma-co-activatie in de spieren. De gamma-motoneuronen bepalen de ingestelde rustlengte. Hoe hoger in de grafiek, hoe groter de terugdrijvende kracht. Een verlenging van de spier zorgt voor een verschuiving naar rechts in de grafiek.
Hoe werkt de stijfheidssturing?
Hoe steiler de grafiek, hoe stijver de spier, hoe meer te genereren kracht door de spier. Het czs kan een veer 'instellen' rond een te bereiken evenwichtspunt, wat ontstaat wanneer er in de spieren rond een gewricht evenveel terugdrijvende kracht (stijfheid) is.
Eindpuntcontrole: equillibriumpuntmodellen (massa-veer-modellen).Wat betekenen de begrippen: equillibrium, equifinaliteit, 'veer'-eigenschappen, eindpunt, beweging en houding?
  • Equillibrium = evenwicht
  • Equifinaliteit = zelfde eindresultaat
  • 'Veer'-eigenschappen = elasticiteit van spieren
  • Eindpunt = evenwicht rond een gewricht waarop meerdere krachten (veren) werken
  • Beweging = ten gevolge van een verandering in het eind-/equillibriumpunt (EP)
  • Houding = een evenwicht tussen de krachten die werken rond gewrichten
Stel, een honkballer start zijn slagbeweging bij een bepaalde waarde van de optische variabele tau (t) voor de naderende bal. Dit is een voorbeeld van: intrinsieke timingextrinsieke timing
Extrinsieke timing