Samenvatting Class notes - Sociale- & Organisatiepsychologie

Vak
- Sociale- & Organisatiepsychologie
- -
- 2018 - 2019
- Universiteit Leiden (Universiteit Leiden, Leiden)
- Psychologie
345 Flashcards en notities
1 Studenten
  • Deze samenvatting

  • +380.000 andere samenvattingen

  • Een unieke studietool

  • Een oefentool voor deze samenvatting

  • Studiecoaching met filmpjes

Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.

PREMIUM samenvattingen zijn gecontroleerd op kwaliteit en speciaal geselecteerd om je leerdoelen nog sneller te kunnen bereiken!

Samenvatting - Class notes - Sociale- & Organisatiepsychologie

  • 1551567600 Week 1

  • Welke 4 hoofdwaarden zijn nodig om wetenschappelijk te zijn?
    - Nauwkeurigheid 
    - Objectiviteit
    - Scepticiteit 
    - Open-minded
  • 4 factoren die een rol spelen bij het vormen van de gedachten en het gedrag van een individu
    - De acties en karaktereigenschappen van andere personen 
    - Cognitieve processen 
    - Omgevingsfactoren 
    - Biologische factoren
  • 3 basiselementen van de evolutie
    - Variatie: Een organisme behoort tot een bepaalde soort. 
    - Erfenis: Sommige variaties worden doorgegeven naar de volgende generatie. 
    - Selectie: Sommige variaties geven een individu meer kans op overleven, het zoeken van maatjes en het doorgeven van de variaties aan de succesvolle generatie
  • Mirror Neurons
    Neuronen die geactiveerd worden tijdens de observatie en het nadoen van iemand. Dit speelt een rol in empathie. Mensen hoog in empathie laten meer activiteit zien in mirror neuronen.
  • Wat is een voordeel van een enquete om gedrag te onderzoeken
    - Informatie kan worden verzameld van vele mensen.
    - De reacties van verschillende categorieen kunnen makkelijk vergeleken worden.
  • Waar moet een enquete aan voldoen?
    - Deelnemers moeten representatief zijn voor de populatie waar een conclusie over wordt gemaakt.
    - De manier hoe items geformuleerd worden kan een sterk effect hebben op de uitkomst.
  • Een experimentele methode bevat 2 stappen
    1. De aanwezigheid of sterkte van een variabele om invloed uit te oefenen op sociaal gedrag in systematische veranderingen. 
    2. De effecten moeten zorgvuldig gemeten worden.
  • Wat zijn 2 belangrijke factoren voor een succesvol experiment
    1. Random toewijzing van de deelnemers aan de experimentele conditie.
    2. Alle factoren die invloed hebben op de deelnmers moeten constant zijn.
  • Meta-analyse
    Statische techniek die een beoordeling geeft over hoe goed resultaten te repliceren zijn als hetzelfde onderzoek wordt uitgevoerd.
  • Moderatoren
    Factoren die het effect van de onafhankelijke variabele op de afhankelijke variabele kunnen wijzigen.
  • Deception
    Onderzoeker houdt informatie achter voor de deelnemer van de studie, omdat dit mogelijk effect kan hebben in de resultaten van het onderzoek.
  • Heuristiek
    Makkelijke regels voor het maken van moeilijke beslissingen of conclusies trekken op een snelle en efficiente manier
  • Representatieve heuristiek
    Een oordeel maken op basis van makkelijke regels; hoe meer een individu op een groep lijkt, hoe meer hij/zij tot een groep behoort. Dit zijn vaak goede aannames, omdat een groep invloed heeft op het gedrag van een persoon.
  • Availability heuristieken
    Hoe makkelijker het is om informatie voor de geest te halen, hoe groter de impact op volgende beoordeling of keuzes.
  • Anchoring and adjustment heuristiek
    De neiging om om te gaan met onzekerheid door gebruik te maken van iets wat we wel weten en daar een aanpassing aan te doen. De neiging om niet kloppende oordelen te corrigeren is groter als mensen minder hebben gedaan aan goed nadenken.
  • Cognitieve lading
    We maken gebruik van schema's als we veel informatie tegelijk moeten behandelen, dit helpt met efficienter verwerken.
  • Unpriming
    Een proces waarbij gedachten/acties verdwijnen als ze tot uiting zijn gekomen.
  • Perseverance effect
    Schema's zijn vaak moeilijk te veranderen
  • 2 manieren hoe sociale gedachten voor kunnen komen
    - Gecontroleerde verwerking: Systematisch, logisch en intuitief. Komt vooral voor in de prefrontale cortex.
    - Automatische verwerking: Snel, relatief moeiteloos en intuitief. Komt vooral voor in het limbisch system
  • Optimistic bias
    Sterke aanleg om niet te kijken naar risico's en verwachten dat het toch wel goed komt. Veel mensen denken dat zij meer kans hebben dan andere op het ervaren van positieve gebeurtenissen, en minder kans hebben op negatieve gebeurtenissen.
  • Overconfidence bias
    Meer zelfvertrouwen in onze overtuigingen dan gerechtvaardigd is. Mensen die minder competent zijn in een domein, zijn vaak vol zelfvertrouwen over een overtuiging in dat domein.
  • Planning fallacy en waarom doen we hier aan?
    De neiging om te geloven dat we meer kunnen doen in een bepaalde tijdsperiode dan we eigenlijk kunnen. Er zijn bepaalde redenen waarom we hier steeds aan doen: 
    - Tijdens de voorspelling ligt de focus vooral op de toekomst en hoe we de taak uitvoeren. We kijken niet naar hoe we vergelijkbare taken in het verleden hebben gedaan. 
    - Individuen denken vaak dat wat ze willen dat gebeurt ook echt gebeurt. Als mensen gemotiveerd zijn om een taak te volbrengen, maken ze optimistische voorspelingen.
  • Counterfactual thinking
    Voorstellen wat zou kunnen hebben gebeurd. Dit gebeurt in positieve en negatieve sitauties. En kan ervoor zorgen dat mensen leren van fouten en plannen voor de toekosmt.
  • Upward counterfactuals
    Resultaat kan leiden tot sterke gevoelens van ontevredenheid.
  • Magical thinking
    Geloofd in bovennatuurlijke
  • Terror management
    Pogingen om de zekerheid van de dood en verontrustende implicaties ervan te aanvaarden
  • Mood congruence effects
    De huidige stemming bepaalt sterk welke informatie in een situatie opgemerkt wordt en in het geheugen komt. Je stemming werkt als een filter die met name informatie toe laat in je lange termijn geheugen die consistent is met je stemming.
  • Mood-dependent memory
    Welke specifieke informatie verkregen is van je geheugen. Je verkrijgt met name informatie die consistent is met je afgelopen stemming.
  • Two factor theory of emotion
    We weten vaak onze eigen gevoelens/attitudes niet direct. We leiden het ontstaan af van de externe wereld, van situaties waarin we de reacties ervare
  • Volgens neurowetenschappers twee systemen betrokken bij het verwerken van sociale informatie in de hersenen
    1. Redeneren: 'logisch denken'
    2. Omgaan met emotie/affect. Minder gevoelig voor cognitieve lading
  • Sociale perceptie
    Hierdoor denken we mensen te kennen. Het bevat het begrijpen van de manier hoe we informatie verkrijgen en informatie analyseren over mensen
  • 5 non-verbale communicatie manieren
    1. Gezichtsuitdrukking
    2. Oogcontact
    3. Lichaamstaal
    4. Houding 
    5. Aanraken
  • Facial feedback hypothesis
    Gezichtsuitdrukking kan emoties triggeren.
  • 3 non-verbale kenmerken die bedrog kunnen laten zien
    1. Micro-expressie: Kleine gezichtsuitdrukkingen die kort duren.
    2. Interchannel discrepancies: Mensen die liegen vinden het moeilijk om alle kanalen te beheersen van de communicatie.
    3. Exaggeated facial expression: Meer lagen laten vaak zien dat iemand aan bedrog doet.
  • 2 theorieen voor klassieke attributie (zonder uitleg)
    1. Theory of correspondent inference
    2. Covariation theory
  • Theory of correspondent inference (Jones & David's)
    We gebruiken informatie van andere als basis voor hun kenmerken. Maar individuen gedragen zich vaker op een bepaalde manier omdat dat externe factoren representeert. We focussen op acties die de meeste kans hebben op informatie: 
    - Als het gedrag een vrije keus lijkt te zijn zien we het als een persoonlijke eigenschap. 
    - We letten erg op niet veel voorkomende effecten. 
    - We geven minder aandacht aan acties die laag zijn in sociale wenselijkheid. We halen meer informatie uit acties die uitzonderlijk zijn.
  • Covariation theory (Kelley & Michela)
    Onze poging om de waarom vraag te beantwoorden over iemand zijn gedrag hangt af van 3 soorten informatie: 
    1. Consensus: De omvang waarin het individu reageert op een stimuli/gebeurtenis net als andere mensen.  
    2. Consistency: De omvang waarin het individu reageert op een stimulus/gebeurtenis op dezelfde manier in andere situaties.
    3. Distinctiveness: De omvang waarin de persoon reageert op dezelfde manier op andere stimuli/gebeurtenissen.
  • Correspondence bias
    De neiging om de acties van andere uit te leggen voortvloeiend uit hun aanleg, ook al is de oorzaak van de situatie duidelijk. (FAE)
  • Actor-observer effect
    Neiging om ons eigen gedrag toe te kennen aan de externe omgeving, maar gedrag van andere aan interne oorzaken. Dit komt deels omdat we ons erg bewust zijn van externe factoren die invloed hebben op onze acties, maar minder op de externe factoren va nde acties van andere
  • Self-serving bias
    De neiging om positieve uitkomsten toe te kennen aan interne oorzaken, maar negatieve aan externe factoren.
  • Zelfvernietigende attributie
    Attributie met een negatieve uitkomst verklaren door interne oorzaken, en positieve uitkomsten door externe factoren. Speelt een rol in depressie.
  • Impression formation
    Hoe we ons beeld van andere ontwikkelen.
  • 2 tacktieken voor impression management
    1. Self-enhancement: Motivatie om ons aantrekkelijker te maken.
    2. Other-enhancement: Motivatie om ervoor te zorgen dat je doelwit zich goed voelt.
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.