Samenvatting Class notes - Theoretische Verklaringsmodellen van het speciaal leren

182 Flashcards en notities
6 Studenten
  • Deze samenvatting

  • +380.000 andere samenvattingen

  • Een unieke studietool

  • Een oefentool voor deze samenvatting

  • Studiecoaching met filmpjes

Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.

PREMIUM samenvattingen zijn gecontroleerd op kwaliteit en speciaal geselecteerd om je leerdoelen nog sneller te kunnen bereiken!

Samenvatting - Class notes - Theoretische Verklaringsmodellen van het speciaal leren

  • 1441317600 Theoretische Verklaringsmodellen van het Speciaal Leren

  • Wanneer iemand een IQ heeft van 60, wat voor gewicht verstandelijke handicap heeft diegene dan?
    Een licht verstandelijke handicap
  • Wat voor soort IQ moet iemand hebben om te spreken van een matige verstandelijke handicap?
    Een IQ van 40 tot 50.
  • Wanneer wordt gesproken van een ernstige verstandelijke handicap? (noem IQ)
    Bij een IQ van 25 tot 40.
  • Wanneer wordt gesproken van een diep verstandelijke handicap?
    Bij een IQ lager dan 20.
  • Noem de 4 niveaus die worden genoemd in het model van Viding & Frith.
    Causaal model; dus biologisch, cognitief, gedrag en omgeving.
  • Wanneer spreekt men van een Quantitative Trait Locus?
    Bij een molecular genetische studie wordt geprobeerd om specifieke genen die mogelijk verantwoordelijk kunnen zijn voor de ontwikkeling van een stoornis te identificeren. Wanneer men spreekt van de onderliggende genen voor zo'n kenmerk noemt dit ook wel een Quantitative Trait Locus.
  • Wat kan je met behulp van een PET en fMRI-scan?
    Beide scans geven precieze informatie over de locatie in het brein, door te meten welk stuk van het brein meet bloed nodig heeft tijdens een taak. 
  • Wat is de functie van een EEG en MEG?
    Deze geven precieze informatie over de timing van neurologische reacties op een stimuli. Ze geven GEEN informatie over de locatie van de activiteit in het brein. 
  • Wat houdt modulariteit (modularity) in?
    Het idee dat het brein bestaat uit verschillende systemen die samenwerken. 
  • Wat voor invloed heeft de kritische periode van het leren op het leren van kinderen?
     In de kritische periode van het leren is het leren voor kinderen veel makkelijker vanwege de neurologisce plasticiteit. Wanneer in de kritische periode het leren van kinderen uitblijft, zal het lastig worden vanwege het afnemen van de neurologische plasticiteit. Hierdoor is het leren dan veel moeilijker en zal er gemakkelijker een achterstand ontstaan. 
  • Wanneer is er sprake van homotypische comorbiditeit?
    Wanneer er sprake is van comorbiditeit binnen een verwante probleemgroep, bijvoorbeeld dyslexie en een specifieke taalstoornis. Hierbij is de gemeenschappelijke noemer het cognitieve proces. 
  • Wanneer is er sprake van heterotypische comorbiditeit?
    Wanneer de comorbiditeit buiten de probleemgroep valt; zoals ADHD en dyslexie.
  • Wanneer kinderen met dyslexie moeite hebben met fonologische vaardigheden; is dit dan een domeinspecifiek of -generiek probleem?
    Domeinspecifiek.
  • Noem een voorbeeld van een domeingeneriek probleem.
    Executieve functies.
  • Welke onderdelen van het theoretisch raamwerk vormen samen de doelwitten van de behandeling?
    Context en cognitie.
  • Welke onderdelen van het theoretisch raamwerk vormen de probleemanalyse?
    Het gedrag en de didactische leerdomeinen.
  • Welke onderdelen van het theoretisch raamwerk vormt de probleemanalyse van de behandeling?
    De biologie, context en cognitie.
  • Noem voordelen van het causaal model (6).
    1. Overzichtelijk voor de behandelaar (jij als orthopedagoog)
    2. Duidelijk
    3. Bevordert de communicatie naar ouders en leerkrachten
    4. Ondersteunt de theorie van het individualistische geval (integratief beeld)
    5. Zinvol bij complexe casuistiek
    6. Maakt zichtbaar wat wel en niet door interventie is te beïnvloeden
  • Noem de nadelen van het causaal model (3).
    1. Moeilijk om onderscheid te maken tussen oorzaak en compenserende/versterkende factoren
    2. Soms wordt de theorie op een verkeerde manier ingezet
    3. Er worden verkeerde verbanden gelegd.
  • Comorbiditeit = het meer dan gemiddeld gelijktijdig voorkomen van meerdere separate stoornissen bij één kind/jongere in een bepaalde tijdsperiode. 
  • Noem zes kenmerken van executieve functies
    Het is het vermogen om:
    • natuurlijke impulsen te onderdrukken
    • aandacht te richten
    • vermogen flexibel te denken
    • dingen te organiseren
    • vooruit te denken
    • afgewogen keuzes te maken
  • Noem kenmerken van epilepsie
    • Subnormaal IQ
    • Zwakke performance intelligentie
    • zwakke executieve functies
    • trage informatieverwerking
    •  beperkingen in aandachts- en geheugenfuncties
  • Wat is het verschil tussen het categorisch en dimensioneer bekijken van een stoornis?
    Categorisch: je bekijkt de stoornis vanuit labels. Dit is handig in de communicatie met anderen.
    Dimensioneel: je bekijkt tegen welke problemen het kind aanloopt; in welk stadium de stoornis plaatsvindt. 
  • Wanneer wordt een longitudinale studie uitgevoerd - Wat is hieraan vooraf gegaan?
    Deze worden meestal alleen uitgevoerd wanneer een aantal cross sectionele studies hebben uitgewezen dat er enkele bruikbare hypothesen zijn die door longitudinale studies uitgevoerd moeten worden.
  • Welke studies hebben de voorkeur bij adult cognitive neuropsychology?
    Single case studies
  • Wanneer hebben beperkingen de grootste impact op kinderen?
    Op de momenten waarop kinderen zich het snelste ontwikkelen. Dit komt omdat verschillende cognitieve domeinen zich parallel ontwikkelen; een beperking in het ene domein heeft daardoor impact op de ontwikkeling van het andere domein.
  • Van welke drie factoren is ontwikkeling afhankelijk?
    Genen
    Omgeving
    Interactie: genen x omgeving
  • Waarvoor worden path diagrams gebruikt? Leg het path diagram uit.
    Om ideeën uit te drukken over mogelijke causale relaties.
    Wanneer er een relatie is tussen gebeurtenissen, verhoogt het de kans op een uitkomst.
    distal --> proximal --> outcome
  • Noem twee kenmerken van risicofactoren.
    - continuerend (zwakker of sterker)

    - niet absoluut (aanwezig of niuet aanwezig)
  • Welke twee factoren kunnen er voor zorgen dat een risicofactor niet/niet sterk tot uiting komt?
    - door veerkracht (resilience)
    - en compensation; goed om kunnen gaan met een stoornis wanneer het zich ontwikkeld heeft.
  • Tussen welke twee diagnoses valt pragmagtic language disorder (PLI) en wat zijn de kenmerken van deze stoornis?
    Tussen language impairment en Asperger Syndrome.
    Deze stoornis is een subtype van SLI en kenmerkt zich door semantische gebreken en communicatieproblemen. 
  • Welke stoornis komt vaak samen voor met de pragmagtic language disorder?
    Asperger syndrome; zij ervaren dezelfde communicatieproblemen.
  • NLD (Nonverbal learning difficulty) is een voorbeeld van een stoornis die overeenkomsten vertoond met andere stoornissen, zoals Asperger en Williams syndrome. Hoe moet er volgens het boek naar NLD worden gekeken?
    Als een set van verschiullende kenmerken die niet domeinspecifiek zijn, maar vaak tegelijk zichtbaar zijn. 
  • Wat is de definitie van comorbiditeit?
    Het gelijktijdig optreden van twee verschillende stoornissen of ziekten in hetzelfde individu. Er wordt pas echt van comorbide gesproken als het percentage van gelijktijdig optreden van de stoornissen hoger ligt dan die van de toevallige statistische kans.
  • Noem de twee soorten comorbiditeit en leg deze uit.
    Homotypic: de verschillende stoornissen komen uit dezelfde diagnostische groep; lijken op elkaar

    Heterotypic:De stoornissen lijken niet op elkaar.
  • Noem een verklaring voor het bestaan van comorbiditeit.
    Twee stoornissen hebben dezelfde onderliggende risicofactoren.
  • Leg uit waarom een stoornis dimensioneel is en niet absoluut.
    Verschillende diemnsies van een beperking correleren met elkaar, zowel op het gebied van genen als wel de omgeving. 
    Dimensioneel vertelt eigenlijk of ze zwakker of sterker aanwezig zijn in plaats van absoluut --> wel of niet aanwezig.
  • Noem drie redenen waarom genen een algemene invloed hebben op cognitieve ontwikkeling en cognitieve stoornissen.
    1. Genen die verantwoordelijk zijn voor de beperkingen zijn grotendeels het zelfde als genen die verantwoordleijk zijn voor de normale variaties bij een normale ontwikkeling.
    2. Genen die één aspect van de stoornis beïnvloeden, beïnvloeden vaak ook andere aspecten van de stoornis.
    3. Genen die effect hebben op de ene stoornis (bijvoorbeeld dyslexie) hebben ook effect op andere stoornissen (bijvoorbeeld dyscalculie). Wat hiervoor dus een basis legt voor comorbiditeit.
  • Noem de drie vormen van genen en omgevingscorrelatie.
    1. active gene-environment correlation: kind met dyslexie kiest actief voor niet geschreven bronnen, zo negatieve bijdrage aan ontwikkeling van dyslexie.
    2. passive gene-environment correlation: kind met dyslexie groeit op bij ouders met leesproblemen, daarom een weinig geletterde omgeving thuis.
    3. reactive gene-environment correlation: leerkracht geeft kind met dyslexie nooit de beurt in de klas. Reactie op stoornis en beïnvloeding van stoornis. 
  • Waarom is het belangrijk om endophenotypes te onderzoeken?
    Om zo gedragskenmerken te onderscheiden in meer stabiele phenotypes met een sterke onderliggende genetische competentie.
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Voorbeelden van vragen in deze samenvatting

Wanneer iemand een IQ heeft van 60, wat voor gewicht verstandelijke handicap heeft diegene dan?
2
Wat voor soort IQ moet iemand hebben om te spreken van een matige verstandelijke handicap?
2
Wanneer wordt gesproken van een ernstige verstandelijke handicap? (noem IQ)
2
Wanneer wordt gesproken van een diep verstandelijke handicap?
2
Pagina 1 van 45