Samenvatting De Studie van het Burgerlijk Recht

-
325 Flashcards en notities
1 Studenten
  • Deze samenvatting

  • +380.000 andere samenvattingen

  • Een unieke studietool

  • Een oefentool voor deze samenvatting

  • Studiecoaching met filmpjes

Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.

PREMIUM samenvattingen zijn gecontroleerd op kwaliteit en speciaal geselecteerd om je leerdoelen nog sneller te kunnen bereiken!

Samenvatting - De Studie van het Burgerlijk Recht

  • 1.1 Algemene bepalingen

  • Geef een definitie van het begrip persoonlijkheid. Waarmee vangt de persoonlijkheid aan?
    Persoonlijkheid in juridische zin is de bevoegdheid drager te zijn van rechten, bevoegdheden en rechtsbetrekkingen. De persoonlijkheid vangt bij een natuurlijk persoon aan bij de geboorte.
  • Persoonlijkheid vangt in de regel aan bij de geboorte. Noem de uitzondering op deze regel.
    Ingevolge art. 1:2 BW wordt het kind waarvan een vrouw zwanger is als reeds geboren aangemerkt, zo dikwijls zijn belang dit vordert.

    Deze uitzondering is vooral in het erfrecht belangrijk. Een ongeboren kind kan uit hoofde van de regel namelijk als erfgenaam worden aangemerkt.

    'Het kind waarvan een vrouw zwanger is wordt als reeds geboren aangemerkt, zo dikwijls zijn belang dit vordert. Komt het dood ter wereld, dan wordt het geacht nooit te hebben bestaan.'
  • Dave is getrouwd met Esther. Esther is in verwachting van een kind. Dave overlijdt. Laat Dave erfgenamen achter?

    Is het antwoord op de vraag anders indien Esther een miskraam krijgt?
    Dave laat twee erfgenamen achter, namelijk Esther en zijn ongeboren kind. Het ongeboren kind wordt ingevolge art. 1:2 BW als persoon aangemerkt.

    Als het kind van Dave voor de geboorte overlijdt, dan wordt hij vermogensrechtelijk gezien geacht nooit te hebben bestaan (art. 1:2 BW laatste volzin).

    'Het kind waarvan een vrouw zwanger is wordt als reeds geboren aangemerkt, zo dikwijls zijn belang dit vordert. Komt het dood ter wereld, dan wordt het geacht nooit te hebben bestaan.'
  • Dient een geboren kind in leven te blijven om uit een schenking of erfenis iets te kunnen genieten?
    Naar Nederlands recht wordt de eis van levensvatbaarheid van het kind niet gesteld. Naar Frans recht wordt deze eis (né viable) wel gesteld.
  • 1.5 Het huwelijk

  • Het huwelijk is een instelling. Wat wordt hiermee bedoeld?
    Het huwelijk biedt een juridische ordening van het samenleven van twee personen, die aan individuele willekeur is onttrokken.

    Asser I-II, § 53.
  • Geef een definitie van het huwelijk.
    Het huwelijk is een door de wet geregelde duurzame levensgemeenschap tussen twee (natuurlijke) personen.

    Asser I-II, § 52.
  • Een onderscheid kan worden gemaakt tussen volstrekte en betrekkelijke huwelijksbeletselen. Leg uit.
    Een volstrekt huwelijksbeletsel verhindert een persoon om te trouwen. Een betrekkelijk huwelijksbeletsel verhindert iemand om te trouwen met een specifieke persoon.

    Een voorbeeld van een volstrekt huwelijksbeletsel is een geestelijke stoornis (art. 1:32 BW). Een voorbeeld van een betrekkelijk huwelijksbeletsel is het verbod om een zus of broer te huwen (art. 1:41 lid 1 BW).

    Asser I-II, § 58.
  • 2.1 Algemene bepalingen

  • Ingevolge art. 2:1 lid 1 BW bezitten verschillende publiekrechtelijke organen rechtspersoonlijkheid. Zijn daarmee ook de algemene bepalingen van Boek 2 toepasselijk op deze rechtspersonen?
    Nee, ingevolge art. 2:1 lid 3 BW gelden de algemene bepalingen (Titel I) van Boek 2 niet voor publiekrechtelijke rechtspersonen.

    'De volgende artikelen van deze titel, behalve artikel 5, gelden niet voor de in de voorgaande leden bedoelde rechtspersonen.'

    Art. 2:5 BW geldt dus wél voor publiekrechtelijke rechtspersonen. Art. 2:5 BW bepaalt:

    'Een rechtspersoon staat wat het vermogensrecht betreft, met een natuurlijk persoon gelijk, tenzij uit de wet het tegendeel voortvloeit.'
  • 3 Vermogensrecht in het algemeen

  • Geef de definitie van het begrip 'goederen'. Wat is het bijzondere van deze definitie ten opzichte van het oud BW?
    Goederen zijn alle zaken en alle vermogensrechten (art. 3:1 BW). Het bijzondere van de definitie is de verwisseling van het woord 'zaak' met 'goed'. Een zaak was voorheen het ruimere begrip.
  • Uit hoofde van een recht van erfdienstbaarheid staat op het erf van Berend een benzinepomp ten gunste van Arend. Wie is eigenaar van de benzinepomp? Arend of Berend?
    Berend. Berend wordt door natrekking eigenaar van de benzinepomp. Het recht van erfdienstbaarheid van Arend doet daar niet aan af (art. 3:3 lid 1 BW).
  • De vraag of een bouwcontainer een roerende of onroerende zaak is dient te worden beantwoord aan de hand van het? Noem het relevante arrest.
    Bestemmingscriterium. De vraag is of de zaak bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven. Deze bestemming moet naar buiten kenbaar zijn. Portacabin (NJ 1998/97).
  • In het oud BW nam de 'goede trouw' een prominentere rol in. Door welk begrip is de goede trouw in het nieuwe BW grotendeels vervangen?
    Door de redelijkheid en billijkheid.

    Art. 1374 lid 3 OBW bepaalde dat een overeenkomst te goeder trouw diende te worden uitgelegd.

    Art. 1375 OBW bepaalde dat een overeenkomst niet alleen verbindt tot datgene wat uitdrukkelijk is overeengekomen, maar ook tot al hetgeen door de aard van de overeenkomst, de billijkheid, het gebruik of de wet wordt verlangd.
  • Wanneer is sprake van een vermogensrecht? Kan een schuld een vermogensrecht vormen?
    Er is sprake van een vermogensrecht indien het recht (art. 3:6 BW):
    1. overdraagbaar is; of
    2. het recht ertoe strekt de rechthebbende stoffelijk voordeel te verschaffen; of
    3. het recht is verkregen in ruil voor verstrekt - of in het vooruitzicht gesteld - stoffelijk voordeel. 

    Een schuld is geen vermogensrecht. Het er tegenover staande vorderingsrecht is echter wel een vermogensrecht (in het vermogen van de crediteur).
  • Ingevolge art. 3:4 lid 1 BW is al hetgeen volgens verkeersopvatting onderdeel van een zaak uitmaakt, onderdeel van die zaak. Welke aanwijzingen zijn in de rechtspraak ontwikkeld om te bepalen of sprake is van een bestanddeel? Noem het relevante arrest.
    - De hoofdzaak is zonder het object onvoltooid of anderszins incompleet;
    - De hoofdzaak en het object zijn qua constructie specifiek op elkaar afgestemd.

    De criteria zijn afkomstig uit het arrest Dépex/Bergel. Hierin ging het over de vraag of de in een fabriek aanwezige apparatuur als bestanddeel van deze diende te worden gezien. De Hoge Raad overweegt:

    '3.7 (...) Het gaat in gevallen als het onderhavige om beantwoording van de vraag of apparatuur en gebouw naar verkeersopvatting te zamen als een zaak moeten worden gezien. Wanneer gebouw en apparatuur in constructief opzicht specifiek op elkaar zijn afgestemd, ligt hierin een aanwijzing voor een bevestigende beantwoording van die vraag.

    Hetzelfde geldt wanneer het gebouw uit een oogpunt van geschiktheid als fabrieksgebouw (...) bij het ontbreken van de apparatuur als onvoltooid moet worden beschouwd.'
  • Een beperkt recht is een recht dat is afgeleid uit een meer omvattend recht, hetwelk met het beperkte recht is bezwaard (art. 3:8 BW). Hoe noemt men het recht waaruit het beperkte recht is afgeleid? Tussen welke types beperkte rechten kan onderscheid worden gemaakt?

    Bestond de term beperkt recht in het OBW?
    Beperkte rechten kunnen worden onderscheiden in gebruiksrechten en zekerheidsrechten.
    Gebruiksrechten zijn vruchtgebruik, erfdienstbaarheid, erfpacht en opstal

    Zekerheidsrechten zijn pand en hypotheek

    Het OBW kende de term 'beperkt recht' niet. In het OBW ging het steeds om de term 'zakelijk recht'
  • In het OBW werd in plaats van 'beperkte rechten' gesproken van 'zakelijke rechten'. Welke twee zakelijke rechten hebben het NBW niet gehaald?
    De grondrente en het recht van beklemming. Uit GS:

    'Het oude BW kende dezelfde zakelijke rechten als het huidige wetboek kent in de vorm van beperkte rechten. In het oude BW bestonden ook nog zakelijke rechten die in het huidige wetboek niet als beperkte rechten zijn teruggekeerd, te weten grondrente en het recht van beklemming.'
  • Welke twee soorten vruchten kunnen in het vermogensrecht worden onderscheiden? Geef voorbeelden en noem het relevante artikel. Wat is bepalend voor het antwoord op de vraag of iets als vrucht kan worden aangemerkt? Noem een relevant arrest.
    Art. 3:9 BW onderscheidt natuurlijke en burgerlijke vruchten. Natuurlijke vruchten zijn bijvoorbeeld appels, eieren, kalveren, mest, etc. Burgerlijke vruchten zijn bijvoorbeeld huur- of pachtpenningen.

    De verkeersopvatting is bepalend of iets als vrucht kan worden aangemerkt. Zie tevens het arrest Kuikenbroederij (NJ 1996/158), waarin de Hoge Raad overweegt:

    '3.4.4. (...) Ook naar het voor 1 januari 1992 geldende recht dient, in zoverre in overeenstemming met art. 3:9 BW, aan de hand van de verkeersopvattingen te worden beoordeeld welke zaken als natuurlijke vruchten van andere zaken worden aangemerkt. (...)'
  • Onderscheid kan worden gemaakt tussen eenzijdige en meerzijdige rechtshandelingen. Welk onderscheid kan nog worden gemaakt met betrekking tot eenzijdige rechtshandelingen?
    Eenzijdige rechtshandelingen kunnen zowel gericht als niet-gericht zijn.

    Voorbeelden van niet-gerichte eenzijdige rechtshandelingen zijn de opzegging van een huurovereenkomst, het nemen van ontslag, en het buitengerechtelijk vernietigen van een rechtshandeling.  

    Voorbeelden van gerichte eenzijdige rechtshandelingen zijn vooral te vinden in het erfrecht, zoals de aanvaarding en verwerping van een nalatenschap en het opmaken van een testament.
  • Er zijn twee grondslagen voor de totstandkoming van een rechtshandeling. Wat wordt hiermee bedoeld?
    Een rechtshandeling komt tot stand door:
    (1) de geopenbaarde wil (art.3:33 BW);
    (2) het opgewekte vertrouwen (art. 3:35 BW).
  • Een verklaring die tegen een bepaalde persoon is gericht dient om rechtsgevolg te hebben deze persoon te hebben bereikt (art. 3:37 lid 3 BW). In dit kader wordt wel gesproken van de genuanceerde ontvangsttheorie. Leg uit wat hiermee wordt bedoeld.
    De hoofdregel is dat de verklaring degene tot wie zij is gericht moet hebben bereikt. Het niet tijdig bereiken komt desondanks onder omstandigheden voor risico van de geadresseerde. Compendium:

    'Nuancering: een verklaring die degene tot wie zij is gericht niet of niet tijdig bereikt, heeft desondanks haar werking, indien dit niet of niet tijdig bereiken voor risico van de geadresseerde komt. Dit is het geval als de belemmering een gevolg is van:

    - een handeling van de geadresseerde zelf;
    - een handeling van personen voor wie hij aansprakelijk is; of
    - andere omstandigheden die zijn persoon betreffen en rechtvaardigen dat hij het nadeel draagt.'
  • Is handelingsbekwaamheid een vereiste voor het zelfstandig kunnen verrichten van een rechtsgeldige rechtshandeling? Bestaat er een uitzondering op deze regel? Noem de twee belangrijks
    Nee. Een rechtshandeling van een handelingsonbekwame is echter wel vernietigbaar. Een handelingsonbekwame kan echter geen eenzijdige ongerichte rechtshandelingen verrichten, zoals het maken van een testament, aanvaarden of verwerpen van een nalatenschap. Art. 3:32 lid 2 BW:

    'Een rechtshandeling van een onbekwame is vernietigbaar. Een eenzijdige rechtshandeling van een onbekwame, die niet tot een of meer personen gericht was, is echter nietig.' 

    Ingevolge art. 3:32 lid 1 BW is eenieder handelingsbekwaam, voor zover de wet niet anders bepaalt. De wet bepaalt slechts anders in het geval van minderjarigen en onder curatele gestelden. GS:

    'De wet bepaalt uitdrukkelijk iets anders ten aanzien van minderjarigen en onder curatele gestelden. Ook zij die met rechterlijke machtiging in een krankzinnigengesticht zijn geplaatst, waren tot 17 januari 1994 (inwerkingtreding Wet Bopz) onder bepaalde omstandigheden handelingsonbekwaam.'
  • Peter is een verstokt roker en onder bewind gesteld. Hij zou graag zijn salontafel willen verkopen om een slof sigaretten te kunnen verkopen. Is Peter handelingsbekwaam om de salontafel te verkopen?
    De onderbewindstelling van Peter maakt hem niet handelingsonbekwaam. Minderjarigen en onder curatele gestelden zijn wél handelingsonbekwaam.

    Tijdens de onderbewindstelling mag Peter echter slechts met medewerking van de bewindvoerder over zijn goederen beschikken. De onderbewindstelling beperkt dan ook slechts zijn beschikkingsbevoegdheid (art. 1:438 BW).
  • Noem de drie gezichtspunten die bij de vaststelling van de redelijkheid en billijkheid worden gehanteerd. Noem tevens het relevante artikel.
    Art. 3:12 BW geeft drie gezichtspunten:
    a. algemeen erkende rechtsbeginselen;
    b. de in Nederland levende rechtsovertuigingen;
    c. de maatschappelijke en persoonlijke belangen die bij het gegeven geval zijn betrokken.
  • Kan het privaatrechtelijk handelen van de overheid worden getoetst aan de beginselen van behoorlijk bestuur? Noem het relevante artikel en arrest.
    Art. 3:14 BW bepaalt:

    'Een bevoegdheid die iemand krachtens het burgerlijk recht toekomt, mag niet worden uitgeoefend in strijd met geschreven of ongeschreven regels van publiekrecht.'

    In het arrest Amsterdam/Ikon (NJ 1987/727) bepaalde de Hoge Raad dat de overheid ook bij privaatrechtelijk handelen gebonden is aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
  • Welke prachtige uitdrukking kent men in het Frans voor argumenten die er 'aan de haren zijn bijgesleept'?
    Pour les besoins de la cause
  • Welke drie volledige rechten kunnen worden onderscheiden?
    1. Eigendom
    2. Vorderingsrechten
    3. (Volledige) rechten op voortbrengselen van de geest (b.v. auteursrecht, octrooirecht, merkenrecht en kwekersrecht)

    Eigendom en rechten op voortbrengselen van de geest werken tegen iedereen en hebben derhalve een absoluut karakter. Vorderingsrechten hebben echter slechts werking tegen de schuldenaar en hebben derhalve een relatief karakter.
  • Ingevolge art. 68 lid 1 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek (OnBW) hebben de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek onmiddellijke werking. Kan de inwerkingtreding van het nieuwe BW tot gevolg hebben dat het bedrag van een vordering wordt gewijzigd?
    Art. 69 e.v. OnBW geven uitzonderingen op de zogenaamde onmiddellijke werking. Art. 69 OnBW bepaalt:

    'Wanneer de wet van toepassing wordt, heeft dat niet tot gevolg dat alsdan:
    a. iemand het vermogensrecht verliest dat hij onder het tevoren geldende recht had verkregen;
    b. een schuld op een ander overgaat;
    c. het bedrag van een vordering wordt gewijzigd;
    d. een vorderingsrecht ontstaat, indien alle feiten die de wet daarvoor vereist, reeds voordien waren voltooid;
    e. een goed met een beperkt recht wordt belast.'     

    De onmiddellijke werking wordt in het onderhavige geval dus begrensd door art. 69 onderdeel c OnBW, hetgeen bepaalt dat de invoering van het nieuwe BW niet tot gevolg kan hebben dat het bedrag van een vordering wordt gewijzigd.
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.