Samenvatting Farmacotherapie op maat

-
ISBN-10 9035228650 ISBN-13 9789035228658
109 Flashcards en notities
17 Studenten
  • Deze samenvatting

  • +380.000 andere samenvattingen

  • Een unieke studietool

  • Een oefentool voor deze samenvatting

  • Studiecoaching met filmpjes

Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.

Dit is de samenvatting van het boek "Farmacotherapie op maat". De auteur(s) van het boek is/zijn Robert Henk Henning Lucas Maria Aloysius Barbara Van Bortel. Het ISBN van dit boek is 9789035228658 of 9035228650. Deze samenvatting is geschreven door studenten die effectief studeren met de studietool van Study Smart With Chris.

Samenvatting - Farmacotherapie op maat

  • 1 De basis

  • Na het stellen van de diagnose, welke 4 mogelijkheden heb je?
    1) Geen therapie voorschrijven
    2) Niet medicamenteuze therapie
    3) farmacotherapie voorschrijven
    4) combinatie van 2 en 3
  • Bij hoeveel % van de pt moet worden afgeweken van de standaard aanbevolen farmacotherapie?
    30-50% Een ander geneesmiddel, toedieningsvorm, toedieningsduur of dosering.
  • Wat probeert farmacotherapie te bewerkstelligen?
    Er wordt  bij farmacotherapie gezocht naar een zo gunstig mogelijke interactie tussen de patiënt en een geneesmiddel met als doel een maximum aan gewenst effect en zo min mogelijk bijwerkingen.
  • 1.1 farmacodynamiek en farmacokinetiek

  • Wat is farmacodynamiek?
    Werking (effecten) en bijwerking van een geneesmiddel.
    Ook de invloed van andere geneesmiddelen en ziekten op de werking van het geneesmiddel valt hieronder.
  • Wat is het farmacotherapeutisch raam?
    De plasmaconcentratie waarbij effecten en bijwerkingen optreden.
  • Wat betekent het als een geneesmiddel een geringe therapeutische breedte heeft?
    Het therapeutisch raam is heel smal, effectiviteit van het geneesmiddel valt binnen het therapeutische raam.
  • Waar oefent een geneesmiddel zijn werking uit?
    De meeste geneesmiddelen oefenen hun werking uit via receptoren.
  • Wat zijn receptoren?
    Specifieke bindingsplaatsen in het lichaam waaarbij de binding van een geneesmiddel of een ander (lichaamseigen) stof leidt tot een effect.
  • Wat is een agonist?
    Een geneesmiddel dat de receptor activeert en daarmee een gewenst effect bereikt -> door zelf binding aan receptor wordt effect bereikt.
  • Wat is een antagonist?
    Een geneesmiddel dat de activering van een receptor blokkeert of opheft ->
    - veelal door verhindering van binding van lichaamseigen agonist door
       competitie om de bindingsplaats -> competitief (reversibel door toediening 
       agonisten)
    - door binding aan componenten van signaaltransductie voor agonist van
       receptor -> niet competitieve antagonisme (irreversibel)
  • Wat zijn bijwerkingen?
    - Verklaarbare bijwerkingen -> werking van geneesmiddel anders dan bedoelde werking, voorspelbaar op basis van werkingsmechanisme (vaak orgaanspecifiek)
    - Onverklaarbare bijwerkingen -> allergieën en idiosyncrasie
  • Wat is idiosyncrasie?
    Abnormale gevoeligheid.
  • Wat zijn allergieën?
    Bijwerkingen die niet verklaard kunnen worden door de farmacologische eigenschappen van een gneesmiddel, maar door veranderde immunologische gevoeligheid van de patiënt.
  • Wat is interactie?
    Een (kwalitatieve of kwantitative) verandering in de werking van een geneesmiddel door toedoen van een andere stof b.v. voedingsmiddel, genotmiddel of geneesmiddel.
  • Welke vormen interactie zijn er?
    Negatieve interactie:
    - Antagonisme -> werking geneesmiddel wordt minder
    Positieve interactie:
    - Additie -> uitwisselbaarheid van twee verschillende geneesmiddelen
      (met dezelfde werking) voor hetzelfde effect 1+1=2
    - Synergisme -> de gecombineerde activiteit van verscheidene
       chemicaliën die samen een totaal effect hebben dat veel groter is dan de
       effecten van de afzonderlijke chemicaliën. Toename van effect door
       uitwisselbaarheid van twee verschillende medicijnen met dezelfde werking
       1+1=3
    - Potentiëring -> De bekwaamheid van een chemicalie om het effect van
       een andere chemicalie te vergroten.
  • Wijzen waarop het effect van geneesmiddel kan veranderen?
    - sensibilisatie
    - reboundfenomeen
    - tachyfylaxie
    - tolerantie
    - resistentie
  • Wat is sensibilisatie?
    Verhoogde gevoeligheid organisme voor een geneesmiddel.
  • Wat is reboundfenomeen?
    Bij stoppen geneesmiddel versterkt optreden van tegenovergestelde toestand als therapeutisch effect van geneesmiddel.
  • Wat is tachyfylaxie?
    Kortdurende verminderde gevoeligheid van organisme na toediening van slechts enkele doses van geneesmiddel b.v. door uitputting voorraad neurotransmitter.
  • Wat is tolerantie?
    Een langere tijd (dagen tot weken) durende verminderde gevoeligheid van organisme voor geneesmiddel na langdurend toedienen b.v. door enzyminductie.
  • Wat is resistentie?
    Ongevoeligheid van organisme voor bepaald geneesmiddel.
  • Verschil een- en tweecompartimentenmodel?
    Eencompartimentmodel:
    - Absorbtie en eliminatie van geneesmiddel vindt plaats in het centrale
       plasmacompartiment, homogene verspreiding over het lichaam (geen
       distributiefase)
    Tweecompartimentenmodel:
    - Uitwisseling van plasmacompartiment (centraal) naar perifeer (weefsel)
       compartiment (wel distributiefase)
  • Verschil lineaire (eersteordekinetiek) en niet-lineaire (nuldeordekinetiek)?
    Eersteordekinetiek -> geneesmiddel heeft een halfwaardetijd. Plasmaconcentratie neemt per tijdseenheid een bepaald percentage af, bv. 20 % per uur
    Nuldeordekinetiek -> geneesmiddel heeft geen halfwaardetijd. Plasmaconcentratie neemt per tijdseenheid een vaste hoeveelheid af zoals bij alcohol, b.v 1 glas bier - 1 uur/ 20 glazen bier 20 uur.
  • Wat is de halfwaardetijd (T1/2)?
    Tijdsduur voor halvering v/d geneesmiddelconcentratie ->De tijd die nodig is om een plasmaconcentratie tijdens de eliminatiefase tot de helft te reduceren.
  • Wat is het verdelingsvolume?
    Het volume dat theoretisch nodig is om de gemeten concentratie te bereiken. Het verdelingsvolume relateert de hoeveelheid geneesmiddel in het lichaam (weefsel) aan de hoeveelheid geneesmiddel in het plasma (bloed).

    Dus als je gemeten plasmaconcentratie laag is dan is je theoretische volume heel hoog.
  • Wat is de biologische beschikbaarheid?
    De biologische beschikbaarheid (F) geeft aan hoeveel van de toegediende werkzame stof uiteindelijk de circulatie bereikt.
  • Wat zijn snelheidsbepalende factoren voor absorptie?
    - Eigenschappen geneesmiddel:
       * ongeladen deeltjes worden beter opgenomen omdat ze makkelijker door
          membranen heen komen
       * Carriers is sneller dan diffusie.
    - Toedieningsweg (oraal, i.m. zetpil, dermaal)
    - Toedieningsvorm (drank, (retard)tablet, depot)
  • Wat is het first pass effect?
    Geneesmiddelverlies door de lever vanuit de darmen.
  • Distributie geneesmiddel; afhankelijk van?
    Chemische eigenschappen van het geneesmiddel bepalen hoe snel en hoe ver het geneesmiddel zich zal gaan verdelen.
    De mate van verspreiding is afhankelijk van de eiwitbinding. Als een geneesmiddel zich sterk bindt aan eiwit dan zal het de bloedbaan niet veel/snel verlaten (veel in plasma, weinig in weefsels), als het erg lipofiel (vetbindend) is dan wel (veel in weefsels, weinig in plasma) ->
    = verdelingsvolume
  • Processen distributie geneesmiddel?
    - Verdeling in bloed (plasma) volume
    - Binding aan bloed-eiwitten (albumine, α1-glycoproteïne, erytrocyten e.a.)
    - Verplaatsing (diffusie)uit de bloedbaan (richting extracellulaire ruimte,
       passage bloed-hersen barrière)
    - Binding aan of opname in cellen
    - Binding aan weefsels   
  • Wat is farmacokinetiek?
    De farmacokinetiek behandelt de reactie van het organisme op het geneesmiddel. Deze reactie bestaat uit vier processen: Absorptie (de opname v/h geneesmiddel), Distributie (de verdeling over het organisme), Metabolisme (de omzetting in (on)werkzame stoffen) en Eliminatie (de uitscheiding), kortweg de 'ADME-processen' genoemd.
    Ook kunnen farmacokinetische processen een rol spelen bij de invloed van andere geneesmiddelen of ziekte(n) op de werking van het geneesmiddel.
    De farmacokinetiek geeft aan hoe (toedieningsvorm/-wijze), hoe lang en in welke dosering het geneesmiddel moet worden toegediend om de juiste plasmaconcentratie te bereiken en deze te handhaven binnen het gewenste farmacodynamische bereik.  
  • Wat is biotransformatie / metabolisme?
    Chemische verandering aan de moleculen van een stof door enzymen, waardoor een andere stof ontstaat (metabolieten) / Omzetten van een geneesmiddel (xenobiotica=lichaamsvreemde stoffen) via enzymen in het lichaam tot (on)werkzame metabolieten
  • Hoe werkt metabolisme?
     Bio-transformatie -> 
     - type 1 reactie : omzetting van moederstof via hydrolyse (splitsing van
        moleculen), oxidatie (toevoegen zuurstof) en reductie (toevoegen
        electronen) 
      - type 2 reactive = conjugatie: koppelen aan andere (lichaamseigen)stiffen
        (acetaat, suikergroepen, sulfaten)

    Gevolg = minder toxisch, beter uitscheidbaar!
  • Wat is accumulatie?
    Ophoping:
    Als bij herhaalde toediening de plasmaspiegel stijgt omdat het geneesmiddel nog niet volledig is verwijderd.
  • Eliminatie van geneesmiddel?
    Het verwijderen van het geneesmiddel en/of metabolieten uit het lichaam. 
     
    Belangrijkste organen:
    1. Lever: door metabolisme en/of excretie in gal.
    2. Nieren: door filtratie (passief) of secretie (actief). 

    Orgaanfunctie heeft dus veel invloed op de kinetiek!!
  • Wat is klaring (CL)?
    Het volume bloed per tijdseenheid dat van het geneesmiddel wordt ontdaan.
  • Wat is een Steady-state situatie:
    Een spiegel waarbij de hoeveelheid die verwijderd wordt (eliminatie) met herhaalde toediening van het farmacon (geneesmiddel) weer even snel wordt aangevuld zodat je in het therapeutisch raam zit. 

    Globale regel:  5x T1/2 -> steady state…!
  • Wanneer kan je verwachten dat het geneesmiddel NIET meer aanwezig is…?
    Globale regel:  5x T1/2  stof = weg! 

    Voorwaarde(n):
    • 1e orde kinetiek (= per tijdseenheid vast % verwijderd)
    • Géén verzadiging van de eliminatieweg! (cave: intoxicaties!!!!!)
  • Wat is insluipen van een geneesmiddel?
    Het geleidelijk verhogen van de dosis, in de loop van dagen of weken.
    De dosering wordt pas verhoogd nadat de steady-state-situatie is bereikt, dat wil zeggen niet eerder dan na 4-5 T½ (halfwaardetijd)
  • Redenen om in te sluipen?
    - dosefinding -> patiëntafhankelijke dosering
    - geringe therapeutische breedte  van geneesmiddel
    - inductie van tolerantie voor bijwerkingen
  • Aanpassen dosering?
    - Verhoging van inname frequentie -> verhoging dosering
    - Verlaging dosering per keer (sterkte) -> verlaging dosering
  • Hoe vindt eliminatie plaats en waar?
    Door chemische veranderingen aan de moleculen van de stof (biotransformatie) in voornamelijk lever, maar ook in de nieren, darmen en longen.
  • Wat is de enterohepatische kringloop?
    Het verlaten van de stof en/of zijn metabolieten via gal/feces, waarbij de stof na afsplitsing van het conjugaat opnieuw vanuit het maag-darmkanaal wordt geabsorbeerd.
    Stoffen met een enterohepatische kringloop verblijven doorgaans lang in het lichaam en hebben in het algemeen een lange werkingsduur.
  • Wat doet het CYP450- enzymsysteem?
    Is nodig voor de biotransformatie van het geneesmiddel, met name de enzyme CYP1, CYP2 en CYP3 en hun subfamilies/ individuele enzymen.
  • Noem de belangrijkste enzymen van CYP450?
    CYP3A4, CYP2C9, CYP2C19 en CYP2D6.
  • Waardoor krijg je enzyminductie of enzymremming?
    Bestanddelen van voedsel, roken en comedicatie.
  • Noem een ander eliminatiemechanisme dan biotransformatie?
    De effluxpomp zoals the p- glycoptoteïne (Pgp). Deze komt voor in het maag-darmkanaal en nier en zorgt ervoor dat geabsorbeerd geneesmiddel direct weer wordt uitgescheiden.
  • Redenen om plasmaconcentratie spiegels te controleren?
    - geneesmiddelen met smalle therapeutische breedte
    - plotselinge veranderingen klinisch effect
    - interacties
    - therapietrouw
  • Veranderingen op kinetiek bij zwangerschap?
    - Teratogeniteit!
    - Verhoging van zuurgraad van de maag -> absorbtie medicijn
    - Toename plasmavolume (veeeel extra lichaamswater) -> distributie medicijn
    - Verhoging nierfunctie -> eliminatie medicijn
    - Enzyminductie en -remming -> metabolisme + eliminatie medicijn
  • Attentie kinetiek nierfunctiestoornissen?
    - Indien eliminatie door nieren -> opstapeling (cumulatie) van de stof
    - Oedeemvorming (bv  bij nefrotisch syndroom of uremie) -> invloed op
      verdeling (distributie) geneesmiddel

    Nierfunctie wordt berekent via creatinineklaring. Bij ouderen gaat nierfunctie langzaam achteuit!
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Laatst toegevoegde flashcards

Wat is biotransformatie / metabolisme?
Chemische verandering aan de moleculen van een stof door enzymen, waardoor een andere stof ontstaat (metabolieten) / Omzetten van een geneesmiddel (xenobiotica=lichaamsvreemde stoffen) via enzymen in het lichaam tot (on)werkzame metabolieten
Attentie kinetiek leverstoornissen?
- Grote reservecapaciteit lever -> daardoor meestal dosisreductie alleen nodig
   bij ernstige levercirrose.
- Belangrijk aspect is verminderde nierfunctie die bij leverziekten kan
   optreden!
Attentie kinetiek nierfunctiestoornissen?
- Indien eliminatie door nieren -> opstapeling (cumulatie) van de stof
- Oedeemvorming (bv  bij nefrotisch syndroom of uremie) -> invloed op
  verdeling (distributie) geneesmiddel

Nierfunctie wordt berekent via creatinineklaring. Bij ouderen gaat nierfunctie langzaam achteuit!
Veranderingen op kinetiek bij zwangerschap?
- Teratogeniteit!
- Verhoging van zuurgraad van de maag -> absorbtie medicijn
- Toename plasmavolume (veeeel extra lichaamswater) -> distributie medicijn
- Verhoging nierfunctie -> eliminatie medicijn
- Enzyminductie en -remming -> metabolisme + eliminatie medicijn
Redenen om plasmaconcentratie spiegels te controleren?
- geneesmiddelen met smalle therapeutische breedte
- plotselinge veranderingen klinisch effect
- interacties
- therapietrouw
Noem een ander eliminatiemechanisme dan biotransformatie?
De effluxpomp zoals the p- glycoptoteïne (Pgp). Deze komt voor in het maag-darmkanaal en nier en zorgt ervoor dat geabsorbeerd geneesmiddel direct weer wordt uitgescheiden.
Waardoor krijg je enzyminductie of enzymremming?
Bestanddelen van voedsel, roken en comedicatie.
Noem de belangrijkste enzymen van CYP450?
CYP3A4, CYP2C9, CYP2C19 en CYP2D6.
Wat doet het CYP450- enzymsysteem?
Is nodig voor de biotransformatie van het geneesmiddel, met name de enzyme CYP1, CYP2 en CYP3 en hun subfamilies/ individuele enzymen.
Wat is de enterohepatische kringloop?
Het verlaten van de stof en/of zijn metabolieten via gal/feces, waarbij de stof na afsplitsing van het conjugaat opnieuw vanuit het maag-darmkanaal wordt geabsorbeerd.
Stoffen met een enterohepatische kringloop verblijven doorgaans lang in het lichaam en hebben in het algemeen een lange werkingsduur.