Samenvatting Functionele histologie

-
ISBN-10 9035228626 ISBN-13 9789035228627
159 Flashcards en notities
16 Studenten
  • Deze samenvattingen

  • +380.000 andere samenvattingen

  • Een unieke studietool

  • Een oefentool voor deze samenvatting

  • Studiecoaching met filmpjes

Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.

Samenvatting 1:

  • Functionele histologie
  • L C Junqueira J Carneiro het Engels E Wisse, P Nieuwenhuis, L A Ginsel
  • 9789035228627 of 9035228626
  • 11e, geheel herz. dr.

Samenvatting - Functionele histologie

  • 1 Waarnemingsmethoden

  • Wat is een biomolecuul?
    een molecuul wat van nature voorkomt in een organisme en gevormd kan worden door organismen. Voor ieder organisme zijn biomoleculen essentieel om te leven en in leven te blijven.
  • Wat is een molecuul?
    Het kleinste deeltje van een moleculaire stof dat nog de chemische eigenschappen van die stof bezit.
  • Waarvoor dient het epitheel?
    -Bescherming van onderliggend weefsel
    -Regulatie opname en afgifte van stoffen
  • Apicaal =
    boven (apex=top)

  • lateraal=
    aan de zijkant
  • basaal =
    beneden (basal=grond)

  • Wat doen hemidesmosomen?
    verbinden van epitheelcellen met basaalmembraan

  • Wat gebeurt er bij beschadiginen van eht epitheel waarbij de basaalmembraan nog intact is?
    volledig herstel vindt plaats

  • Wat gebeurt er wanneer de basaalmembraan beschadigd is?
    De wond word dan hersteld met bindweefsel (litteken)

  • Wat zijn de 'lamina' onderdelen van het basale membraan van binnen naar buiten?
    lamina lucida - lamina densa - reticular lamina

  • Basale membraan bestaat uit:
    Lamina basalis=lamina densa/collageen IV + lamina lucida/laminine)B
    Lamina reticularis=collageen type III
  • Workflow paraffine coupes

    • Ontvangst
    • Uitsnijden/insluiten
      -inkten
    • Fixeren
    • Doorvoeren
    • Inbedden (gieten)
    • Snijden
      -drogen
    • Deparaffineren
    • Kleuren
    • Dehydreren
    • Beoordelen

  • Wat is het doel van het inkten met weefselinkt?
    de oriëntatie van de macroscopie te correleren met de microscopie.
  • Wat is fixeren?
    een proces om het weefsel, zonder verlies van structuur, te conserveren.
  • Workflow vriescoupe

    • Afname
    • Invriezen
    • Snijden
    • Plakken
    • Drogen
    • Fixeren
    • Kleuren
    • Dehydreren (uitzondering van??!!)
    • Afdekken

  • Waarom dient het invriezen bij vriescoupes snel te gebeuren?
    om ijskristallen en krimp te voorkomen

  • Welke biomoleculen kent een humane cel?
    eiwitten, vetten, nucleïnezuren en koolhydraten.
  • Nucleïnezuren->conjugaten
    -> glycoproteïnen 
    -> proteoglycanen
  • Fosfaatgroepen:
    -> R-PO4- en R-PO4H
    -> Vaak op nucleïnezuren
  • Aminogroepen:
    -> R-NH3+ en R-NH2
    -> Vaak op aminozuren + eiwitten
  • Carboxylgroepen:
    ->R-COO- en R-COOH
    -> komen voor op eiwitten en koolhydraten

  • Sulfaatgroepen
    ->R-SO3- en R-SO3H
    ->Vaak op koolhydraten
  • Waar zijn eiwitten uit opgebouwd?
    Restgroepen (hydrofoob/hydrofiel/zuur/base)
  • eiwitten hebben een eiwitmantel om zich heen (grote moleculen zijn als het ware in oplossing)
  • Wat is structuurformule van formaldehyde en hoe vormt het formaline?
    H2CO en formaldehyde (gas) kan max. voor 40% worden opgelost in water->formaline!
  • Wat is het fixatievloeistof?
    10% neutraal gebufferde formaline (1 deel formaline, 9 delen water/buffer) --> bevat 4% formaldehyde

  • Wcleïnezurenat voor soort fixatief is formaline?
    een niet-coagulerende fixatief -> crosslinked, eiwitten slaan niet neer (m.b.v. vnl. aminogroepen op eiwitten en nucleïnezuren)

  • Wat is de fixatietijd?
    • 24-48 uur voor routine
    • voor vriescoupe 30 sec (is maar enkele um dik)

  • Hoe verloopt de fixatie?
    in 3 stappen:
    -Oplossen; hydratering van formaldehyde
    -Additie (snel) instabiel
    -Crosslinking (traag; tot 7 dagen voordatb allemaal gelegd zijn; weefsel is dan wel overgefixeerd) stabiel

  • Wat houd denaturatie met ethanol/methanol in?
    Toevoegen van hygroscopische stoffen onttrekt watermantel rond de eiwtten--> eiwitten ontvouwen en lange polypeptideketens raken 'in de knoop'.
    (Ethanol of aceton fixatie)
     

  • * Ook zuren kunnen de watermoleculen rond eiwitten verdrijven ->eiwitten plakken onderling aan elkaar -> herstel van pH zal tot renaturatie leiden (beperkt en eiwitafhankelijk).
  • Wat zijn histochemische kleuringen?
    op basis van reactie tussen kleurstof en weefsel: PAS
  • Wat zijn histologische kleuringen?
    op basis van interactie, binding tussen kleurstof en weefsel: HE, VG, MGG, PAP
    • pKa zwavel(S)groepen= ca. 1
    • pKa fosfaat (PO4-)gr  = ca. 2
    • pKa carboxyl(COOH) = ca. 4-5
    • pKa amino(NH3)gr     = ca. 8-10
  • Haematoxyline uit bast van boom-> eerst geoxideerd (aan lucht/chemisch)->neg(-)lading en kleur (donkerrood)
  • Wat zijn chelaten?
    stoffen die samen met een metaal ion een complex vormen
  • Wat is haematoxyline?
    Haematine + beits
    -haematine = chelaat
    -beits= vb. AL3+ of FE3+
  • Haematoxyline:
    De netto lading van het complex is positief en bindt aan het negatief geladen DNA (fosfaatgroep) -> kleurt nucle:inezuren in de kern blauw

  • Waar is de zuurgraad van de weefsels van afhankelijk?
    hun macromoleculen
  • Eosine (zure kleurstof)

    • Er zijn verschillende moleculen eosine (Eosine Y het meest gebruikt, kleurt het felst)
    • Bindt aan eiwitten (+ geladen aminogroepen)
  • PAS kleuring:
    indirecte kleuring waarbij covalente binding tussen weefsel en kleurstof tijdens oxidatie.

    • Glycogeen, lever en spieren
    • Slijm
      -Glycoproteïnen
      -GAG's
    • ECM (kraakbeen)
      -
      Proteoglycanen


  • Wat knipt amylase?
    alleen 1, 4 alpha glycoside band
  • Levertumorcellen produceren glycogeen
  • Adenocarcinomen produceren slijm
  • PAS = glycogeen
    PAS/D = slijm
  • PAS = indirecte histochemische kleuring, want de reactieve groepen waarmee de kleurstof moet reageren , zijn nog niet in weefsel aanwezig--> worden gemaakt door oxidatie reactie met perjoodzuur
  • Kleurstoffen voor vetten: Sudan III, Sudan IV, Oil Red O.
    Kleurstoffen voor vetten beperkt houdbaar-> vers gemaakt. Kleurstoffen worden opgelost in zo polair mogelijk oplosmiddel ->kleurstof lost hier net in op (vaak combi's ethanol, methanol isopropanol en water. Kleurstof 'kiest'voor vet in coupe.
    Hydrofobe interactie ; geen binding op basis van lading
  • Wat kleurt zure fuchsine in de (Elastine) van Gieson?
    kleurt collageen rood
  • Wat kleurt picrinezuur in de (E)vG?
    cytoplasma en andere structuren geel
  • PAP kleuring; bestaat uit 3 :

    - Haematoxiline (kern, nucelïnezuren blauw)

    - Orange-G             (cytoplasma, keratine oranje)

    - EA (lightgreen cytoplasma groen, eosine cytoplasma roze) 
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Samenvatting 2:

  • Functionele histologie
  • L C Junqueira
  • 9789035234475 of 9035234472

Samenvatting - Functionele histologie

  • 3 De cel

  • tussencellige stoff?
    extracellulaire matrix (ECM)
  • de cel?
    de kleinste , georganiseerde levende eenheid binnen een organisme, die dankzij een ingewikkeld metabolisme  min of meer onafhankelijk kan bestaan in een fysiologische omgeving en die in staat is tot beweging , groei en deling door mitose.
  • UIT WIKI:

    Een cel kan op twee manieren doodgaan. Een manier is necrose; dit is het proces waarbij een cel op een abrupte manier doodgaat. Hierbij wordt de inhoud van de cel, het cytoplasma, in het omringende weefsel vrijgelaten. Dit heeft vaak een activerende werking op het immuunsysteem, waardoor er een ontstekingsreactie kan ontstaan.

    Cellen die apoptose ondergaan vertonen ook negatief geladen fosfolipiden op het celoppervlak. Deze negatief geladen fosfolipiden kunnen door fagocyten herkend worden. Na herkenning verwijdert de fagocyt de apoptotische cel.

     

    Men zag immers ook necrose optreden bij apoptotisch gestorven cellen, wanneer deze niet opgeruimd werden door macrofagen.

  • 3.1 inleiding

  • Cellen bereiken een leeftijd van enkele dagen tot zo lang als een organisme leeft. Zij kunnen vervangen worden en zijn zelf ook voortdurend bezig met de vervanging van hun organellen en opbouwende bestanddelen, de eiwitten, lipiden en koolhydraten en combinaties van deze moleculen. De synthese van eiwitten en enzymen die hiervoor nodig is, wordt bepaald door de informatie afkomstig van het genoom.
  • wat is fylogenie?
    speciesgebonden complexiteit.
  • wat is ontogenie?
    een bevruchte eicel.
  • wat is de belangrijkste stap in de evolutie?
    is de ontwikkeling van eukaryotische cellen, waarbij o.a. het DNA werd gescheiden van het cytoplasma en opgeborgen in een kern , omgeven door een kernmembraan
  • wat is plasmalemma of plasmamembraan?
    is de  celmembraan
  • Wanneer onststonden de eukaryotische cellen?
    Ze zijn ontstaan uit prokaryoten toen op aarde  de zuurstofconcentratie begon toe te nemen.
  • prokaryotische cel:
    1- uitsluitend eencellig
    2-diameter 0,5-10 micrometer
    3-Genetische informatie in circulair DNA dat in de cel is gelegen (nuloïd, genofoor).
    4-RNA en eiwit gesynthetiseerd in hetzelfde compartiment, geen nucleoli.
    5-Geen cytoskelet, organellen nauwelijks of niet ontwikkeld.
    6-Deling via doorsnoering
    7- anaeroob of aeroob metabolisme.
  • wanneer mitose?
    Bij het overschrijden van een zekere "kritische massa" zal een cel gaan delen (mitose). Deze kritische massa is ongelijk voor verschillende celtypen en soms ongelijk voor een cel in verschillende levensfasen
  • Wat is een syncytium?
    Een veelkernige cel. Ze kunnen ontstaan door het fuseren van cellen. Ze kunnen ook ontstaan na kerndelingen ( karyokinese), waarbij het delen van het cytoplasma (cytokinese) achterwege blijft, zodat een symplasma ontstaat.
  • Wat is symplasma?
  • De cel als geheel bestaat uit het protoplasma, terwijl onder cytoplasma het deel van de cel buiten de kern word verstaan
  • De belangrijke compartimenten van de cel vormen:
    1. mitochondriën, die energie leveren.
    2. endoplasmatisch reticulum, dat betrokken is bij de eiwitsynthese
    3. Golgi-complex, dat een rol speelt bij de vorming van secretiegranula.
    4. lysosomen, die de intracellulaire vertering verzorgen.



    Alle organellen worden omgeven door een membraan en bevatten specifieke enzymen die hun functie ondersteunen.
  • 3.2 Het cytoplasma

  • Hoe is het mogelijk om tegelijkertijd in een cel synthese naast afbraak te verrichten?
    Door de indeling van het cytoplasma in aparte compartimenten of organellen, kunnen uiteenlopende metabole processen tegelijkertijd verlopen, bv. synthese naast afbraak.
  • Wat is cytosol?
    De vloeibare basissubstantie van het cytoplasma.
  • Insluitsels?
    Vormen tijdelijke bestanddelen van het cytoplasma en kunnen bestaan uit kleine ophopingen  van lipiden, koolhydraten (glycogeen) of pigmentkorrels
  • Het cytoplasma bestaat uit:
    1. organellen
    2. insluitsels
    3. het cytoskelet
  • De celmembraan of de plasmamembraan bestaat uit:
    1. fosfolipiden
    2. cholestrol
    3. eiwitten
    4. glycoproteïnen

    functioneert als:
    1. een selectieve barrière, die de permeabiliteit en het transport tussen het cytoplasma en het extracellulair milieu regelt.
    2. de plasmamembraan en de daarop aanwezige "cell coat" of glycocalix hebben een functie bij het herkennen en eventueel aanhechten van stoffen, deeltjes en naburige of vreemde cellen.
    3. de plasmamembraan en het cytoskelet spelen ook een rol bij de voortbeweging van cellen.
  • Membranen zijn min of meer vloeibaar , d.w.z. dat een groot deel van de moleculen in de membraan vrij bewegeet. Men kan deze fluïditeit met bepaalde methoden meten.
  • Soorten membraan eiwitten?
    1. Extrinsieke membraaneiwitten  kunnen betrekkelijk los aan de binnen- of buitenzijde van de membraan gehecht zijn en kunnen gemakkelijk verwijderd worden met een detergens.
    2. Intrinsieke (integrale structurele) membraaneiwitten, zijn in de membraan gebonden, alleen in buitenste, de binnenste of beide lagen
    3. Transmembranaire eiwitten overkruisen de beide lipidelagen en kunnen  in sommige gevallen enkele malen (tot 12 x) door de membraan op en neer gaan en zo een porie of een andere complexe structuur( calciumkanaal) vormen
  • Wat is endocytose?
    Een process opname waarbij  vesikels of grotere vacuolen zich afsnoeren van de celmembraan. Endocytose kan worden onderverdeeld in pinocytose (voornamelijk opname van vloeistof) en fagocytose, waarbij vaste deeltjes zoals bacteriën of celresten worden opgenomen.
  • Wat is exocytose?
    is het omgekeerde van endocytose en is het proces waarbij  de membraan van een secretiegranulum fuseert met de celmembraan en de inhoud vrijkomt in het extracellulair milieu. Endocytose en exocytose zijn energieverbruikende processen.
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Laatst toegevoegde flashcards

Waar wordt Alzheimer door veroorzaakt?
Abnormale afbraak van eiwitten.
Afbraakproduct = amyloid
Wat zie je bij hersenen van Alzheimer patient?
afname van cortex
Wat is een belangrijk kenmerk van MS (multiple sclerose)?
Verlies van myeline
(hiervoor sclerotische leasies in de plaats)
Wat is pia mater?
-zachte hersenvlies, zeer zun laagje bindweefsel.
-volgen contouren van hersenen.
-rijk aan bloedvaten die niet in contact komen met de zenuwcellen.
-arachnoidea en pia mater zijn nauw met elkaar verbonden
Wat houdt Celeln van Purinkje in?
1 axon en honderden dendrieten.
0,2 mln zenuwcellen per purinkjecel verbonden
Wat zijn myelineschedes rondom neuronen?
isolatiemateriaal
waaruit bestaat myeline?
Lipoproteïnen.
Wat is nissle substantie in neuron?
=basofiel en bestaat uit RER en vrije poliribosomen
Perikaryon:
Eiwitsynthetiserende activiteit voor structuele eiwitten en exporteiwitten (neurotransmitters)
Wat doen  ependymcellen?
bekleden holten in de hersenen en in ruggenmerg. Ependym cellen hebben contact met liquor.