Samenvatting Fysiologie

-
785 Flashcards en notities
1 Studenten
  • Deze samenvatting

  • +380.000 andere samenvattingen

  • Een unieke studietool

  • Een oefentool voor deze samenvatting

  • Studiecoaching met filmpjes

Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.

Samenvatting - Fysiologie

  • 1 Algemene fysiologische processen

  • Wat is de cel in fysiologisch standpunt?
    Fundamentele stofwisselingseenheid van het organisme ~ functioneren van het organisem
  • Wat is een meercellig organisme en wat zijn de typische kenmerken?
    = grote kolonie eukaryote eencellige met bijhorende kenmerken 
    • cellen gespecialiseerd in 1 bepaalde functie 
    • cellen zijn onderling verschillend 
    • cellen hebben onderlingen afhankelijkheid 
  • Welke 3 soorten fysiologie zijn er?
    • Algemene: studie achter gemeenschappelijke eigenschappen 
    • speciële: studie werking van bepaald orgaan 
    • toegepaste: studie werking orgaan onder bijzondere omstandigheden 
  • Welke soorten fysiologische functies onderscheiden we?
    • Animale: willekeurig of doelgericht 
    • vegetatieve: niet willekeurig of autonoom 
  • Wat zijn typische kenmerken van het animale?
    • Doelgericht reageren 
    • uitwisseling van informatie tussen cel en omgeving 
    • animale/ somatische zenuwstelsel 
    vb 
    • prikkelbaarheid 
    • prikkelgeleiding en overdracht 
    • beweging 
  • Wat zijn typische kenmerken van het vegetatieve?
    • Groei, ontwikkeling en voortbestaan 
    • uitwisseling van materie 

    • bloedsomloop 

    bv
    • metabolisme 
    • resorptie 
    • excretie 
    • secretie 
    • groei 
    • voortplanting
  • Wat zijn synoniemen voor interstitium?
    = milieu interieur 
    = interstitiële vloeistof 
    = extracellulaire ruimte
  • 1.1 Membraantransporten

  • Wat is er vereist voor fysiologische functies?
    Transport van moleculen over de celmembraan
  • Hoe gebeurt de aan- en afvoer van moleculen?
    Aanvoer: 
    • van extracellulair -> intracellulair 


    afvoer: 
    • van intracellulair -> extracellulair 
  • Welke moleculen komen vnl intra voor?

    fosfaat 
    aminozuren
  • Welke moleculen komen voornamelijk extra voor?
    Na 
    Cl 
    glucose
  • Waaruit bestaat de celmembraan?
    Dubbele fosfolipidenlaag 
    • apolaire, hydrofobe staart 
    • polaire, hydrofiele kop  
  • Wat in de membraan speelt een belangrijke rol in veel transport?
    Proteïnen
  • Welke 2 grote groepen transport zijn er?
    Passief 
    actief
  • Wat is kenmerkend aan passief transport?
    • Met gradiënt mee 
    • eenvoudig 
    • geen E voor nodig 
    • geen accumulatie (opstapeling) mogelijk 
  • Wat is kenmerkend aan actief transport?
    • Tegen gradiënt in 
    • gecompliceerd 
    • E voor nodig 
    • accumulatie mogelijk 
  • Welke vormen van actief transport zijn er?
    • Primair: rechtstreeks gebruik ATP 
    • secundair: gekoppeld aan diffusie van ander ion 
    • vesiculair: endocytose en exocytose  
  • Wat is samengevat de manier van transport voor verschillende stoffen?
    • Kleine ongeladen deeltjes: diffusie 
    • water: osmose 
    • hydrofobe stoffen: diffusie 
    • grote hydrofiele stoffen: carriers 
      • gefacilliteerde of ondersteunde diffusie: uniport 
      • secundair actief transport: cotransport 
    • ionen 
      • passief: ionkanalen 
      • actief: 
        • primair: moleculair pompmechanisme 
        • secundiar: cotransport 
    • vesiculair 
  • 1.1.1 Transport van kleine ongeladen deeltjes: diffusie

  • Hoe gebeurt het transport van kleine ongeladen deeltjes?
    Via diffusie
  • Wat zijn hiervoor de voorwaarde?
    • Concentratie verschil over membraan = concentratiegradiënt 
    • membraan moet permeabel zijn voor opgeloste deeljtes en voor oplosmiddel
  • Wat is het principe van diffusie?
    Spontaan transport van opgeloste deeltjes en van oplosmiddel van oplossing A -> B en omgekeerd 

    er is een netto beweging tot de concentratie aan beide kanten gelijk is
  • Welke factoren beïnvloeden de diffusiestroom?
    • Wet van Fick
      • diffusie gebeurt in richting van hoge --> lage concentratie 
      • snelheid is 
        • recht evenredig met concentratieverschil 
        • recht evenredig met permeabiliteit van membraan 
        • recht evenredig met membraanoppervlak 
        • omgekeerd evenredig met membraandikte 
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Laatst toegevoegde flashcards

Verschil in actiepot met skeletspier?
Lange refractie periode laat geen snelle reactie opeenvolgende prikkels toe, waardoor tetanus niet mogelijk -->genoeg tijd voor verwijdering Ca2+
Welke stofwisseling is aanwezig?
Aërobe --> veel mitochondriën
Waarvoor SR belangrijk?
Voor Ca2+-store
Waarvoor is T-tubuli belangrijk?
Gelijktijdige contractie
Hoe gebeurt contractie?
Skeletspier
Waardoor duurt actiepotentiaal zo lang?
Door zeer trage repolarisatie

  1. snelle depolatisatie : openen Na kanalen na overschrijden drempel --> dopolarisatie --> Na+-kanalen sluiten
  2. tussenfase : partiële repolarisatie door openen K+-kanalen --> uitstroom K+-ionen
  3. plateau: trage repolarisatie door langdurige instroom Ca2+ via passief transport (belangrijkste verschil met skeletspier)
  4. repolarisatie: Ca2+ via passief transport
  5. rustfase: eventueel Ca2+ terug naar buiten pompen via actief transport --> terug naar SR
Hoe wordt prikkel doorgegeven?
  • Functioneel syncytium (via intercalatie schijven)
  • vegatatief zenuwstelsel
Waar ontstaat de actiepotentiaal?
In pacemakercellen vd sinusknoop
Hoe zijn cellen verbonden?
Via intercalaire schijven : gap junctions voor verplaatsen ionen --> snelle overdracht actiepotentiaal
Wat is er nog aanwezig?
  • Myofibrie, dwarsstrepen (vlas skeletspierweefsel)
  • cardiaal troponine (vlas skeletspierweefsel)
  • Sarcotubulair systeem (T-tubuli & SR) maar minder goed ontwikkeld