Samenvatting Gemeenterecht

-
779 Flashcards en notities
1 Studenten
  • Deze samenvatting

  • +380.000 andere samenvattingen

  • Een unieke studietool

  • Een oefentool voor deze samenvatting

  • Studiecoaching met filmpjes

Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.

PREMIUM samenvattingen zijn gecontroleerd op kwaliteit en speciaal geselecteerd om je leerdoelen nog sneller te kunnen bereiken!

Samenvatting - Gemeenterecht

  • 1 Algemene vraagstukken van decentralisatie

  • Welke periode vormde de aanloop naar gemeenten in hun huidige vorm?
    De periode van 1795 tot 1848 vormde de aanloop naar gemeenten in hun huidige vorm.
  • Wat is voor de vorming van Nederland van groot belang geweest?
    De Bataafse omwenteling is voor de vorming van Nederland van groot belang geweest. In tegenstelling tot de periode daarvóór (de Republiek) vestigt de Staatsregeling van 1798 een eenheidsstaat.
  • Wat bepaalt art. 1 van de Acte van Staatsregeling?
    • Art. 1 van de Acte van Staatsregeling bepaalt dat de Bataafsche republiek één en ondeelbaar is. Behalve departementen kent de Republiek ringen en gemeenten. Daarmee komt het oude verschil tussen plattelandsgemeenten en steden te vervallen. 
    • In elke gemeente is een gemeentebestuur. Er is een vertegenwoordigend lichaam, dat het aantal gemeentebestuurders bepaalt en hun wijze van verkiezing. 
    • Jaarlijks treedt een derde van het gemeentebestuur af. Dat klinkt democratisch, maar de gemeente verkeert tegelijkertijd in een sterk afhankelijke positie. 
    • De Acte van Staatsregeling merkt gemeentebesturen namelijk aan als administratieve lichamen, ondergeschikt en verantwoordelijk aan het uitvoerend bewind. Zij zijn daarmee te beschouwen als administratieve onderdelen van de eenheidsstaat. Zij zijn gehouden alle wetten en bevelen van het uitvoerend bewind onverwijld af te kondigen en stiptelijk uit te voeren. 
    • Plichtsverzuim betekent dat de leden van het gemeentebestuur van hun posten ontzet worden. Het uitvoerend bewind benoemt in ieder departement drie commissarissen als toezichthouders op de uitvoering van wetten. 
    • Rechtspraak is geen belang meer van het lokale bestuur en wordt ondergebracht in een separate staatsmacht. 
    • Kort gezegd is de Staatsregeling van 1798 van belang voor de vorming van de eenheidsstaat (inclusief bestuurlijk toezicht), een bepaalde uniformering van het gemeentebestuur en de idee van uitvoering van hogere regels.
  • De Staatsregeling van 1798 werkt niet zo uit als haar opstellers hadden voorzien. Hoe zit dat met de Staatsregeling van 1801?
    De Staatsregeling van 1801 is in democratisch opzicht een stap terug; het zogeheten Staatsbewind krijgt vergaande bevoegdheden. Niettemin is zij voor gemeenten belangrijk. Zij worden niet langer beschouwd als administratief onderdeel van de eenheidsstaat. De Staatsregeling van 1801 kent namelijk een eerste notie van autonomie. Art. 74 bepaalt dat iedere gemeente de vrije beschikking heeft over haar huishoudelijke belangen en bestuur. Ook de Staatsregeling-1805 bevat deze notie.
  • Waarover geven de staatsregelingen 1801 en 1805 regels?
    Beide staatsregelingen geven regels over de gemeentelijke belastingen, die het departementale bestuur moet goedkeuren. Het gemeentebestuur kan aan het departementele bestuur voorstellen voor inrichting van de gemeente doen, mits gegrond op het beginsel van volkskeuze en een geregelde afwisseling van bestuurders. Er was om deze reden veel differentiatie in de gemeentelijke bestuurlijke organisatie.
  • Ook de (betrekkelijk korte) constitutie van het Koninkrijk Holland van 1806 noemt, tegen een achtergrond van verdere centralisatie, de gemeentebesturen. Wat bepaalt art. 63 van die constitutie?
    Art. 63 bepaalt dat de gemeentebesturen bevoegd zijn tot het regelen van hun huishoudelijke belangen, op de voet en wijze bij de wet bepaald.
  • Welk ambt kent de wettelijke regeling van 13 april 1807?
    De wettelijke regeling van 13 april 1807 kent het ambt van burgemeester. Zij onderscheidt verder in gemeenten 'eerste klasse', met meer dan 5.000 inwoners, en gemeenten 'tweede klasse'. De gemeenten 'eerste klasse' kennen wethouders, benoemd door de Koning. In de periode van de Franse inlijving zijn gemeenten ('communes') per decreet geregeld. Er is opnieuw sprake van centralisatie; gemeentebesturen zijn onder streng toezicht gesteld. De burgemeester ('maire') heeft het gezag. Hij wordt, samen met de wethouders, die hem bijstaan, door het centrale gezag benoemd. De gemeenteraad heeft nauwelijks bevoegdheden.
  • Wat vindt er in de Franse tijd (1795-1813) plaats?
    In deze Franse tijd (1795-1813) vindt kortom, een sterke centralisatie van bevoegdheden plaats. Deze tijd begint met democratisering (denk aan de volkssouvereiniteit), maar daar blijft in het Koninkrijk en tijdens de inlijving weinig van over. Wel zien we de eerste contouren van de moderne gemeente ontstaan: gemeenten zijn onderdeel van de eenheidsstaat, er bestaan diverse vormen van bestuurlijk toezicht, gemeenten kennen een zekere uniforme bestuursstructuur met een volksvertegenwoordigend lichaam, zij moeten verplicht hogere regels uitvoeren (de term medebewind bestaat dan nog niet), maar zijn ook vrij de eigen huishoudelijke belangen te behartigen.
  • Wat bevestigt de Grondwet van 1814?
    De Grondwet van 1814 bevestigt de eenheidsstaat. Zij keert gedeeltelijk terug naar de situatie vóór 1795, door meer vormen van lokaal bestuur te onderscheiden, zoals 'stedelijke regeeringen' en besturen van 'heerlijkheden, districten en dorpen'. Naast provinciën zijn er landschappen. Wel bepaalt de Grondwet 1814 dat 'de besturen van Steden, Districten, Heerlijkheden en Dorpen' de vrije beschikking hebben over 'hunne huishoudelijke belangen'.
  • Wat brengt de Grondwet van 1815?
    • De Grondwet van 1815 brengt inhoudelijk weinig wijzigingen, met dien verstande dat zij de uniforme term 'Plaatselijke Besturen' bezigt. Hun bestuur wordt geregeld door reglementen. 
    • De reglementen van de steden worden door een provinciale commissie vastgesteld. 
    • De reglementen van de plattelandsgemeenten worden door provinciale staten vastgesteld (per provincie één reglement). Beide reglementen behoeven bekrachtiging van de Souvereine Vorst, vanaf 1815 van de Koning. De provinciale besturen zijn dus geheel vrij een reglement vast te stellen, dat toegesneden is op de specifieke lokale situatie in hun provincie. 
    • De begroting en de belastingen zijn aan provinciaal toezicht onderworpen. 
    • In de praktijk verschillen de diverse reglementen steeds minder van elkaar, al was het maar dat Koning Willem I zich actief met de reglementen bemoeit. 
    • Om die reden wordt in 1824 een 'generaal model' vastgesteld voor de steden en in 1825 een reglement 'op het bestuur ten platten lande in den provinciën'.
  • In de praktijk verschillen de diverse reglementen steeds minder van elkaar, al was het maar dat Koning Willem I zich actief met de reglementen bemoeit. Wat wordt er om die reden vastgesteld in 1824 en 1825?
    • Om die reden wordt in 1824 een 'generaal model' vastgesteld voor de steden en in 1825 een reglement 'op het bestuur ten platten lande in den provinciën'. Volgens deze reglementen worden de leden van de raad voor het leven gekozen, uit de 'vroedste en gegoedste' ingezetenen, door kiescolleges, op hun beurt gekozen door burgers. 
    • Steden kennen 2 tot 4 burgemeesters. Zij worden door de Koning benoemd uit de leden van de raad voor de duur van zes jaar. Elk jaar treden één of meer burgemeesters af, maar zij zijn direct herkiesbaar. De burgemeester kan 'desgeraden' ook van buiten de leden van de raad worden benoemd. 
    • In de plattelandsgemeenten werden de assessoren door de commissaris des Konings benoemd; de andere leden van de raad door de staten van de provincie.
  • Opvallend is dat Koning Willem I meent dat, hoewel de Grondwet alleen ruimte laat voor de reglementen, hij kan aanvullen door middel van koninklijke besluiten. Doet hij dat vaak?
    • Dat doet hij met grote regelmaat, met betrekking tot formele onderwerpen zoals de begroting en de belastingen, alsook inhoudelijk, bijvoorbeeld ter zake van de armenzorg. Hierdoor, en door de hiervoor genoemde veralgemenisering van de reglementen, centraliseert het lokale bestuur snel. 
    • Er heerst daarnaast grote onvrede over de weinig democratische wijze waarop het lokale bestuur wordt gevormd. Alleen het vermogende, mannelijke deel van de bevolking kan een kiescollege kiezen voor een gemeenteraad, die nauwelijks over bevoegdheden beschikt. 
    • Deze weinig verheffende staat van het lokale bestuur draagt dan ook bij aan de grote grondwetsherziening van 1848.
  • Wat betekent de Grondwet van 1848?
    De Grondwet van 1848, waarvan Thorbecke grotendeels de auteur is, brengt voor gemeenten grote wijzigingen mee. In zekere zin is deze Grondwet de grondslag voor de moderne gemeente; deze grondslagen gelden tot op de dag van vandaag. Dat geldt in de eerste plaats voor het 'Huis van Thorbecke': de Grondwet van 1848 gaat uit van een bestuursstructuur van drie overheidslagen: het Rijk, de provincies en de gemeenten.
  • Wat legt art. 138 Grondwet-1848 vast?
    Art. 138 Grondwet-1848 legt vast dat er een Gemeentewet komt. Daarmee is de regeling van de bestuursstructuur van gemeenten van de provinciale reglementen (en van de Koning) onttrokken. De gemeentelijke belastingen, begroting en rekening krijgen ook een formeel-wettelijke grondslag.
  • Welke bepaling is ook nieuw in de Grondwet-1848 en legt de huidige Grondwet ook vast?
    • Nieuw is de bepaling dat de gemeenteraad aan het hoofd van de gemeente staat, hetgeen de Grondwet ook nu nog vastlegt. Daarmee breekt deze Grondwet met de oude traditie waarin het zwaartepunt van het lokale bestuur bij de lokale magistratuur (burgemeester en wethouders) lag. 
    • De raad wordt onmiddellijk door de ingezetenen gekozen, voor een bepaald aantal jaren. Het laatste houdt in dat de leden periodiek aftreden en dat zij niet meer voor het leven worden gekozen. 
    • De voorzitter van de raad wordt door de Koning benoemd, 'ook buiten de leden van de raad'. Art. 140 Grondwet-1848 kent de bepaling van autonomie in 'moderne' vorm: 'Aan den raad wordt de regeling en het bestuur van de huishouding der gemeente overgelaten'. 
    • Er geldt preventief toezicht voor bijvoorbeeld de gemeentelijke begroting en repressief toezicht in de vorm van een vernietigingsrecht van besluiten van de raad, door de Koning, wegens strijd met 'de wetten of het algemeen belang'. 
    • Onder meer hierdoor komt de eenheidsstaat tot uiting - en overigens nog steeds. De Grondwet-1848 veronderstelt hiermee een uniforme bestuursstructuur, waardoor het onderscheid tussen steden en andere gemeenten vervalt. Daarmee versterkt de Grondwet van 1848 de staatsrechtelijke positie van gemeenten aanzienlijk.
  • De Grondwet-1848 verplicht de wetgever tot het vaststellen van een gemeentewet. Wanneer is deze gemeentewet gekomen en wat bracht het?
    • De gemeentewet van 1851, ook een product van (voornamelijk) Thorbecke, heeft gemeenten verder vormgegeven. 
    • Deze gemeentewet draagt in de eerste plaats bij aan een verdere uniformering van gemeenten. 
    • Zo constitueert de gemeentewet-1851 het college van b&w, belast met het dagelijks bestuur van de gemeente. 
    • Ook noemt deze gemeentewet de burgemeester als afzonderlijk ambt. Die komt niet expliciet in de Grondwet-1848 voor, alhoewel met de raadsvoorzitter kennelijk wel de burgemeester is bedoeld.
    • De gemeentewet-1851 legt een bevoegdheidsverdeling vast, die voortvloeit uit het grondwettelijke hoofdschap van de gemeenteraad. 
    • In beginsel oefent de raad alle bevoegdheden uit, tenzij de wet die bij het college of de burgemeester neerlegt. Daarmee legt de gemeentewet-1851 een monistisch bestuursmodel vast. 
    • De wet schrijft voorts voor dat de raad in beginsel in openbaarheid beraadslaagt.
  • Waardoor kenmerken de grondwetswijziging van 1848 en de gemeentewet van 1851 zich door?
    • Het 'Huis van Thorbecke', dat wil zeggen drie overheidslagen; 
    • een uniforme bestuursstructuur voor gemeenten; vastgelegd  vastgelegd in een organieke wet; 
    • monisme; het daaruit voortvloeiende hoofdschap van de gemeenteraad; en 
    • bestuurlijk toezicht, vanwege de eenheidsstaat. 
    • Niet in de laatste plaats is van belang, dat met deze gemeentewet de gemeentelijke autonomie tot ontplooiing kon komen: de gemeentewet van 1851 regelt vooral hoofdzaken en laat veel vrijheid voor de gemeenten. 
    • Van der Pot voegt daaraan (terecht) toe dat de gemeentelijke autonomie ook kon groeien, omdat de gemeentewet-1851 zo lang heeft bestaan: ‘In tal van gemeenten is het eigen leven pas langzaam van de grond gekomen. Had men dat willen ‘bevorderen’ door steeds weer nieuwere denkbeelden in de wet neer te leggen, dan zou dit waarschijnlijk een averechts resultaat hebben gehad’.
  • De gemeentewet-1851 is dus een lang leven beschoren. Tussen 1851 en 1983 zijn de wijzigingen van het lokaal bestuur bescheiden van aard. Leg uit.
    In de eerste plaats wordt het (census)kiesrecht beetje bij beetje uitgebreid, hetgeen past in de landelijke discussie over uitbreiding van het kiesrecht.
  • Welke wijziging van de Grondwet in 1887 is wezenlijk?
    • Wezenlijker is de wijziging van de Grondwet in 1887, waardoor de figuur van medebewind is vastgelegd: 'Wanneer de wetten, algemeene maatregelen van bestuur of provinciale verordeningen het vorderen, verleenen de gemeentebesturen hunne medewerking tot uitvoering daarvan'. 
    • Daarnaast voorziet deze Grondwet in een taakverwaarlozingsregeling, die overigens de hoofdlijnen bevat van de huidige regeling. Bij grove taakverwaarlozing kan de wetgever ingrijpen. De gemeentewet bevat een regeling bij verwaarlozing van taken in medebewind. 
  • Welke verandering brengt de grondwetsherziening van 1922?
    • De grondwetsherziening van 1922 beperkt de bevoegdheid van de Koning tot spontane vernietiging. Waar de Grondwet-1887 nog bepaalt, dat deze bevoegdheid 'onbeperkt' is ten aanzien van plaatselijke verordeningen en reglementen, legt de Grondwet 1922 vast dat deze bevoegdheid bij de wet wordt geregeld. De grondwetgever houdt op deze manier rekening met de invoering van de administratieve rechtspraak.
    • Deze Grondwet maakt het ook mogelijk dat de raad bevoegdheden kan delegeren aan andere gemeentelijke ambten. 
    • Ten slotte is van belang dat art. 149 Grondwet-1922 de basis legt voor gemeentelijke samenwerking. 
  • Waarom is de herziening van de gemeentewet in 1931 van belang?
    Onder meer omdat sindsdien drie ambten tot het gemeentebestuur expliciet worden gerekend: de raad, het college van b&w en de burgemeester. De wetgever schrapt de bepaling dat de wethouders de burgemeester bijstaan; de gemeentewet bepaalt nu dat het college bestaat uit de burgemeester en de wethouders.
  • Welke mogelijkheid creëert de wetgever in 1964?
    In 1964 creëert de wetgever de mogelijkheid tot binnengemeentelijke decentralisatie.
  • Welke veranderingen heeft de grondwetsherziening van 1983 gebracht?
    De grondwetsherziening van 1983 heeft voor de decentrale openbare lichamen geen wezenlijke, inhoudelijke veranderingen gebracht. Deze herziening wil moderniseren (bijvoorbeeld in taalgebruik), vereenvoudigen, systematiseren en deconstitutionaliseren. Voor de decentrale overheden, die geregeld worden in hoofdstuk 7 Grondwet, speelt voornamelijk het laatste motief: de Grondwet zou alleen de onderwerpen moeten bevatten die zó gewichtig zijn dat zij alleen maar langs de moeilijke en tijdrovende weg van grondwetsherziening gewijzigd kunnen worden. Andere voorschriften zouden niet in de Grondwet thuishoren.
  • In 1983 speelt onder andere dat de Grondwet alleen de onderwerpen zou meoten bevatten die zó gewichtig zijn dat zij alleen maar langs de moeilijke en tijdrovende weg van grondwetsherziening gewijzigd kunnen worden. Welke discussies levert dat vooral op?
    • Dat levert vooral discussie op over de aanstellingswijze van de burgemeester en de commissaris van de Koning.  De Tweede Kamerfracties van de confessionele partijen (ARP, CHU, KVP) menen dat hetgeen de Grondwet bepaalt beslissend is voor de verdere invulling van het lokale bestuursstelsel. Minister De Gaay Fortmann (ARP) stelt daarentegen dat het gemeenterecht in de Gemeentewet thuishoort en niet in de Grondwet. De aanstellingswijze van de burgemeester is zijns inziens dan ook niet beslissend voor de verdere inrichting van het lokale bestel. Dat hoeft de Grondwet dus niet te regelen.
    • Een soortgelijke discussie heeft plaats over de codificatie van de beginselverklaring, ‘dat decentralisatie de grondslag is van het openbaar bestuur in Nederland’. Dit vloeit, aldus de minister, al duidelijk uit de Grondwet voort en codificatie is daarom onnodig. 
    • Verder stelt De Gaay Fortmann voor om te deconstitutionaliseren: de toekenning van kiesrecht aan niet-Nederlandse ingezetenen, de mogelijkheid van grenswijzingen van ondergeschikte betekenis, de bevoegdheid van het provinciebestuur om medebewind van gemeentebesturen te vorderen, de mogelijkheid om gedeputeerden te benoemen van buiten provinciale staten, en preventief toezicht. 

    • Verder zou de Grondwet niet langer vage termen als ‘huishouding’ en ‘belang’ moeten bevatten. Handhaving van deze termen is niet langer nodig, omdat het onderscheid autonomie-medebewind, aldus de regering, achterhaald zou zijn. De bepalingen over de openbaarheid van vergaderingen, de wijze van besluitvorming en de taakverwaarlozing moeten worden gestroomlijnd.
  • Is de doelstelling van deconstitutionalisering in 1983 bereikt?


    • De doelstelling van deconstitutionalisering is niet bereikt. Amendering door Tweede Kamerfractie van het inmiddels opgerichte CDA bewerkstelligt zelfs het tegenovergestelde. Deze fractie vreest namelijk dat deconstitutionalisering leidt tot centralisatie: als de grondwetgever bepaalde onderwerpen niet regelt, staat het de wetgever vrij deze onderwerpen zelf ter hand te nemen. Dan zou de wetgever (vergaand) kunnen ingrijpen in de autonome taakuitoefening van gemeenten. 
    • Het resultaat van de amendering is, dat de Grondwet-1983 het college van burgemeester en wethouders als ambt van de gemeente noemt en bepaalt deze Grondwet dat de commissaris van de Koning en de burgemeester voorzitter zijn van provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad. Daarmee haalt deze fractie de wind uit de zeilen van de voorstanders van de direct gekozen burgemeester. 
    • Ook aspecten als het vrije mandaat van raadsleden krijgen grondwettelijke verankering. De nieuwe minister, Wiegel (VVD), heeft, ook in concessie aan het CDA, minder moeite met termen als ‘huishouding’ en daarmee met de handhaving van het klassieke onderscheid tussen autonomie en medebewind. Ook die term blijft bewaard. 
    • Een motie van de VVD-Eerste Kamerfractie tegen gewestvorming haalt een meerderheid, zodat de regering dit onderdeel voorafgaand aan de stemming in eerste lezing intrekt.


    • De fracties aan de linkerkant van het politieke spectrum in zowel de Tweede als de Eerste Kamer (in het bijzonder PvdA, D66 en PPR) geven in tweede lezing te kennen tegen het voorgestelde hoofdstuk 7 Grondwet te zijn. Minister Van Thijn (PvdA) haalt de PvdA-Tweede Kamerfractie over om vóór te stemmen met de toezegging dat het debat over de aanstellingswijze van de commissaris van de Koning en de burgemeester niet is beëindigd. Bovendien zou de gemeenteraad een grotere inbreng krijgen bij de benoeming van de burgemeester. Ook D66 en PPR stemmen uiteindelijk vóór, mede vanwege de overige onderdelen van de grondwetsherziening.
  • Is hoofdstuk 7 Grondwet sinds 1983 nog gewijzigd?
    • Sinds 1983 is Hoofdstuk 7 Grondwet een aantal keren gewijzigd.
    • Relatief recent, namelijk uit 2005, is de wijziging van art. 129, derde lid, Grondwet, dat de vervanging van raadsleden wegens zwangerschap en bevalling, alsmede wegens ziekte regelt. 
    • In 2008 zijn de kiesrechtuitsluitingen beperkt, hetgeen gevolgen heeft voor het kiesrecht voor de gemeenteraadsverkiezingen. 
    • In 2008 werd het derde lid van art. 125 Grondwet geschrapt, waarin werd bepaald dat de burgemeester voorzitter van de gemeenteraad is. 
    • In 2018 is de Kroonbenoeming van de burgemeester gedeconstitutionaliseerd, waardoor de bepaling nu inhoudt dat de wet de aanstellingswijze bepaalt. 
    • Deze laatste twee herzieningen maken duidelijk dat de wens tot deconstitutionalisering kennelijk nog steeds bestaat en dat deze doelstelling van 1983 alsnog, zij het beperkt, is gerealiseerd.
  • De grondwetsherziening van 1983 is de voorbode voor een nieuwe Gemeentewet (nu met hoofdletter G), die in 1992 tot stand komt. De Gemeentewet-1992 kent dan ook enkele uitgangspunten, die in het verlengde liggen van die van de Grondwet-1983. Welke?
    • Zo behoren modernisering en systematisering tot de uitgangspunten van de nieuwe Gemeentewet.   
    • Dölle en Elzinga onderscheiden drie motieven die ten grondslag liggen aan de Gemeentewet-1992. 
      • Het decentralisatiemotief wil de positie van gemeenten ten opzichte van het Rijk versterken; 
      • Het democratische motief houdt een versterking van de positie van de burger en van de gemeenteraad in; 
      • Het differentiatiemotief betekent dat de wetgever ruimte aan gemeenten wil laten om hun organisatie naar eigen behoefte in te richten.
    • Niettemin blijven de belangrijkste structuren van het gemeenterecht overeind: het onderscheid tussen autonomie en medebewind, het hoofdschap van de raad en de daaruit voortvloeiende attributie van bevoegdheden ten aanzien van de raad, het college en de burgemeester, alsmede bestuurlijk toezicht. 
    • Wel wil, zoals gezegd, de wetgever de positie van gemeenten ten opzichte van de rijksoverheid versterken, bijvoorbeeld door het toevoegen van enkele formele bepalingen aan de Gemeentewet, zoals de decentralisatiebepaling. 
    • Ook is de positie van de raad versterkt. In dit verband is (onder meer) het nieuwe – maar met de dualisering weer afgeschafte – art. 148 Gemeentewet belangrijk: de raad kan beleidsregels geven waarmee de andere gemeentelijke ambten bij de uitoefening van hun bevoegdheden rekening moeten houden. 
    • Art. 109 Gemeentewet bevat een differentiatieclausule. De discussie over gewesten, stadsprovincies en regionale openbare lichamen trekt aan de nieuwe Gemeentewet voorbij.
  • Het is ondoenlijk om alle wijzigingen van de Gemeentewet sinds 1992 te bespreken. Zo bracht de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de nodige wijzigingen mee, werden de bevoegdheden van de burgemeester ter zake van de openbare orde aanzienlijk uitgebreid en werd de aanstellingswijze van de burgemeester veranderd. Eén herziening betreft echter een dermate belangrijke verandering van de gemeentelijke bestuursstructuur, wellicht zelfs de belangrijkste sinds 1851. Leg uit. 

    Het gaat dan om de dualisering van het gemeentebestuur in 2002. De gemeentelijke bestuursstructuur is sinds 1851 altijd monistisch geweest. De belangrijkste kenmerken daarvan zijn dat de gemeenteraad het hoofd van de gemeente is, dat aan hem in beginsel alle bevoegdheden toekomen, dat hij de wethouders uit zijn midden benoemt en dat deze wethouders lid blijven van de raad.
  • Wat is de doelstelling van de dualisering?
    De doelstelling van de dualisering is een versterking en vitalisering van de lokale democratie. Raad en college zouden losser van elkaar moeten functioneren, waarbij het landelijke parlementaire stelsel als voorbeeld strekte. Dat zou ook al de praktijk zijn in veel (vooral grotere) gemeenten. Veel gemeentebesturen functioneren feitelijk al dualistisch, waarbij het college het beleid bepaalt. Een staatscommissie onder leiding van Elzinga werkt de verschillende modellen van dualisme uit, hetgeen leidt tot de wetswijziging van 2002.
  • De dualisering heeft enerzijds niet willen tornen aan het hoofdschap van de gemeenteraad. Dat had ook een praktische reden: welke?
    Het hoofdschap is grondwettelijk gegarandeerd en grondwetsherziening zou te lang duren.  Anderzijds heeft de raad de nodige bestuursbevoegdheden moeten afstaan aan het college. Hij zou wel ‘eindverantwoordelijk’ zijn – wat dat ook moge betekenen. In ieder geval heeft de raad wat controlerende en budgettaire bevoegdheden gekregen. Wethouders kunnen van buiten de raad worden benoemd. Zij kunnen geen lid meer zijn van de gemeenteraad. 
  • Wat wordt onder centralisatie verstaan?
    Onder centralisatie wordt verstaan dat het rijk de behartiging van taken en bevoegdheden van de decentrale overheden op zich neemt.
  • Wat wordt onder decentralisatie verstaan?
    Onder decentralisatie wordt verstaan het overdragen van taken en bevoegdheden aan de decentrale overheden.
  • De periode van koning Willem I was centraliserend. Weliswaar werd de Franse centralisatie ietwat ongedaan gemaakt (zo werd het onderscheid tussen steden en plattelandsgemeenten weer in ere hersteld), maar de koninklijke goedkeuring van de provinciale reglementen heeft uiteindelijk een sterk uniformerend effect op de lokale bestuursstructuur. Hoe regeert koning Willem I?
    • Koning Willem I regeert door het vaststellen van koninklijke besluiten. Zo had hij de nodige invloed op de infrastructuur (kanalen, wegen). In deze periode worden voorts belangen die privaat werden uitgevoerd steeds meer in publieke uitvoering gebracht. Te denken valt aan de armenzorg, vastgelegd in de Armenwet uit 1854, de volksgezondheid en het onderwijs. Vervolgens vergen deze publieke taken afstemming op centraal niveau. 
    • In de periode tot en rond 1900 wordt deze tendens sterker. Gemeenten nemen enerzijds in autonomie meer taken op zich, zoals riolering, stadsuitbreiding, havenwerken, openbaar vervoer, nutsbedrijven, etc., maar zij worden anderzijds in medebewind gedwongen mee te werken aan bijvoorbeeld de Hinderwet (1875), de Onderwijswet (1878), de Drankwet (1881) en de Woningwet (1901).
  • Hoe worden gemeenten vanaf omstreeks 1930 gezien?
    Vanaf omstreeks 1930 worden gemeenten meer en meer gezien als uitvoerders van centraal beleid, hetgeen leidt tot verdere centralisatie, waarbij het Rijk bepaalde belangen zelf ter hand neemt (de Warenwet), dan wel steeds meer in medebewind vordert (de Distributiewet, de Winkelsluitingswet). De voortschrijdende uitbouw van de sociale zekerheid en van de infrastructuur noodzaken tot verdere centralisatie. De komst van telecommunicatiemiddelen (telefoon, radio) en van de auto maakt het ook makkelijker om centraal beleid te voeren. Tegelijkertijd worden gemeenten voor hun financiën sterk meer afhankelijk van het Rijk: als gevolg van de Wet op de financiële verhoudingen (1929) kennen gemeenten voortaan het Gemeentefonds als belangrijkste inkomstenbron. Veel lokale belastingen worden afgeschaft.
  • Wat gebeurde er na de Tweede Wereldoorlog met de gemeentelijke belangen?
    • Na de Tweede Wereldoorlog zijn veel gemeentelijke belangen gecentraliseerd. Dat geldt vooral voor de belangen van sociale zekerheid, welzijn, woningbouw, ruimtelijke ordening, milieu. Daarbij spelen diverse factoren een rol. 
    • In de eerste plaats wordt een steeds groter beroep gedaan op maatschappelijke voorzieningen, in het bijzonder de sociale zekerheid. Deze opbouw van de sociale verzorgingsstaat zorgt voor een bureaucratisering op rijksniveau. 
    • Daarnaast wil het rijk in alle gemeenten een bepaald, kwalitatief voldoende voorzieningenniveau waarborgen. 
    • Verder doen burgers steeds meer een beroep op het gelijkheidsbeginsel, waardoor het Rijk een in alle gemeenten gelijk voorzieningenniveau wilde creëren. 
    • De bevolkingsgroei in die jaren noodzaakt verder tot coördinatie van ruimtelijk beleid. 
    De combinatie van deze factoren leidt ertoe dat veel belangen door het rijk worden overgenomen  en overigens dat gemeenten deze belangen in medebewind gedeeltelijk weer gaan behartigen.
  • Wat vindt er in de jaren '80 plaats?
    In de jaren ’80 vindt een kentering plaats; de rijksoverheid ontwikkelt beleid tot decentralisatie. Onderdeel van het beleid is:
    • het aantal gedeconcentreerde diensten sterk te reduceren,
    • vergroting van de financiële autonomie van decentrale overheden (onder meer door het aantal specifieke uitkeringen te beperken), 
    • de vaststelling van bestuursakkoorden waarin onder meer de beleidsterreinen van decentralisatie zijn genoemd, 
    • vermindering van bestuurlijk toezicht, etc. 
    Uiteindelijk krijgt het decentralisatiebeleid gestalte in onderwijshuisvesting, onderwijsachterstandenbeleid, de Welzijnswet, de Wet voorzieningen gehandicapten, de Wet maatschappelijke ondersteuning en de Wet werk en bijstand.
  • Wat constateert Raaijmakers over (de)centralisatie?
    Raaijmakers constateert onder meer dat de motieven van (de)centralisatie vaak in theorie nobeler zijn dan in de praktijk. Waar voor decentralisatie vaak argumenten als de gemeentelijke autonomie en betrokkenheid van burgers worden genoemd, toont Raijmakers aan dat het belangrijkste motief van decentralisatie toch echt de veronderstelling is, dat gemeenten doelmatiger bepaald beleid kunnen uitvoeren. De meer verheven motieven spelen dus nauwelijks een rol. Het motief van centralisatie blijkt in de praktijk de behoefte aan uniformering.
  • Het decentralisatiebeleid heeft een grote stimulans gekregen in 2015. Wat heeft toen plaatsgehad?
    Toen hebben drie grote decentralisaties in het sociaal domein plaatsgehad (ook wel bekend als de 3D’s). Als gevolg hiervan worden de gemeente belast met de uitvoering van de Jeugdwet, de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) 2015 en de Participatiewet. De omvang van deze decentralisaties zijn ongekend. Ter illustratie: de algemene uitkering uit het Gemeentefonds, om deze nieuwe gemeentelijke taken te financieren, neemt met een derde toe. Niet alleen is er sprake van decentralisatie, de betreffende wetten verlenen gemeenten veel beleidsvrijheid.
  • Wat is het gevolg van deze decentralisaties?
    Het gevolg van deze decentralisaties is dat gemeenten het welzijnsbeleid in vergaande mate zelf vorm mogen geven. De gemeente is immers, zo was de gedachte van de wetgever, de bestuurslaag die het dichtst bij de burger staat en om die reden het meest geschikt is om aan deze welzijnstaken vorm te geven. Zij kan het beste inspelen op individuele behoeftes van burgers (het verlenen van ‘maatwerk’). Om die reden wordt ook wel gesproken over de ‘lokale verzorgingsstaat’.
  • Wat betekenen de decentralisaties voor de verschillen tussen gemeenten?
    • Deze decentralisaties betekenen dat de verschillen tussen gemeenten aanmerkelijk kunnen toenemen, nota bene op een voor de burger belangrijk beleidsterrein. Dat is weliswaar het wezen van decentralisatie, staatsrechtelijke grenzen liggen in het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur.
    • Gemeentebesturen moeten duidelijk uitleggen waarom zij bepaalde keuzes maken, niet alleen met betrekking tot het beleid dat zij voeren (waarmee zij de verschillen met andere gemeenten verklaren), maar ook op casusniveau, dat wil zeggen in de concrete besluiten die zijn nemen (waarmee zij de verschillen tussen de burgers binnen de gemeente verklaren). 
    • Het gemeentelijk welzijnsbeleid en de daarop gebaseerde besluiten moeten, kortom, duidelijk en navolgbaar zijn. 
    • Daarnaast moeten gemeenten vanzelfsprekend voldoen aan bepaalde minimumnormen. De gemeente moet, met andere woorden, bepaalde basisvoorzieningen (denk aan thuiszorg) kunnen garanderen.
  • Wat is een tweede gevolg van de decentralisaties?
    Een tweede gevolg is de noodzaak tot gemeentelijke samenwerking in gemeenschappelijke regelingen. Dat geldt zeker voor kleine gemeenten, voor wie deze decentralisaties aan aanzienlijke verzwaring van het takenpakket betekent. Het aantal gemeenschappelijke regelingen zal door deze decentralisaties aanzienlijk toenemen, maar daardoor worden nadelen als het gebrek aan democratische legitimatie controle en de onoverzichtelijke lappendeken van samenwerkingsverbanden steeds urgenter.
  • De decentralisaties in het sociaal domein kennen meer knelpunten. Welke?
    • de gebrekkige en gefragmenteerde rechtsbescherming van de burger, 
    • de privaatrechtelijke uitvoering van de publieke taken en 
    • de daaruit voortvloeiende kluwen van verantwoordelijkheden (bestuursorgaan-private zorgaanbieder-burger). 
  • De knelpunten nemen niet weg dat de decentralisaties in het sociaal domein (eindelijk en daadwerkelijk) uitvoering geven aan het lange tijd voorgenomen decentralisatiestreven. Leg uit. 
    • Gemeenten zijn voor burgers de dichtstbijzijnde overheid en beter dan andere overheden in staat maatwerk te bieden voor burgers. 
    • Principiëler (en politieker) is het argument dat de decentralisaties recht doen aan art. 117 Gemeentewet en aan het subsidiariteitsbeginsel dat aan de inrichting van de staat ten grondslag ligt (althans, zou moeten liggen). 
    • Dat de decentralisaties in het sociaal domein gepaard gaan met een bezuinigingsoperatie, is overigens, zacht gezegd, weinig gelukkig. De indruk is ontstaan dat niet het subsidiariteitsbeginsel leidend was, maar veeleer de voorgenomen kostenbesparing. 
  • De decentralisaties in het sociaal domein worden in (vermoedelijk 2021) gevolgd door de decentralisatie in het fysieke domein. Welke wet treedt dan naar verwachting in werking?
    Dan zal, naar verwachting, de Omgevingswet in werking treden. De wet beoogt te bewerkstelligen dat afwegingen omtrent de fysieke leefomgeving (ruimtelijke ordening, natuur, bodem, lucht, geluid) vooral op gemeentelijk niveau worden gemaakt. De beleidsvrijheid van gemeenten wordt daarom groter, met dien verstande dat de Omgevingswet ook voorziet in allerlei bevoegdheden van het Rijk en de provincies om het gemeentelijke beleid te sturen. Dat wordt de complementaire taakbehartiging genoemd.
  • In welk artikel van de Omgevingswet is het subsidiariteitsbeginsel vastgelegd, dat in casu inhoudt dat de uitoefening van taken en bevoegdheden in beginsel bij gemeenten ligt?
    • Dat  is uitdrukkelijk vastgelegd in art. 2.3, eerste lid, Omgevingswet. 
    • Daarbij blijft het niet: art. 2.3, tweede lid, Omgevingswet bepaalt dat – kort weergegeven – het provinciebestuur een taak of bevoegdheid alleen uitoefent, als dat bij de regeling daarvan is bepaald, 
      • a. met het oog op een provinciaal belang en dat belang niet op een doelmatige en doeltreffende wijze door het gemeentebestuur kan worden behartigd, of 
      • b. voor een doelmatige en doeltreffende uitoefening van de taken en bevoegdheden op grond van de Omgevingswet dan wel van een internationaalrechtelijke verplichting. 
    • Art. 2.3, derde lid, Omgevingswet is eenzelfde bepaling ter zake van de rijksoverheid. 
    • Art. 2.3 Omgevingswet sluit daarmee aan bij art. 117, eerste en tweede lid, Gemeentewet. 
    • Daarbij blijft het niet: art. 2.3, tweede lid, Omgevingswet bepaalt dat – kort weergegeven – het provinciebestuur een taak of bevoegdheid alleen uitoefent, als dat bij de regeling daarvan is bepaald, 
      • a. met het oog op een provinciaal belang en dat belang niet op een doelmatige en doeltreffende wijze door het gemeentebestuur kan worden behartigd, of 
      • b. voor een doelmatige en doeltreffende uitoefening van de taken en bevoegdheden op grond van de Omgevingswet dan wel van een internationaalrechtelijke verplichting. 
    • Art. 2.3, derde lid, Omgevingswet is eenzelfde bepaling ter zake van de rijksoverheid. Art. 2.3 Omgevingswet sluit daarmee aan bij art. 117, eerste en tweede lid, Gemeentewet.  
  • Waarop duidt de zinsnede ‘als dat bij de regeling daarvan is bepaald’? 
    • De zinsnede ‘als dat bij de regeling daarvan is bepaald’ duidt erop dat de Omgevingswet zelf regelt voor welke onderwerpen het subsidiariteitsbeginsel geldt. Dat is onder meer voor de vraag of een activiteit omgevingsvergunningplichtig is en welk bestuursorgaan de vergunning verleent, voor het vaststellen van omgevingswaarden en van algemene regels over activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving, etc.
    • Het provinciale- of rijksbestuursorgaan moet bij de uitoefening van deze bevoegdheden motiveren of een provinciaal- of rijksbelang in het geding is. 
    • In hoeverre gemeenten met succes bij de rechter kunnen opkomen tegen ongewenste inmenging van de provincie of het Rijk, valt echter te betwijfelen.
      
  • Op het decentralisatiebeleid bestaat de nodige kritiek. Veelal betreft het dan niet decentralisaties waardoor gemeenten in autonomie bepaalde belangen mogen behartigen, maar waarvan het de uitoefening van bevoegdheden in medebewind betreft. Waarom?
    Het rijk stelt dan nog steeds de formeel-wettelijke kaders en geeft gemeenten de ene keer veel beleidsvrijheid, maar de andere keer niet. Het is dan de vraag of er bij attributie van bevoegdheden in medebewind wel effectief sprake is van decentralisatie. Dat geldt zeker voor decentralisaties waarbij de decentrale overheden niet meer dan uitvoerders van rijksbeleid zijn. 
  • Daarnaast is het decentralisatiebeleid vaak gebruikt om bezuinigingen door te voeren. Dat was onder meer het geval bij de decentralisaties in het sociaal domein. Leg uit. 
    Het argument dat gemeenten beter kunnen inspelen op lokale behoeften, gaat dan vaak gepaard met specifieke uitkeringen of met een toevoeging van een bedrag aan de algemene uitkering, dat aanzienlijk kleiner is dan het budget waarmee het rijk of de provincie deze belangen behartigden. De nieuwe, gedecentraliseerde bevoegdheden die de decentrale overheden hebben verkregen, worden dan snel een financiële zorg. Ook deze zorg beperkt de beleidsvrijheid van gemeenten helemaal.
  • De Staatscommissie parlementair stelsel heeft het voorstel voor een Wet op de decentralisaties gedaan. Deze wet zou een aantal aspecten van het decentralisatiebeleid moeten codificeren, zoals ‘het financieringsregime, een adequaat nalevingstoezicht en gepaste regelgeving’. Wat wordt daarmee bedoeld?
    • Het wordt uit het rapport niet duidelijk wat de staatscommissie daarmee precies bedoeld. Dat het rijk de kosten van decentralisaties, althans in medebewind, moet vergoeden, volgt reeds uit art. 108, derde lid, Gemeentewet. 
    • In een adequaat nalevingstoezicht is eveneens voorzien, althans als het wederom medebewind betreft, namelijk in de taakverwaarlozingsregeling van art. 124 e.v. Gemeentewet. 
    • Dat de decentralisatie moet zijn vervat in gepaste regelgeving, lijkt mij evident.
  • Daarnaast merkt de Staatscommissie op dat het bij decentralisatieoperaties van belang is ‘dat de rijksoverheid rekening houdt met de bestuurskracht van overheden bij wie de taken en verantwoordelijkheden worden belegd’. Wanneer zij weet dat het bestaande instrumentarium van decentrale overheden tekortschiet, moeten zij eerst de beschikking krijgen over deze instrumenten, voordat zij tot decentralisatie overgaat. Ten slotte merkt zij op dat recentralisatie – het ongedaan maken van een decentralisatie – ook tot de expliciete mogelijkheden van het decentralisatiebeleid moet behoren. 


    • Waarom zijn de aanbevelingen van de staatscommissie te beschouwen als een open deur?
    Het spreekt voor zich dat lokale overheden voldoende middelen (bevoegdheden én financiën) moeten hebben om gedecentraliseerde taken uit te voeren. Het is maar de vraag of een uitgebreide formeel-wettelijke decentralisatieregeling zinvol is. 
    • In de eerste plaats is, zoals gezegd, de verplichting voor voldoende financiën al wettelijk geregeld. 
    • In de tweede plaats zal de wet in formele zin, die een concrete decentralisatie regelt, kunnen afwijken van een algemene decentralisatiewet. 
    • Net zoals de financiële verplichting van art. 108, derde lid, Gemeentewet of de algemene decentralisatie-bepaling van art. 117 Gemeentewet zullen algemene wettelijke bepalingen over decentralisatie niet meer zijn dan instructienorm, ofwel een intentieverklaring.
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.