Samenvatting Goederenrecht

-
ISBN-10 9013143873 ISBN-13 9789013143874
316 Flashcards en notities
1 Studenten
  • Deze samenvattingen

  • +380.000 andere samenvattingen

  • Een unieke studietool

  • Een oefentool voor deze samenvatting

  • Studiecoaching met filmpjes

Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.

Samenvatting 1:

  • Goederenrecht
  • W H M Reehuis A H T Heisterkamp
  • 9789013143874 of 9013143873
  • 2019

Samenvatting - Goederenrecht

  • 1 Algemene inleiding

  • Wat is het standaard format voor beantwoording van een tentamenvraag:
    1. Welke juridische vraag dient er te worden beantwoord?
    2. Welke deelvragen zijn er om tot beantwoording van de juridische vraag te komen?
    3. Werk elke deelvraag uit aan de hand van relevante wetsartikelen en jurisprudentie.
    4. Formuleer het antwoord op de hoofdvraag in een conclusie.
  • Wat is de belangrijkste les van het Arrest-Quint/Te Poel?
    Belangrijkste les is dat niet alles in de wet staat (bv wijzen van verlies) en dat je dat kan 'oplossen' door een systematiek te zoeken die aansluit bij de wel in de wet geregelde gevallen.
  • Waarom wordt bij het omschrijven van het Beperkte Recht de term ‘waarop’ gebruikt?
    Omdat het beperkte recht gevestigd wordt op een bepaald goed. Het beperkte recht blijft ook rusten op dat goed ook al wordt het goed door de gerechtigde overgedragen aan een ander. Een beperkt recht volgt dus de zaak, vandaar het zaaksgevolg.
  • 1.1 Goederenrecht

  • Wat is het goederenrecht?
    Goederenrecht is het deel van het objectieve recht dat de verhouding van een persoon ten opzichte van een goed regelt.
  • Op welke 2 manieren kan een persoon een verhouding tot een goed hebben?
    1. Feitelijke verhouding tot een goed: in goederenrecht zijn bezit en houderschap (art. 3:107 e.v.)  de belangrijkste feitelijke verhoudingen.
    1. Juridische verhouding tot een goed: een dergelijke verhouding kan 2 vormen aannemen:
      1. verbintenisrechtelijk: een persoon heeft een recht met betrekking tot een goed. Voorbeelden: recht op levering, huurrecht etc.
      2. goederenrechtelijk: een persoon heeft een goederenrechtelijk recht op een goed. Voorbeelden: eigendomsrecht, beperkte rechten etc.
  • 1.2 Vermogen

  • Hoe definieer je vermogen in privaatrechtelijke zin?
    Iemands op geld waardeerbare rechten en plichten.
  • 1.3 Goederen (art. 3:1)

  • Wat zijn de voornaamste actieve bestanddelen van iemands vermogen?
    Dat zijn goederen.
  • Waaruit bestaat het verzamelbegrip goederen volgens de Wet?
    Alle zaken en alle vermogensrechten, 3:1
  • 1.4 Zaken (art. 3:2)

  • Hoe worden zaken gedefinieerd in de wet?
    Voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke objecten, 3:2
  • 1.5 Vermogensrechten; goodwill (art. 3:6)

  • Noem 6 kenmerken van vermogensrechten?
    1. Rechten die afzonderlijk overdraagbaar zijn; of
    2. rechten die tezamen met een ander recht overdraagbaar zijn; of
    3. rechten die ertoe strekken de rechthebbende stoffelijk voordeel te verschaffen; of
    4. rechten die verkregen zijn in ruil voor stoffelijk voordeel; of
    5. rechten die verkregen zijn in ruil voor in het vooruitzicht gesteld stoffelijk voordeel.

    Zie art. 3:6
  • Noem enkele voorbeelden van vermogensrechten!
    Rechten op zaken zoals:
    • erfpacht
    • rechten op bv erfpacht, bv hypotheek op een erfpachtrecht
    • rechten op prestaties, bv vorderingen om te doen of na te laten
    • rechten op bv vorderingen, bv vruchtgebruik op een vordering
  • 1.6 Onroerende en roerende zaken (art. 3:3)


  • 3-stappenplan om te bepalen of iets een onroerend goed is aan de hand van 5:20 lid 1 sub e.
    1. Gaat het om een gebouw of werk?

    2. Zo ja, is het gebouw of werk naar verkeersopvatting verenigd met de grond (deze stap volgt uit het arrest-Woonark en arrest-Havenkraan)? Hierop zijn drie mogelijke antwoorden:
    1. niet verenigd met de grond;
    2. directe vereniging met de grond;
    3. indirecte vereniging met de grond via andere gebouwen en werken.

    3. Als er sprake is van vereniging dan moet bepaald worden of het gaat om duurzame vereniging met de grond.
    • Dit wordt bepaald met het bestemmingscriterium: is het gebouw of werk naar aard en inrichting bestemd om duurzaam ter plaatse te blijven? Doorslaggevend hierbij zijn de bedoelingen van de bouwer voor zover naar buiten toe kenbaar. Dit bestemmingscriterium volgt uit het Arrest-Portacabin (1997).
  • Arrest-Portacabin (1997)
    Art 3:3 lid 1 jo 5:20 sub e
    Duurzaam met de grond verbonden, verkeersopvattingen
    Casus:
    bedrijf gevestigd in portocabin, hypotheekrecht aan Rabo verstrekt. Rabo wil uitwinnen, Gemeente had beslag gelegd op roerende zaken. De portocabin wordt door hof en HR als onroerend aangemerkt.
    Welke maatstaf moet worden gebruikt bij de beoordeling of een gebouw duurzaam met de grond is verbonden?
    Als het naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven: bestemmingcriterium.
    Bij beantwoording van de hierboven genoemde vraag moet worden gelet op de bedoeling van de bouwer. Minder van belang is of het nog technisch mogelijk is om het geval te verplaatsen. De duurzaamheid van de bestemming dient naar buiten kenbaar te zijn.
    Verkeersopvattingen kunnen niet als zelfstandige maatstaf worden gebruikt om te bepalen of gebouw roerend of onroerend is, maar kunnen in aanmerking worden genomen bij onzekerheid over de vraag of een gebouw duurzaam met de grond verbonden is.

    De technische mogelijkheid om het bouwsel te verplaatsen is niet van belang.
  • In hoeverre speelt de verkeersopvatting een rol bij het bepalen van de vraag of een gebouw of werk duurzaam met de grond verenigd is?
    De verkeersopvatting kan als een hulpbron gebruikt worden door de rechter maar is geen zelfstandige beoordelingsmaatstaf.
  • Door welke twee arresten wordt het Arrest-Portacabin aangevuld en wat is deze aanvulling?
    Door het Arrest-Havenkraan en Arrest-Woonark. UIt deze twee arresten blijkt dat alleen de bestemming om duurzaam ter plaatse te blijven alleen niet voldoende is: er moet ook sprake zijn van ‘vereniging’ met de grond.
  • Welke twee wegen/manieren (twee-wegenleer) zijn er om te bepalen of een grond of werk verenigd is met de grond en dus onroerend is?
    1. Via 3:4 bestanddeel-vorming (‘natrekking’ door zaakseenheid)
    1. een onderdeel van het gebouw is bestanddeel van het gebouw en daarmee direct duurzaam verenigd met het gebouw en gaat daarmee op in de eigendom van de grond.
    2. strikte toets, volgend ook uit Depex/Curatoren.

    2. Via 3:3 jo.  5:20 lid 1 sub e (natrekking door de grond)
    1. een gebouw of werk is bestemd om duurzaam ter plaatse te blijven en is daarmee indirect duurzaam verenigd met het gebouw en daarmee met de grond.
    2. makkelijkere toets door bestemmingscriterium, volgt uit Portcabin.
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Samenvatting 2:

  • Goederenrecht.
  • W H M Reehuis
  • 9789013026160 of 9013026168
  • 12de, herziene en aangevulde druk

Samenvatting - Goederenrecht.

  • 1 Algemene inleiding

  • J en A spreken af dat J de parkeerplaats van A mag gebruiken. A verkoopt zijn huis en de parkeergarage aan L. J wil zijn auto in garage van L parkeren. Wat is de Juridische kwalificatie van de afspraak tussen J en A?

    J heeft een relatief recht (verbintenissenrecht): recht die slechts tussen een bepaald aantal mensen gelden.blaauboer-berlips

  • J en A spreken af dat J de parkeerplaats van A mag gebruiken. A verkoopt zijn huis en de parkeergarage aan L. J wil zijn auto in garage van L parkeren. Waarom J noch van L, noch van A kan eisen dat hij de parkeergarage mag blijven gebruiken?

    A verkoopt zijn huis en de parkeergarage aan L. Nakoming is onmogelijk. L is nieuwe eigenaar. J kan een schadevergoeding vanwege tekortkoming in de nakoming (6:74) vorderen.

  • J en A spreken af dat J de parkeerplaats van A mag gebruiken. A verkoopt zijn huis en de parkeergarage aan L. J wil zijn auto in garage van L parkeren. Waarom had J sterker gestaan als hij een goederenrechtelijk recht bij A had bedongen?

    Immers zou J dan zijn verworven rechten tegenover een ieder (dus ook tegenover A en L) kunnen inroepen.

  • A overdraagt  zijn landerijen aan B. Bij de overdracht bedingt A een erfdienstbaarheid omdat hij zich ervan wil verzekeren dat B en zijn rechtsopvolgers noch zijn uitzicht noch zijn rust zullen verstoren.

    Hoe beoordeelt u de rechtsgeldigheid van deze erfdienstbaarheid?

    1. Het de eigenaar van het grasveld verboden is feesten op het terrein te organiseren
    2. de eigenaar van het grasveld gehouden is ieder 4 weken (met uitzondering van de wintermanden) het grasveld te maaien.

    1 Het verbood om feesten te organiseren betreft het "niet te doen"' van iets

     

    Dit kan, gezien art. 5:71 lid 1 BW rechtsgeldig bedongen worden.

     

     

     

    2  art. 5:71 lid 2 BW bepaalt dat de last van een erfdienstbaarheid ook een

     

     

     

    onderhoudsverplichting (i.c. het maandelijks maaien van het gras) met zich

     

     

     

    mee kan brengen. of is het  noodzakelijke verplichting  voor de goede

     

     

     

    uitvoering van de erfdienstbaarheid? Dit neemt niet weg dat een

     

     

     

    onderhoudsplicht wel wettelijk toegestaan is in geval van een

     

     

     

    erfdienstbaarheid.

     

     

     

  • Kenny bouwt in de tuin van R een houten botenhuis en koopt een boottrailer op wielen die hij in de tuin neerzet.

    Wie is eigenaar van het

    a  botenhuis

    b bootrailer

    1a Botenhuis is onroerend volgens art 3:3. Onroerend zijn gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd 

    1b Roerend zijn alle zaken die niet onroerend zijn. Bootrailer is een roerend zaak.

  • Joe heeft een speedboot. Tommy heeft een motor. Tommy en Joe monteren gezamenlijk de motor op de boot. Wie is hiervan de goederenrechtelijke consequentie?

    Wordt een van beide zaken bestanddeel?

    Ja  motor.

    Is er sprake van novum?

    Nee, 5:14, 5:15

    Is er een hoofdzaak? Volgens waardeverhouding boot

    Eigenaar Tommy hoofdzaak (boot) wordt eigenaar nieuwe zaak(boot met motor).

  • Merel heeft de opdracht aan een kunstenaar Frederik   om metalen platen en houten planken uit zijn atelier een moderne nieuwe dossierkast voor haar te maken. Als de kast klaar is, besluit Frederik de kast zelf te houden.Hij is eigenaar van de kast is geworden doordat hij hem heeft gebouwd van materialen die hem toebehoren.

    Wordt een van beide zaken bestanddeel? Ja , materialen

    Is er sprake van novum?

    Ja, een nieuwe kast

    Heeft de zaakvormer voor zichzelf gevormd tegen niet geringe kosten?

    Nee, in opdracht van Merel

    5:14, 5:15

     Is er een hoofdzaak? (volgens verkeersopvatting of waardeverhouding?

    Eigenaar van de oorspronkelijke zaken wordt eigenaar.

  • A leent aan hem toebehorende drachtige merrie uit aan B. De merrie bevalt in de stal van B. Wie is eigenaar van het veulen?

    1) A

    2)B

    3) Beiden: ze zijn mede eigenaar geworden.

    1) A

  • Op het grond van D is het recht van opstal gevestigd van J.

    J heeft op die grond een stal gebouwd voor zijn ezel Cor.

    Het recht van opstal is teniet gegaan. Wie is eigenaar van de stal en Cor?

    a)D is eigenaar van de stal, maar niet van Cor

    b) D is eigenaar van de stal en van Cor

    c) J is eigenaar van de stal en van Cor

    a) D is eigenaar van de stal, maar niet van Cor

  • Welk van de onderstaande rechten is altijd een afhankelijk recht en kan worden gevestigd op een onroerende zaak?

    1) vruchtgebruik

    2) erfdienstbaarheid

    3) opstal

    2)erfd-d

  • 1.1 ÒefenMC opdracht

  • w1 Opdracht beslag: M maakt in opdracht van K een bronzen beeld.

    M gebruikt voor beeld brons dat toebehoort aan M en F.De totsandkoming van het beeld neemt enkele weken in beslag.

    Wie is / zijn na de totstandkoming van het beeld eigenaar van het kunstwerk?

    1  M

    2 M en F

    3 K

    3k

  • 1.1.1 Oefen MC mede-eigenaar

  • A en B kopen samen een auto. de auto wordt aan hen beiden geleverd, waardoor A en B mede-eigenaar worden.

    A en B gaan uit elkaar. A verkoopt zijn aandeel in de auto en levert aan Betty`s nieuwe partner.

    De auto staat op dat moment bij de garage voor een grote beurt.

    Kan A zijn aandeel verkopen en leveren?

     

    2Ja, zowel de verkoop als de  levering zijn mogelijk.

  • 1.1.1.1 Oefen MC roerende/onroerende

  • Telecommaatschappij NPK legt een glasvezelnetwerk aan. Huiseigenaar G heeft NPK contractueel toestemming verleen om onder zijn perceel de benodigde kabel te trekken.

    Het perceel was reeds voordien belast met een hypotheekrecht van de B-bank. Na de aanleg van het netwerk stelt de B-Bank dat haar hypotheekrecht zich ook uitstrekt over de glas vezelkabel die onder het perceel van Gehrels ligt.

    Welk van de volgende alternatieven is juist?

     

    2 De kabel is weliswaar onroerend geworden maar eigendom gebleven van npk, zodat deze niet onder het hypotheekrecht van de b-bank valt

Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.