Samenvatting Handboek groepsdynamica

-
ISBN-10 9024402328 ISBN-13 9789024402328
3543 Flashcards en notities
151 Studenten
  • Deze samenvatting

  • +380.000 andere samenvattingen

  • Een unieke studietool

  • Een oefentool voor deze samenvatting

  • Studiecoaching met filmpjes

Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.

Dit is de samenvatting van het boek "Handboek groepsdynamica". De auteur(s) van het boek is/zijn Jan Remmerswaal. Het ISBN van dit boek is 9789024402328 of 9024402328. Deze samenvatting is geschreven door studenten die effectief studeren met de studietool van Study Smart With Chris.

PREMIUM samenvattingen zijn gecontroleerd op kwaliteit en speciaal geselecteerd om je leerdoelen nog sneller te kunnen bereiken!

Samenvatting - Handboek groepsdynamica

  • 1 Groepsdynamica tussen psychologie en sociologie + 3 Definitie van groepen en soorten groepen

  • Wat is groepsdynamica?
  • Groepsdynamica is de brugfunctie tussen:
    psychologie en de sociologie
  • Groepsdynamica is de jonge tak in de wetenschap:
  • De 2 belangrijkste begrippen voor groepsdynamica zijn:
    taak en proces
  • Het individu is door groepen gebonden aan:
    maatschappij en cultuur (en omgekeerd)
  • Weerstanden tegen groepsdynamica:
    het groepsdynamisch denken
  • Individualistisch denken over leiderschap:
    gericht op opsporen van effectieve leiders
  • Neiging tot narcisme:
    Zichzelf als individu centraal stellen
  • Antropocentrisme:
    de mens in het middelpunt van bestaan
  • Gebrek aan aandacht voor de context:
    zelfervaring door groepen van nu en vroeger
  • Spanning tussen individu en de groep:
    Groepen kunnen volgens de schrijver inderdaad een bedreiging vormen voor de individuele vrijheid en autonomie. bijv groepsdruk
  • Gevaar van kleine groepen:
    Weerstanden vanuit grote collectieve organisaties (bijv. kerk, de staat, het leger). zowel voor deze organisaties als voor de maatschappij kunnen kleine groepen een potentieel gevaar zijn.
  • Groepen als vanzelfsprekend:
    bepaalde vormen van leven in groepen werden als zo vanzelfsprekend gezien dat men zich er niet bewust van was wat een groep is. (bijv. zuilen)
  • De brugfunctie van groepsdynamica is niet mogelijk als:
    de homo clausus (de gesloten persoonlijkheid)
  • De homo clausus (de gesloten persoonlijkheid):
    dat de mens autonoom is, onafhankelijk van anderen handelende en 'existerende' mens.
  • De brugfunctie is niet mogelijk als we:
    blijven uitgaan van het mensbeeld als homo clausus en we dus het individu en maatschappij als aparte dingen zien
  • Ik-cultuur:
    de nadruk op het individu, ontwikkeling en zelf ontplooiing staan cnetraal.
  • De wij-cultuur:
    waarden als respect, plicht, eergevoel en beleefdheid staan centraal
  • Open mensbeeld:
    het idee dat het individu en de maatschappij twee entiteiten zijn
  • Elias pleit voor de mens als open persoonlijkheid:
    die voor de duur van zijn leven vooral op andere mensen is afgestemd. de open mens is aangewezen in zijn verhouding tot andere mensen, maar bezit ook een bepaalde mate van relatieve autonomie
  • Hofstede heeft een:
    cultuurmodel uitgebracht om culturen met elkaar te vergelijken
  • Machtafstand:
    veel of weinig afstand tussen rijk en arm. Nederland scoort laag, arabische landen scoren hoog
  • Individualisme versus collectivisme:
    Een land is individualistisch als de ik-cultuur centraal staat. America scoort hoog, Een land waar collectiviteit hoog scoort is bijv indonesië denk aan georgie, indo cultuur
  • Masculiniteit versus feminiteit:
    De masculiene samenleving hecht grote waarde aan traditionele mannelijke en vrouwelijke kwaliteiten. Maculiene land is Japan. Een samenleving is feminien als de emotionele sekserollen gelijk zijn/ overeenkomen. Bijv Nederland
  • Onzekerheidsvermijding:
    de mate waarin leven van een cultuur zich bedreigd voelen door onzekere of onbekende situaties. In zulke samenleving probeert men dit te vermijden door wetgeving en instanties. Japan en België scoren hoog. Engeland scoort laag
  • Lange- of kortetermijngerichtheid:
    Hier hoort het nastreven van deugden die ooit in de toekomst beloond gaan worden. Vooruit denken, sparen en volharding horen hierbij. Nederland en Duitsland scoren hoog. Ontwikkelingslanden zijn bijv. vaak korte termijngericht.
  • Hedonisme versus soberheid:
    hedonisme is een samenleving waar men vrolijk en uitbundig zijn, bijv. antillen, zuid Amerika. Soberheid zijn bijv. landen uit Oost-Europa en Noordwest-Europa, noorwegen etc.
  • In het algemeen zijn de grootste verschillen in het individu:
    rationaliteit en emotionaliteit
  • Rationaliteit:
    verstand
  • Emotionaliteit:
    Gevoel
  • Vaak worden mannen in het gebied van:
    rationeel geplaatst
  • Vaak worden vrouwen in het gebied van:
    emotioneel geplaatst
  • Primaire groepen (informeel)
    zijn persoonlijk en intieme relaties in directe contactsituaties, denk aan vrienden groepen. Dit is afhankelijk van je sociale klasse.
  • Secundaire groepen (formeel)
    worden gekenmerkt door koele, onpersoonlijke en vooral formele relaties. Bijv. werkgroepen, stamgroepen, werksituaties. Dit wordt bepaald door de instantie of organisatie waar je werkt.
  • De kracht van groepen:
    steun aan elkaar, verbindend, gezamenlijk doel, gedeelte verantwoordelijkheid, kans om nieuwe mensen te leren kennen, bewustwording eigen identiteit, inspiratie krijgen, erkenning en waardering krijgen etc.
  • Kenmerken van de groep:
    We spreken van een groep als 2 of meer personen met elkaar in interactie gaan, waarbij elk persoon van invloed is op en beïnvloed wordt door elke andere persoon in de groep
  • Directe contactsituatie, Sprott definieert groepsdynamica als volgt:
    groepsdynamica is de studie van groepen mensen in een directe contactsituatie (face-to-face-relationship). Hij noemt de groep een verzameling van individuen die in een bepaalde context meer interactie met elkaar hebben dan met anderen daarbuiten.
  • Interactie en context zijn volgens hem:
    kernelementen
  • Groepsbewustzijn:
    Alle groepsleden zijn zich bewust van hun lidmaatschap. Een groep wordt dan gezien als aantal mensen die zichzelf als eenheid waarneemt en die de macht heeft om gezamenlijk tegenover de omgeving te handelen.
  • Groepsaspecten Shaw (1971), motivatie:
    Als een groep er niet in slaagt om te voldoen aan de behoeften of verlangen van haar leden dan kan het voortbestaan van de groep uiteen vallen. Dus het groepslidmaatschap moet belonend zijn of een beloning inhouden.
  • Groepsaspecten Shaw (1971), doelstelling:
    Individuen worden lid van een groep om een gemeenschappelijk doel te bereiken (freeman 1936). In het kort betekent dit dat en het bereiken van een doelstelling een positieve ervaring oplevert.
  • Groepsaspecten Shaw (1971), Structuur:
    groepsleden staan ten opzichte van elkaar in bepaalde- en statusrelaties en hebben een reeks groepswaarden en groepsnormen, waarmee het gedrag van individuele leden gereguleerd wordt in zaken die belangrijk voor de groep
  • Groepsaspecten Shaw (1971), Interdependentie:
  • Groepsaspecten Shaw (1971), interactie:
    belangrijk si dat de groep klein genoeg is om elk individu ervan in staat te stellen rechtstreeks zonder tussenkomst van derden met elk ander individu uit de groep in relatie te treden. Letterlijk betekent het communicatie over en weer. Je hebt non verbale en verbale communicatie.
  • Welke kenmerken zijn signalen van ontwikkeling komende groepsstructuur volgens van Hare:
    Interactie, gezamenlijk doel, normen, rollen en een netwerk van interpersoonlijke attracties.
  • Primaire en:
    secundaire groepen
  • Sociogroups en:
    psychegroups
  • formele en:
    informele groepen
  • Lidmaatschap en:
    Referentiegroepen
  • Ingroups en:
    outgroups
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Laatst toegevoegde flashcards

Welke zeven krachten van groepen zijn er(Goosens, 2001)?
  1. Groepen bieden een veilig leerklimaat
  2. Groepen bieden aan deelnemers veel mogelijkheden om van elkaar te leren door middel van feedback, ervaringen, informatie en interactie
  3. Groepen ondersteunen mensen bij pogingen hun isolement te doorbreken
  4. Groepen helpen deelnemers om herkenning en erkenning te vinden voor de eigen problematiek
  5. Groepen spreken deelnemers aan op verscheidene rollen, want in groepen kunnen deelnemers zowel geholpene als helper zijn
  6. Van het werken met groepen kan een belangrijke preventieve werking uitgaan
  7. Groepen zijn ook uitermate geschikt voor informatieoverdracht
Welke vier kenmerken worden volgens Hare (1976) zichtbaar wanneer een groep wordt?
Volgens Hare (1976) moet er eerst sprake zijn van enige interactie voordat een groep ontstaat. Hierna worden de volgende kenmerken zichtbaar:
  1. De leden delen één of enkele motieven of doelen die richting geven aan een groep.
  2. De leden ontwikkelen een reeks van normen die grenzen aan geeft.
  3. Bij langer durende interactie kristalliseert zich een reeks rollen uit en gaat de nieuwe groep zich onderscheiden van andere groepen.
  4. Er ontstaat een netwerk van interpersoonlijke attracties op basis van sympathien en antipathien voor elkaar.
Welke vijf groepsaspecten beschrijft Shaw (1971)?
  • Motivatie
  • Doelstelling
  • Structuur
  • Independentie
  • Interactie
Wat zijn de zeven stijlen van conflict hantering?
  1. Vermijding (conflicten worden ontkent of verdoezeld)
  2. Eliminatie (oppositie wordt gekwetst, waardoor zij de groep zelf verlaat)
  3. Onderdrukking (meerderheid dwingt minderheid tot gehoorzaamheid)
  4. Instemming (meerderheid bepaalt, maar de minderheid lijdt daar niet onder)
  5. Coalitievorming (conflict wordt in ijskast gezet ten gunste van het doel)
  6. Compromis (elke partij doet concessies)
  7. Integratie (groep werkt aan oplossing die voor iedereen bevredigend is)
Leg het plaatje uit (BOB-model)
Leg het plaatje uit
Wat zijn de vijf stappen van effectieve besluitvorming?
1.Nauwkeurige probleemdefiniëring (beeldvorming)
  • a.     Vermijden: dit altijd door dezelfde persoon laten doen
  • b.     Valkuilen: te snel aannemen dat een probleemstelling duidelijk is
  • c.      Hulpmiddelen: gezamenlijke discussie



2.Verschillende oplossingen voorstellen
  • a.     Vermijden: uitwerken aspecten van één mogelijke oplossing
  • b.     Valkuilen: gebrek aan ervaring, ongunstige groepsgrootte
  • c.      Hulpmiddelen: brainstorming, klimaat van vrije meningsuiting, ingelaste stiltes



3.De voorgestelde oplossingen bekijken en toetsen (oordeelsvorming)
  • a.     Vermijden: tijdsdruk of slecht leiderschap de voorstellen niet kritisch getoetst
  • b.     Valkuilen: voortijdige stemming
  • c.      Hulpmiddelen: open gespreksklimaat, kernachtig samenvatten voorstellen en ordenen naar kwaliteit



4.Eén oplossing kiezen (besluitvorming)
  • a.     Vermijden: alle ‘alsen’ en ‘maren’ blijven herhalen
  • b.     Valkuilen: onvoldoende oordeelsvorming, geen check voor voldoende overeenstemming
  • c.      Hulpmiddelen: open gespreksklimaat, agendering van bijeenkomsten, checken van de overeenstemming bv door opiniepeilingen



5.Planning en uitvoering
  • a.     Vermijden: plotseling durft niemand meer verantwoordelijkheid te nemen
  • b.     Valkuilen: onduidelijk wie voor welk onderdeel verantwoordelijk is; alle verantwoordelijkheid voor de uitvoering op één groepslid schuiven
  • c.      Hulpmiddelen: feedback, commentaar van observatoren, evaluatie proces
Welke vormen van besluitvorming werken wel?
1.Zichzelf dit recht toeschrijven: beslissingen maken namens de hele groep
2.Vorming van een tweemansblok: zo plotseling vaak dat de rest van de groep wordt verrast
3.Kliekvorming: groepsleden leggen vooraf al een bepaalde oplossing vast
4.Meerderheidsbesluit: stemmen
5.Het onder druk zetten van de tegenstanders: is iemand ertegen? Groepsleden zullen het niet wagen om nog hun mening te vertellen en het besluit wordt doorgedrukt.
6.Schijnbare eenstemmigheid: druk om te conformeren zo groot dat 100% overeenstemming wordt bereikt. In de praktijk het besluit niet uitgevoerd wordt, de groepspressie is weg.
7.Consensus, werkelijke overeenstemming. Iedereen probleem van alle kanten uitvoerig bekeken en de tijd gehad. Ook degene die het niet helemaal mee eens zijn, zullen het besluit steunen en uitvoeren omdat ze tijdens de besluitvorming voldoende gelegenheid hadden.
Wat zijn vormen van besluitvorming die niet verder helpen?
1 PLOPS, natte sneeuw. Een groepslid doet een voorstel, maar niemand gaat erop in. De voorstellen smelten weer. 
2 van de hak op de tak, topic jumping. 
Leg uit wat groepsdruk tot conformiteit betekent en geef aan de hand van twee argumenten aan of jij dit als positief of negatief ervaart.
Bij groepsdruk tot conformiteit gaat het om actieve beïnvloedingsprocessen tussen groepsleden. Zowel formele- als informele groepen ontwikkelen groepsnormen die uniformiteit en gelijkheid onder groepsleden bevorderen. Vooral groepen met een hoge cohesie kunnen een sterke druk uitoefenen op elk lid dat probeert af te wijken.
Je kunt dit bijvoorbeeld als negatief ervaren, omdat:
-De persoon met een afwijkende mening of standpunt, wordt gedwongen om een andere mening aan te nemen;
-Het niet in elke groep mogelijk is om zomaar uit een groep te stappen (bijvoorbeeld in organisaties), waardoor er veel conflicten binnen de groep kunnen ontstaan.
Je kunt dit bijvoorbeeld als positief ervaren, omdat:
-Het conformeren aan groepsnormen zorgt voor een grotere groepscohesie (men vindt het belangrijk om ergens bij te horen);
-Alleen de personen met eenzelfde opvatting of mening tot de groep behoren (en dus niet degene met een andere mening) wat helpt bij het behalen van de doelen van een groep.

-Conformiteit de groep helpt haar relatie tegenover de sociale omgeving te bepalen.
Wat zijn functies van conformiteit?
Conformiteit:
-Helpt de groep haar doelen te bereiken en zich als groep te handhaven
-Helpt de groep geldende meningen of gedragsvormen te verkrijgen
-Helpt de groepsleden om tot een nauwkeuriger oordeel te komen over de eigen vaardigheden door zichzelf beter te kunnen vergelijken met anderen
-Helpt de groep haar relatie tegenover de sociale omgeving te bepalen.