Samenvatting Handboek jeugdhulpverlening een orthopedagogisch perspectief

-
ISBN-10 9033449218 ISBN-13 9789033449215
261 Flashcards en notities
3 Studenten
  • Deze samenvatting

  • +380.000 andere samenvattingen

  • Een unieke studietool

  • Een oefentool voor deze samenvatting

  • Studiecoaching met filmpjes

Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.

Dit is de samenvatting van het boek "Handboek jeugdhulpverlening een orthopedagogisch perspectief". De auteur(s) van het boek is/zijn Frank De Fever Walter Hellinckx. Het ISBN van dit boek is 9789033449215 of 9033449218. Deze samenvatting is geschreven door studenten die effectief studeren met de studietool van Study Smart With Chris.

Samenvatting - Handboek jeugdhulpverlening een orthopedagogisch perspectief

  • 2.1 Leerstoornissen zijn specifieke leerproblemen

  • Leren in de ruime betekenis van het woord betekent dat we ons nieuwe vaardigheden, gedragingen of kennis eigen maken. Wat en hoe we leren, is altijd een samenspel tussen de mogelijkheden en beperkingen van de persoon en het aanbod van de omgeving.
  • Als je spreekt over leerproblemen en leerstoornissen, bedoel je het leren van schoolse vaardigheden, zoals lezen en rekenen. De begaafdheid van een kind bepaalt tot op zekere hoogte hoe snel en hoe goed hij nieuwe schoolse vaardigheden kan leren, maar het onderwijsaanbod is even belangrijk. Er is een goede aanpak nodig die aansluit bij de mogelijkheden van het kind.
  • Leerstoornissen kun je indelen op basis van de vermoedelijke oorzaak. Je krijgt dan 2 groepen:
    • Primaire leerproblemen: op zichzelf staande leerproblemen die zich manifesteren in het leren van de schoolse vaardigheden zelf, zonder dat er in principe andere gebieden van de ontwikkeling vertraagd hoeven te zijn
    • Secundaire leerproblemen: gevolg van omstandigheden buiten het leren van die vaardigheden zelf. Deze kunnen gelegen zijn in de omgeving (cultuur, gezin, school) of in het kind zelf (beperking, gedragsproblemen). 
  • 2.2 Definitie en classificatie

  • Tot voor kort nam het discrepantiecriterium een centrale plaats in in de diagnostische operationalisering van leerstoornissen. Hierbij werd gekeken naar het verschil tussen het reële niveau van de schoolse vaardigheden en het niveau dat kan worden verwacht op basis van intelligentie. Echter blijkt dat de correlatie tussen intelligentie en schoolvorderingen een stuk lager ligt, dus het discrepantiecriterium wordt niet meer als adequaat beschouwd.
  • Het discrepantiecriterium is vervangen door een combinatie van 3 criteria:
    • Achterstandscriterium: een ernstige achterstand bij het verwerven van de schoolse vaardigheden. Dit wordt gemeten door toetsen. In Nederland worden leerstoornissen beperkt tot de basisvaardigheden (technisch lezen, spellen en tel- en rekenvaardigheden). Echter kan volgens de DSM-5 ook begrijpend lezen, schriftelijke uitdrukkingsvaardigheid en wiskundig redeneren bij leerstoornissen horen. 
    • Hardnekkigheidscriterium (of criterium van didactische resistentie): de achterstand moet ook hardnekkig of instructie-ongevoelig zijn. Hierbij wordt gebruik gemaakt van 'response to instruction/intervention' model, waarbij op 3 niveaus instructie wordt aangeboden (klas, klein groepje, individueel)
    • Exclusiviteitscriterium: als leerstoornissen op zichzelf staan, moeten andere oorzaken uitgesloten worden. De leerproblemen mogen niet volledig te verklaren zijn uit andere problemen, dus de leerproblemen zijn ernstiger dan men op basis van bepaalde ongunstige condities (zoals een beperking) kan verwachten.
  • Er bestaat een grote heterogeniteit in de groep kinderen met een leerstoornis, waardoor men op zoek gaat naar subtypen. Zo kun je onderscheid maken tussen problemen met lezen en spellen (dyslexie) en problemen met rekenen (dyscalculie). Binnen de groep met dyslexie zijn geen subtypen gevonden, binnen de groep met dyscalculie wel, namelijk het geheugentype (problemen met ophalen van rekenfeiten) en het procedurele type (problemen met toepassen van rekenprocedures).
  • 2.3 Prevalentie van leerstoornissen

  • De cijfers over prevalentie van leerstoornissen variëren heel erg. Dit komt door verschillen in onderzochte populatie, de gebruikte definities en de daarop gebaseerde criteria en instrumenten en de tijdsperiode waarin het onderzoek is uitgevoerd.
  • De prevalentie van leerstoornissen wordt geschat op 5-10%. Dyslexie komt volgens sommige onderzoeken vaker voor dan dyscalculie, maar volgens andere onderzoeken is er geen verschil.
  • 2.4 Comorbiditeit met andere stoornissen

  • Ernstige lees-, spelling- en rekenproblemen komen vaak samen voor. Als de ene stoornis al is aangetoond, is de kans op de andere stoornis 4 tot 5 keer verhoogd.
  • Bij kinderen met een leerstoornis komen meer gedrags- en emotionele problemen voor, omgekeerd is ook het geval. Er wordt een interactionele benadering gebruikt, waarin men ervan uit gaat dat het leren van schoolse vaardigheden en het psychosociaal functioneren van kinderen in een continue wisselwerking staan. Bij kinderen met een laag sociaal-emotioneel welbevinden (zoals leermotivatie, zelfvertrouwen, zelfsturing) zien we een groter risico op gedrags- en emotionele problemen. Dus kinderen met een leerstoornis die zich goed voelen, laten dit minder zien.
  • ADHD en depressie komen vaak voor in combinatie met leerstoornissen. De overlap van ADHD met dyslexie is 25-40%.
  • Ook zie je vaker problemen met motorische ontwikkeling (coördinatieontwikkelingsstoornissen).
  • Ook is er een comorbiditeit met taalontwikkelingsstoornissen. Het gaat dan om taalproblemen die niet te verklaren zijn vanuit zintuiglijke, cognitieve, neurologische of psychosociale problemen. De problemen kunnen op alle aspecten van de taalontwikkeling voorkomen, maar omdat dyslexie als een fonologisch deficit wordt beschouwd, komt dit deel ook het meest naar voren. De fonologische stoornis (articulatiestoornis) blijkt vaak een vroegkinderlijke voorloper van een latere dyslexieontwikkeling.
  • 2.5.1 Genetische benadering

  • Dyslexie heeft een hoge erfelijkheidsgraad (50%). Er wordt tegenwoordig ook vaak een verband gelegd tussen genetische factoren, de ontwikkeling van de hersenen en de cognitieve processen die bij dyslexie een rol spelen. Dyscalculie zou een erfelijkheidsgraad van boven de 60% hebben.
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.