Samenvatting Handboek verslaving

-
ISBN-10 9058981401 ISBN-13 9789058981400
234 Flashcards en notities
4 Studenten
  • Deze samenvatting

  • +380.000 andere samenvattingen

  • Een unieke studietool

  • Een oefentool voor deze samenvatting

  • Studiecoaching met filmpjes

Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.

Dit is de samenvatting van het boek "Handboek verslaving". De auteur(s) van het boek is/zijn Ingmar Franken, Wim van den Brink ( ). Het ISBN van dit boek is 9789058981400 of 9058981401. Deze samenvatting is geschreven door studenten die effectief studeren met de studietool van Study Smart With Chris.

PREMIUM samenvattingen zijn gecontroleerd op kwaliteit en speciaal geselecteerd om je leerdoelen nog sneller te kunnen bereiken!

Samenvatting - Handboek verslaving

  • 1.1 Inleiding

  • In plaats van de term verslaving wordt meestal gesproken over overmatig of excessief alcoholgebruik, excessief episodisch drinken (binge drinking), alcoholmisbruik of alcoholafhankelijkheid. Verschillende organisaties pleitten voor herinvoering van de term verslaving, hier gaat een langdurig debat achter schuil over de aard en de oorzaken van verslaving.

  • 'Stoornissen in het gebruik van middelen' is een overkoepelende term voor misbruik en afhankelijkheid van middelen volgens de DSM-IV. 

  • 1.2 Korte geschiedenis van het concept verslaving

  • Sinds het begin van de negentiende eeuw hebben zich grote veranderingen voorgedaan in het denken over verslaving en verslaafden. Eerst werd het gezien als een teken van morele zwakte en in aansluiting op deze visie werden verslaafden vaak langdurig opgesloten in gevangenissen of heropvoedingsgestichten. 
    In het midden van de negentiende eeuw wordt de schuld voor de verslaving weggenomen bij de verslaafden en toegeschreven aan de verslavende stof. 
    Na 1930 wordt het farmacologische model vervangen door een psychoanalytisch geïnspireerd model, waarbij verslaving niet als een opzichzelfstaande aandoening wordt gezien, maar slechts als een symptoom van een onderliggende persoonlijkheidsstoornis (symptomatisch model).
    In de periode 1940-1960 krijgt het ziektemodel voor verslaving steeds meer aanhang. Volgens dit model bestaan er fundamentele biologische en psychische verschillen tussen verslaafden en niet-verslaafden, waardoor de eersten niet in staat zijn om alcohol en andere drugs met mate te gebruiken.
    Vanaf 1960 wordt verslaving gezien als onaangepast geleerd gedrag dat ook weer moet kunnen worden afgeleerd (leermodel). 
    In de periode 1970-1980 wordt steeds duidelijker dat het absolute verschil tussen verslaafden en niet-verslaafden niet houdbaar is en blijken medicijnen en gedragstherapeutische interventies het verslavingsgedrag gunstig te kunnen beïnvloeden. Deze ontwikkelingen vormen de basis voor het biopsychosociale ontwikkelingsmodel. Volgens dit model bestaan er slechts relatieve verschillen tussen verslaafden en niet-verslaafden en zijn er vloeiende overgangen tussen gebruik, overmatig gebruik, excessief gebruik, misbruik, schadelijk gebruik en verslaving. Zowel het ontstaan als de beëindiging van de verslaving worden in dit model gezien als het resultaat van de continue interactie tussen aangeboren kwetsbaarheid (genetica), persoonlijke ontwikkeling en leerervaringen (psychologisch) en omstandigheden (sociaal).
    De laatste jaren lijken de medisch-biologische aspecten binnen het biopsychosociale ontwikkelingsmodel een steeds dominantere plaats in te nemen en spreekt men steeds vaker van verslaving als hersenziekte. Aangeboren kwetsbaarheid vormt de onmisbare basis voor herhaald gebruik van psychoactieve middelen, terwijl het herhaalde gebruik van deze middelen op zijn beurt leidt tot belangrijke, moeilijk terug te draaien veranderingen in het brein. Die veranderingen zijn verantwoordelijk voor het ontstaan van de hunkering die de kern vormt van het ongecontroleerde gebruik en de terugval in gebruik na een periode van abstinentie. Medicamenteuze en gedragstherapeutische interventies worden binnen dit model als het meest effectief gezien.
  • Wat zegt het morele model voor verslaving?

    Verslaving is een teken van morele zwakte

  • Wat zegt het farmacologische model van verslaving?

    Verslaving wordt veroorzaakt door een verslavende stof

  • Wat zegt het symptomatisch model van verslaving?

    Verslaving is niet een opzichzelfstaande aandoening, maar een symptoom van een onderliggende persoonlijkheidsstoornis

  • Wat zegt het ziektemodel van verslaving?

    Er bestaan fundamentele biologische en psychische verschillen tussen verslaafden en niet-verslaafden, waardoor de eersten niet in staat zijn om alcohol en andere drugs met mate te gebruiken

  • Wat zegt het leermodel van verslaving?

    Verslaving is onaangepast geleerd gedrag dat ook weer moet kunnen worden afgeleerd

  • Wat zegt het biopsychosociale ontwikkelingsmodel van verslaving?

    Er bestaan slechts relatieve verschillen tussen verslaafden en niet-verslaafden en er zijn vloeiende overgangen tussen gebruik, overmatig gebruik, excessief gebruik, misbruik, schadelijk gebruik en verslaving

  • Wat zegt het hersenziekte model van verslaving?

    Aangeboren kwetsbaarheid vormt een onmisbare basis voor herhaald gebruik van psychoactieve middelen, dit herhaald gebruik leidt tot belangrijke, moeilijk terug te draaien veranderingen in het brein.

  • 1.3 Classificatie van stoornissen in middelengebruik

  • Er worden drie verschillende benaderingen onderscheiden bij het ontwikkelingen van definities voor verslaving.
    • sociologische benadering: gaat uit van problemen door gebruik
    • medisch-somatische benadering: gaat uit van de mate van gebruik en de lichamelijke gevolgen van gebruik
    • psychiatrische benadering: gaat uit van het afhankelijkheidssyndroom

    Nadeel van de sociologische benadering is dat deze nogal cultuurgevoelig is. Nadeel van de medisch-somatische definitie is dat deze een nogal hoge drempel kent, waardoor problemen pas als zodanig worden herkend als er al sprake is van ernstige en vaak onomkeerbare lichamelijke schade.
    Daarom wordt meestal gebruikgemaakt van concepten die zijn afgeleid van het biopsychosociale afhankelijkheidssyndroom: afhankelijkheid, misbruik en schadelijk gebruik
  • Bij de diagnose afhankelijkheid gaat het om een combinatie van:

    • lichamelijke afhankelijkheid (tolerantie, onthoudingsverschijnselen)
    • psychische afhankelijkheid (hunkering/craving)
    • controleverlies (gebruik vaker of meer dan voorgenomen, niet kunnen stoppen met gebruik)
    • lichamelijke en/of sociale gevolgen van het ongecontroleerde gebruik

    Psychische afhankelijkheid wordt tegenwoordig gezien als het centrale kenmerk, terwijl controleverlies en lichamelijke en/of sociale beperkingen worden gezien als gevolgen. Opvallend is dat craving in de DSM-IV definitie van afhankelijkheid ontbreekt. 

  • DSM-IV Afhankelijkheid


    Een patroon van onaangepast gebruik van een middel dat significante beperkingen of lijden veroorzaakt zoals blijkt uit drie (of meer) van de volgende die zich op een willekeurig moment in dezelfde periode van twaalf maanden voordoen.
    1 Tolerantie, zoals gedefinieerd door ten minste een van de volgende:
    a  een behoefte aan duidelijk toenemende hoeveelheden van het middel   om een intoxicatie of de gewenste werking te bereiken;
    b een duidelijk verminderd effect bij voortgezet gebruik van dezelfde hoeveelheid van het middel.

    2 Onthouding, zoals blijkt uit ten minste een van de volgende: 
    a het voor het middel karakteristieke onthoudingssyndroom (verwijs naar criteria A en B van de criteria voor onthouding van een specifiek middel)
    b hetzelfde (of een nauw hiermee verwant) middel wordt gebruikt om onthoudingsverschijnselen te verlichten of te vermijden.
    3 Het middel wordt vaak in grote hoeveelheden of gedurende langere tijd gebruikt dan het plan was.
    4 Er bestaat de aanhoudende wens, of er zijn weinig succesvolle pogingen om het gebruik van het middel te verminderen of in de hand te houden.
    5 Een groot deel van de tijd gaat op aan activiteiten nodig om aan het middel te komen (bijvoorbeeld verschillende artsen bezoeken of grote afstanden afleggen), het gebruik van het middel (bijvoorbeeld kettingroken), of aan het herstel van de effecten ervan.
    6. Belangrijke sociale of beroepsmatige bezigheden of vrijetijdsbesteding worden opgegeven of verminderd vanwege het gebruik van het middel.
    7. Het gebruik van het middel wordt gecontinueerd ondanks de wetenschap dat er een hardnekkig of terugkerend sociaal, psychisch of lichamelijk probleem is dat waarschijnlijk veroorzaakt of verergerd wordt door het middel (bijvoorbeeld actueel cocainegebruik ondanks het besef dat een depressie door cocaïne veroorzaakt wordt, of doorgaan met het drinken van alcohol ondanks het besef dat een maagzweer is verergerd door het alcoholgebruik).

    Specificeer indien:
    • met fysiologische afhankelijkheid: aanwijzingen voor tolerantie of onthouding (dat wil zeggen criterium 1 of 2 is aanwezig);
    • zonder fysiologische afhankelijkheid: geen aanwijzingen voor tolerantie of onthouding (dat wil zeggen criterium 1 noch 2 is aanwezig).

    Specificaties van beloop:
    • vroege volledige remissie
    • vroege gedeeltelijke remissie
    • langdurige volledige remissie
    • langdurige gedeeltelijke remissie
    • onder behandeling met agnosten
    • onder toezicht staan

  • Diagnostische criteria ICD-10 Afhankelijkheid
    Drie of meer van de volgende symptomen zijn ten minste gedurende een maand samen aanwezig geweest of moeten in de laatste twaalf maanden regelmatig samen voor zijn gekomen:
    1 Een sterk verlangen naar of een sterke neiging om een middel te gebruiken.
    2 Verminderd vermogen om het gebruik van middelen onder controle te houden, zoals blijkt uit het gebruik van grotere hoeveelheden of het gebruik vaker dan voorgenomen of uit herhaalde mislukte pogingen om het gebruik te minderen of te stoppen.
    3 Lichamelijke onthoudingsverschijnselen na mindering of staken van het gebruik eventueel gevolgd door het gebruik van het middel om deze verschijnselen weer op te heffen.
    4 Tolerantie voor de effecten van het middel, waardoor meer moet worden gebruikt om hetzelfde effect te bereiken of een verminderd effect bij gebruik van dezelfde dosering.
    5 Preoccupatie met het gebruik van het middel, zoals blijkt uit het opgeven van belangrijke activiteiten, een groot deel van de tijd die wordt besteedt aan het verkrijgen, het gebruik en het herstel van de effecten van het gebruik.
    6 Doorgaand gebruik ondanks duidelijke aanwijzingen voor schadelijke gevolgen van het gebruik.

    Specificeer:
    • nu abstinent
    • nu abstinent, maar in beschermde omgeving
    • nu in een onderhoudsbehandeling met een vervangend middel (substitutie)
    • nu abstinent, maar onder behandeling met een aversief of blokkend middel
    • nu gebruikend (actief afhankelijk)

  • DSM-IV Misbruik van een middel
    A Een patroon van het onaangepast gebruik van middelen dat significante beperkingen of lijden veroorzaakt, zoals in een periode van twaalf maanden blijkt uit ten minste een (of meer) van de volgende:
    1 herhaaldelijk gebruik van een middel met als gevolg dat het niet meer lukt om in belangrijke mate te voldoen aan verplichtingen op het werk, school of thuis (bijvoorbeeld herhaaldelijk absent of slecht werk afleveren in samenhang met het gebruik van het middel; met het middel samenhangende absentie, schorsing of verwijdering van school; verwaarlozing van kinderen of het huishouden);
    2 herhaaldelijk gebruik van het middel in situaties waarin het fysiek gevaarlijk is (bijvoorbeeld autorijden of bedienen van een machine als men onder invloed van het middel is);
    3 herhaaldelijk, in samenhang met het middel, in aanraking met justitie (bijvoorbeeld aanhouding wegens verstoring van de openbare);
    4 voortdurend gebruik van het middel ondanks aanhoudende of terugkerende problemen op sociaal of intermenselijk terrein veroorzaakt of verergert door de effecten van het middel (bijvoorbeeld ruzie met de echtgenoot over de gevolgen van de intoxicatie, vechtpartijen).
    B De verschijnselen hebben nooit voldaan aan de criteria van afhankelijkheid van een middel uit deze groep middelen
  • ICD-10 Schadelijk gebruik van middelen
    A Duidelijk bewijs dat het gebruik van het middel verantwoordelijk was of aanzienlijk bij heeft gedragen aan lichamelijke of psychische schade, inclusief vermindering van het oordeelsvermogen leidend tot sociaal disfunctioneren of interpersoonlijke problemen.
    B Aard van de schade moet duidelijk kunnen worden aangegeven.
    C Het gebruikspatroon moet ten minste een maand bestaan of regelmatig terugkeren binnen een periode van twaalf maanden.
    D De stoornis voldoet niet aan de criteria van een andere psychische of gedragsstoornis samenhangend met het gebruik van hetzelfde middel.


  • De DSM-IV diagnose misbruik kan het beste gezien worden als een lichte vorm of in sommige gevallen ook als voorstadium van de diagnose afhankelijkheid. De diagnose wordt gekenmerkt door interpersoonlijke en sociale problemen samenhangend met het gebruik van middelen zonder dat er sprake lijkt te zijn van controleverlies, craving of lichamelijke afhankelijkheid. 
    Er zijn de laatste jaren nogal wat twijfels geuit over de validiteit van de diagnose misbruik, omdat de diagnose nogal cultuurgevoelig is, omdat de drempelwaarde te laag zou zijn en omdat er geen enkele samenhang lijkt te zijn met andere psychiatrische stoornissen. Sommigen hanteren daarom de ICD-10 diagnose schadelijk gebruik voor gevallen waarbij er geen sprake is van afhankelijkheid maar er wel duidelijke psychische en/of lichamelijke problemen zijn ten gevolge van overmatig middelengebruik. 
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.