Samenvatting Inleiding in de filosofie 1 reader

-
429 Flashcards en notities
3 Studenten
  • Deze samenvatting

  • +380.000 andere samenvattingen

  • Een unieke studietool

  • Een oefentool voor deze samenvatting

  • Studiecoaching met filmpjes

Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.

Samenvatting - Inleiding in de filosofie 1 reader

  • 0 Cursussite

  • Leerdoelen


    Kennis en inzicht
    1. U kunt een aantal belangrijke westerse filosofen en de hoofdlijnen van hun werk reproduceren.
    2. U kunt uitleggen wat de kenmerkende denkwijzen en problemen uit de voornaamste perioden van de Europese geschiedenis van de filosofie waren.
    3. U kunt een aantal belangrijke filosofische begrippen en methoden op de juiste manier gebruiken.
  • idealisme
    Dagelijks taalgebruik:

    'het geloof aan een ideaal'

    Filosofie:

    Naam stroming binnen de kenleer
  • Leerdoelen

    Toepassen van kennis en inzicht
    1. U bent in staat om van een aantal belangrijke filosofen uit de westerse traditie de hoofdgedachten weer te geven en hun werk in een cultuurhistorische context te plaatsen.
    2. U bent in staat een aantal overeenkomsten en verschillen tussen hun filosofieën weer te geven.
    3. U kunt onbekende filosofische begrippen opzoeken in filosofische woordenboeken en/of encyclopedieën.
    4. U kunt een beknopte samenvatting maken van een korte filosofische tekst, die voldoet aan de gegeven criteria in het beoordelingsmodel en aan de academische eis van de intersubjectieve controleerbaarheid.​​​​​​​
  • Waarom kan René Descartes worden beschouwd als een rationalist?
    ​​​​​​​Het rationalisme gaat ervan uit:
    • dat de zintuigen ons slechts verwarde of onduidelijke kennis verschaffen en
    • dat al onze kennis daarom afkomstig is van rationele beginselen.
    • Kennis verwerven we volgens rationalisten dus louter met het verstand, en niet met de zintuigen.


    Descartes staat erom bekend dat hij zintuiglijke kennis wantrouwde. 

    In zijn beroemde twijfelexperiment in de Meditaties liet hij zien dat we echte kennis alleen kunnen vinden in onze geest:

    die bevat heldere en welonderscheiden aangeboren ideeën.

    Hij voldoet hiermee aan de definitie van een rationalist.
  • Wat er verwacht wordt:

    Bij het maken van een (proef)tentamen is het van belang dat u de vraag goed leest en deze beantwoord op een:

    • systematische wijze, 
    • stapsgewijs, 



    Wanneer bijvoorbeeld wordt gevraagd waarom René Descartes kan worden beschouwd als een rationalist, dan moet u:


    • eerst uitleggen wat 'rationalisme' inhoudt, 
    • vervolgens geeft u de belangrijkste kenmerken van Descartes' filosofie en 
    • ten slotte concludeert u dat deze kenmerken overeenkomen met het standpunt van de rationalisten.
  • Wat is filosofie?
    De filosofie begint wanneer het vanzelfsprekende tot vraag wordt.

    Het woord ‘filosofie’ drukt een besef van een tekort uit:
    de filosoof verlangt naar wijsheid, maar dat verlangen is nog niet vervuld.

    De filosofie vertrekt dus vanuit een besef van niet-weten of onwetendheid en tegelijkertijd vanuit een verlangen om wel te weten en wijs te worden.

    Die wijsheid probeert zij te bereiken door:
    • op methodische wijze te denken, 
    • middel van een rationele reflectie op de werkelijkheid. 


    Daarbij valt het denken zelf natuurlijk ook onder die werkelijkheid: 
    de filosofie is ook een reflectie op:
    • het denken, 
    • ons denkvermogen en 
    • de manier waarop wij ons als denkende wezens tot de werkelijkheid verhouden.
  • Je zou kunnen zeggen dat de filosofie, zo beschreven, wel wat weg heeft van de Baron van Münchhausen, die volgens de legende zichzelf aan zijn eigen vlecht uit het moeras omhoog trok.

    Reflectie op het denken gebeurt immers ... door te denken. Maar juist omdat de filosofie het denken zelf tot onderwerp van reflectie maakt, vormt zij een goede en noodzakelijke aanvulling op de wetenschappen en onze alledaagse reflecties, die immers allemaal gebruikmaken van het denken.

    Er is in zekere zin dan ook geen andere uitweg uit het moeras: wij kunnen niet uit het moeras stappen en van daaruit het denken onderzoeken, omdat wij niet buiten onszelf kunnen stappen.
  • De meeste wetenschappen, met uitzondering van de wiskunde, zijn in tegenstelling tot de filosofie empirisch van aard.
    Dat wil zeggen dat zij zich op de een of andere manier baseren op gegevens uit de ervaring.

    Er zijn echter vragen die vanuit de (empirische) wetenschappen niet beantwoord kunnen worden:
    • Hoe moeten we juist en rechtvaardig handelen? 
    • Waarom is er iets, en niet veeleer niets? 
    • Wat is de zin van de geschiedenis? 
    • Wat is het wezen van de mens? 
    • Wat is nu eigenlijk ervaring en 
    • Wat moet worden verstaan onder wetenschappelijke ervaringsgegevens? 


    Dergelijke vragen kunnen niet vanuit de ervaring beantwoord worden, omdat het geen vragen over de empirische werkelijkheid zijn, maar bijvoorbeeld over de relatie tussen een kenner en de empirische werkelijkheid. Als we ons met dit soort vragen bezighouden, begeven we ons op het terrein van de filosofie.
  • Het gaat in de filosofie dus
    • niet om feitelijke kennis van bijvoorbeeld bepaalde technische mogelijkheden of van de staatsinrichting van een bepaald land. Zulke feitelijke kennis is het doel en het onderwerp van de verschillende vakwetenschappen. 
    • De filosofie heeft daarom ook geen eigen objectgebied: zij kan zich op elk objectgebied betrekken en kan zich met alles bezighouden. Er is geen onderwerp dat bij voorbaat al van filosofische bezinning is uitgesloten.
    • Filosofen vragen naar de grondslagen, de relevantie en de grenzen van al onze (vak)kennis. 
    • Zij kan dan ook omschreven worden als een onderzoek naar de vooronderstellingen die ten grondslag liggen aan de vragen die in het dagelijkse leven, in de cultuur en in de wetenschappen worden gesteld. 
    • Dit soort vragen is natuurlijk ook niet voorbehouden aan filosofen. Een letterkundige die zich afvraagt wat nu eigenlijk letterkunde is, stelt daarmee een filosofische vraag. Deze vraag kan niet met de letterkundige methode worden beantwoord. Op het moment dat de letterkunde zich met haar eigen vooronderstellingen gaat bezighouden, begint ze te filosoferen. 
  • Omschrijving filosofie
    Een onderzoek naar de vooronderstellingen die ten grondslag liggen aan de vragen die in:
    • het dagelijkse leven, 
    • de cultuur en 
    • de wetenschappen 
    worden gesteld.
  • Het handboek heeft ervoor gekozen de vraag 'Wat is filosofie nu eigenlijk?' te beantwoorden aan het einde van het boek.

    Het gaat er daarbij van uit dat de vraag naar de aard van de filosofie pas na bestudering van de filosofen en denkbeelden uit de wijsgerige traditie goed kan worden beantwoord.

    Het handboek heeft daar wel een punt: immers, om te weten wat auteurs tot filosofen en hun beschouwingen tot filosofie maakt, moeten we eerst kennismaken met die filosofen en beschouwingen.
  • De middeleeuwen is een tijdvak dat nogal eens wordt vergeten wanneer een overzicht wordt gegeven van de geschiedenis van de westerse filosofie. Een van de redenen hiervoor is de sterke verwevenheid van filosofie en theologie in deze periode. Er zijn dan ook historici en filosofen die betogen dat er niet zoiets bestaat als middeleeuwse filosofie. In de middeleeuwen zou alleen maar sprake zijn geweest van theologie.
  • Zo simpel is het echter niet. Een en ander hangt natuurlijk samen met de gehanteerde definitie van 'filosofie'.

    Als filosofie wordt opgevat – zoals het handboek doet – als:

    verwondering en het contrasteren van vanzelfsprekendheden met hun anders-mogelijk-zijn,

    dan is er in de middeleeuwen wel degelijk sprake van filosofie.
  • Afbeelding: De Griekse godin Pallas Athena, dochter van Zeus, afgebeeld met helm en speer, en met de uil van Athene (athena noctua).

    Pallas Athene was de godin van oorlog en vrede, maar ook een Grieks symbool voor wijsheid en de personificatie van de filosofie.
  • Zo werd er veelvuldig nagedacht over de vraag wat waarheid is. Ook de relatie tussen denken en werkelijkheid werd in de middeleeuwen uitvoerig besproken.

    Zo stond in de middeleeuwse logica de vraag in het brandpunt van de belangstelling of

    • algemene termen, zoals 'mens' of 'levend wezen' hun grond vinden in de dingen zelf, die dan een algemene essentie zoals 'mensheid' in zich zouden hebben, of
    • dat het louter namen zijn die wij op basis van conventie aan verschillende individuen toeschrijven, die feitelijk niets met elkaar gemeen hebben (wat dan natuurlijk weer de vraag oproept hoe wij dan een mens van een koe kunnen onderscheiden). 
  • Zelfs de vraag naar de waarheidswaarde van geloofswaarheden:
    zijn deze voor ons evident of niet kan onder deze definitie beschouwd worden als een filosofische; hij gaat immers over geloofswaarheden, voor zover deze te denken geven!

    Een van de grondleggers van de middeleeuwse filosofie was de kerkvader Aurelius Augustinus (354-430).
    Hoewel hij officieel in de oudheid leefde, laat men de middeleeuwse filosofie vaak beginnen met zijn geschriften.


    In hoofdstuk 2 uit het handboek, dat handelt over de middeleeuwse filosofie, komen behalve:
    • Augustinus twee middeleeuwse filosofen in meer detail aan bod: 
    • Thomas van Aquino (1225-1274) en 
    • Willem van Ockham (ca. 1285 - ca. 1348).
  • klopt het dan dat voor Kant hoe je de wereld ervaart afhankelijk is van de waarneming? Want dat is toch zintuiglijk en niet echt het kenvermogen?

    DE waarneming is volgens Kant al gevormd door ons kenvermogen. De vorm waarbinnen zintuigenlijkheid verschijnt (namelijk in ruimte en tijd) is (voor Kant) gestructureerd door ons kenvermogen.

  • Is Kant dan niet vergelijkbaar met Plato: Het onderscheid tussen ideeën en meningen?,

    Plato en Kant liggen best ver uit elkaar (hoewel er zeker ook overeenkomsten zijn hoor). Plato gelooft dat de ideeen in een extra-subjectieve werkelijkheid liggen en dat deze onze waarneming sturctureren terwijl Kant gelooft dat de structuur van waarneming ligt in het subject.
  • Lijkt dit niet op Locke? Van sensations in verstand naar ideeën?

    Kant heeft zeker Locke gelezen - het grootte verschil is echter dat de sensations in Locke van een externe substantie komen terwijl Kant zegt dat we hier niets van kunnen weten (Kant stelt dat we niet zeker kunnen weten dat elk object dat aan ons verschijnt ook echt 1 object in de noumenale werkelijkheid is).

    met extra-subjectieve werkelijkheid bedoel ik de werkelijkheid zoals die bestaat los van de waarneming van een subject/onafhankelijk bestaand
  • Maar bij Locke zit ook een soort mechanisme in je geest neem ik aan.

    Locke gelooft ook in het bestaan van operaties van de geest maar dit is altijd een samenspel tussen een (meer) passieve geest en een actieve externe werkelijkheid die dingen aanreikt aan deze geest. Kant dicht een veel grotere rol toe aan deze geest.
  • het zou dus eigenlijk moeten zijn: de wending vàn het subject?

    Je zou inderdaad ook de wending van het subject kunnen zeggen maar dan neem je al aan dat het subject de basis is. Voor denkers als descartes zou het inderdaad de wending van het subject naar het subject maar voor andere stromingen zou dit wellicht anders gezien worden.

    Zeker hedendaagse filosofie probeert voorbij het menselijke subject te denken als centraal punt.
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Laatst toegevoegde flashcards

Maak een samenvatting van maximaal 450 woorden van deze tekstpassage uit het voorwoord tot Kants Kritiek van de zuivere rede. Neem hierbij de regels uit de Leeswijzer in acht.NB. De tekst van Kant is van een behoorlijke moeilijkheidsgraad. Wanhoop daarom niet als het niet meteen lukt om de kern van zijn betoog te vatten.





In het voorwoord tot zijn Kritiek van de zuivere rede definieert Kant de metafysica als een speculatieve kennis van de rede, die zich louter op begrippen baseert en tot nog toe geen wetenschappelijke status heeft kunnen verwerven.[1] Hij vraagt zich af of een wetenschappelijke status voor de metafysica mogelijk is. Kant gaat voor een antwoord op deze vraag te rade bij de revolutionaire veranderingen in de wiskunde en natuurwetenschappen. Tot dusver nam men volgens Kant aan dat  het kennen zich dient te richten naar de objecten. Kant stelt voor dat we deze verhouding omkeren en dus aannemen dat de objecten zich moeten richten naar het kenvermogen. Dit zou beter aansluiten bij de wens tot a priori kennis te komen, aangezien zulke kennis iets vastlegt over de objecten voordat die ons gegeven zijn. Kant vergelijkt deze herziening van het beeld van het kennen met de theorie van Copernicus, die – om te komen tot een consistente verklaring van de bewegingen van de hemellichamen – beweging toeschreef aan de waarnemer op aarde.
Wat voor de aanschouwing geldt, geldt volgens Kant ook voor de begrippen: die richten zich niet naar het object (wat mij de mogelijkheid zou ontnemen er a priori kennis van te hebben), maar de objecten richten zich naar de begrippen. Ervaring, stelt Kant, is namelijk een manier van kennen die verstand vereist. De regels van dat verstand moeten we nu in onszelf veronderstellen, voorafgaand aan de ervaring.[2]
Ten slotte wijst Kant op de objecten die noodzakelijk door de rede worden gedacht, die  echter niet in de ervaring gegeven zijn.[3] De pogingen om deze objecten te denken geven ons volgens Kant een criterium voor onze veranderde denkwijze: wij kennen alleen datgene a priori van de objecten, wat wij er zelf hebben ingelegd.
De metafysica, voor zover die zich met a priori begrippen bezighoudt waarvan de corresponderende objecten ons in de waarneming gegeven worden, bewandelt volgens Kant dus de weg van de wetenschap, omdat ze tot a priori kennis komt. We kunnen echter met ons kenvermogen nooit de grens van de ervaring overstijgen. Kennis richt zich op de verschijnselen en niet op de dingen zoals ze op zichzelf zijn. De speculatieve rede heeft geen kennis van het bovenzintuiglijke. Kant voegt daaraan toe dat we nog wel kunnen proberen met de praktische rede tot een dergelijke a priori kennis van het bovenzintuiglijke te komen.
[1] Immanuel Kant, ‘Voorwoord tot de tweede druk’ in: idem, Kritiek van de zuivere rede, Jabik Veenbaas & Willem Visser, vert. (Amsterdam 2004) 75.
[2] Kant bedoelt hier de categorieën van het verstand.
[3] Kant heeft hier de ideeën van de rede op het oog.
Hoe wordt dit de onderstaande stelling door Kant beargumenteerd? Met andere woorden: hoe komt Kant tot deze stelling? Hier volgt nogmaals het citaat:Als de aanschouwing zich moet richten naar de hoedanigheid van de objecten, zie ik niet in hoe men a priori iets over die objecten zou kunnen weten; als echter het object (als object van de zintuigen) zich richt naar de hoedanigheid van ons vermogen tot aanschouwing, kan ik me die mogelijkheid heel goed voorstellen. 
[1] Kant raadt eerst aan om de revolutionaire veranderingen in de wiskunde en natuurwetenschappen tot voorbeeld te nemen, wil de filosofie de status van een wetenschappelijke theorie bereiken.


[2] In navolging van de natuurwetenschappen stelt Kant nu een herziening voor van de gangbare opvatting van kennen. Die gangbare opvatting stelt dat het kennen zich dient te richten naar de waarnemingsgegevens. Kant stelt voor dat we deze verhouding omkeren en dat we dus moeten aannemen dat het gegevene zich moet richten naar het kenvermogen, met andere woorden: dat het gegevene wordt gevormd door de aanschouwing en de begrippen van ons denken.


[3] Kant vergelijkt deze herziening van de gangbare opvatting van kennis met de theorie van Copernicus. Copernicus heeft immers – om te komen tot een consistente verklaring van de bewegingen van de hemellichamen – beweging ook toegeschreven aan de waarnemer, dat wil zeggen: aan de aarde, terwijl voordien het dogma gold dat de aarde stilstond.


[4] In het genoemde kerncitaat legt Kant vervolgens uit wat die omkering van ‘aanschouwing’ en ‘object’ teweeg brengt: de mogelijkheid om a priori iets over de objecten te kunnen zeggen dat iets toevoegt aan onze kennis van de wereld.
waarom kan het onderstaande citaat beschouwd worden als een van de belangrijkste opmerkingen in deze tekstpassage?Als de aanschouwing zich moet richten naar de hoedanigheid van de objecten, zie ik niet in hoe men a priori iets over die objecten zou kunnen weten; als echter het object (als object van de zintuigen) zich richt naar de hoedanigheid van ons vermogen tot aanschouwing, kan ik me die mogelijkheid heel goed voorstellen.  
Dit citaat kan beschouwd worden als een belangrijke opmerking in de tekst omdat hier zowel de vraag wordt beantwoord waarom de weg naar een wetenschappelijk gefundeerde metafysica nog niet gevonden is, als de vraag hoe we die alsnog kunnen vinden. Tot nu toe is volgens Kant steeds gesteld dat de aanschouwing zich moet richten naar de hoedanigheid van de objecten. Op die manier is men er niet in geslaagd aan te tonen hoe het mogelijk zou zijn iets a priori te leren kennen over die objecten (en dat is wat de metafysica volgens Kant beoogde te doen). Dit is echter wel mogelijk als men de relatie tussen aanschouwing en object omdraait: de aanschouwing moet zich niet richten naar de hoedanigheid van de objecten, maar de objecten moeten zich richten naar de hoedanigheid van ons vermogen
welke vraag of probleemstelling staat in deze tekstpassage uit het voorwoord bij Kants Kritiek van de zuivere rede centraal?
Het onderwerp van deze tekstpassage is de vraag naar de mogelijkheid van een wetenschappelijke status voor de metafysica. Kant stelt vrijwel aan het begin van de tekst de vraag waar het aan ligt dat de zekere weg van de wetenschap in de metafyisca nog niet gevonden kon worden. Waarom heeft de metafysica, d.w.z. de leer van de synthetische oordelen a priori, tot nu toe geen vooruitgang geboekt? Dit is de vraag die Kant in deze tekstpassage probeert te beantwoorden. Een paar regels verder stelt hij de aanvullende vraag welke aanwijzingen er zijn om deze weg alsnog te vinden. Met andere woorden: Kant vraagt zich in deze tekst af waarom de weg naar een wetenschappelijk gefundeerde metafysica nog niet gevonden is, en hoe we die alsnog kunnen vinden.
Een achterliggende vraag die Kant niet zo direct noemt, maar die wel heel belangrijk is voor het begrip deze tekstpassage, is de vraag of en in hoeverre het mogelijk is a priori iets over de objecten van de ervaring te zeggen dat onze kennis over de wereld uitbreidt. Dit is namelijk wat Kant beoogt in zijn zoektocht naar ‘de zekere weg van de wetenschap’ in de metafysica. Ook deze vraag kan worden beschouwd als vraagstelling van deze tekstpassage.
COPERNICAANSE WENDINGIn het voorwoord tot de tweede uitgave van de Kritik der reinen Vernunft noemt Kant zijn eigen kennistheorie een ‘Copernicaanse wending’ of, zoals het handboek het noemt, een ‘Copernicaanse revolutie’. Leg in maximaal 150 woorden uit wat Kant hiermee bedoelt. Besteed hierbij in elk geval aandacht aan:De betekenis van de uitdrukking ‘copernicaanse wending’. (2 punten)Het verband dat Kant ziet tussen de ‘copernicaanse wending’ en zijn eigen kennistheorie. (4 punten, 6 punten in totaal)
Copernicus (1473-1543) herleidde de waargenomen beweging van hemellichamen (althans ten dele) tot de feitelijke beweging van de waarnemer op aarde. Dus: niet wat waargenomen wordt, maar de waarnemer beweegt en draagt zo zelf bij aan de waargenomen beweging. Dit wordt wel de Copernicaanse wending genoemd.
Net zoals Copernicus de schijnbare beweging van de zon toeschreef aan de reële beweging van de aarde, schreef Kant eigenschappen die eerder werden toegeschreven aan waargenomen objecten toe aan het kennende subject. Kant stelt namelijk dat in ons kenvermogen (namelijk in de zintuigen en het verstand) kenstructuren aanwezig zijn die een ordenende functie hebben in de informatieverwerking van de zintuiglijke impressies. Alles wat zich aan onze ervaring voordoet, vertoont dezelfde structuren, niet omdat die in de waargenomen objecten bestaan, maar omdat die er door ons kenvermogen aan worden opgelegd. Onze kennis richt zich dus niet tot de voorwerpen, maar de voorwerpen richten zich tot onze kenvermogen.
Kant vergelijkt nu zelf de wending die hij met zijn ideeën gaf aan de studie van de metafysica, met de wending die Copernicus bewerkstelligde in het natuuronderzoek. Net als Copernicus draait Kant immers de relatie tussen waarnemer en wat wordt waargenomen om. De waarnemer krijgt zelf een actieve rol in wat waargenomen wordt en is niet langer een passieve ontvanger van informatie.
Maak een samenvatting van de tekst in maximaal 400 woorden (exclusief voetnoten), volgens de richtlijnen die worden gegeven in de Leeswijzer filosofische teksten .
Hieronder volgt een voorbeeldsamenvatting:
Deze tekstpassage van Hume bevat een (fictief) betoog voor een publiek over de reikwijdte van het argument of design. De spreker stelt eerst vast waar hij en zijn publiek het over eens zijn, namelijk dat het voornaamste bewijs voor het bestaan van de goden berust op de harmonie in de natuur: de natuur zit zo harmonieus in elkaar dat daarin tekenen worden gezien van intelligentie en overleg. De spreker gaat ervan uit dat zijn publiek erkent dat dit een argument is van effect naar oorzaak en dat de gevolgtrekking (tot de oorzaak) niet verder mag gaan dan de natuurverschijnselen (het effect) rechtvaardigen. Hij verzoekt zijn publiek om van deze stellingen de gevolgen in te zien.[1]  Als wij een oorzaak uit een effect afleiden, mogen we aan de oorzaak niet meer toeschrijven (meer eigenschappen of meer effecten) dan minimaal nodig is om het effect tot stand te brengen. Deze regel geldt redeloze en intelligente oorzaken.[2] Als de goden de oorzaak zijn van de natuur, mag aan hen dus slechts die graad van macht, intelligentie e.d. worden toegekend die minimaal nodig is om het effect te bewerkstellingen. Ook mogen wij geen nieuwe effecten uit deze oorzaak afleiden, aangezien de oorzaak dan meer zou bevatten dan het effect rechtvaardigt.[3]
De spreker stelt vervolgens dat dit wel is wat zijn publiek doet: uit de natuurverschijnselen leidt het een oorzaak af, de goden, en vervolgens wordt zonder fundering gemeend dat deze ‘noodzakelijk iets groters en volmaakters moet hebben voortgebracht’.[4] Ook de macht en welwillendheid die aan de goden worden toegeschreven, mogen volgens de spreker niet worden afgeleid uit een wereld waarin kwaad en wanorde welig tieren. De spreker concludeert dat de hypothese van de godsdienst alleen beschouwd moet worden als een bepaalde methode om de zichtbare verschijnselen van het heelal te verklaren, maar dat het volgens de logische redeneermethode niet is toegestaan iets aan de kenmerken van de oorzaak toe te voegen dat niet door de verschijnselen wordt gerechtvaardigd.[5]
[1] David Hume, Het menselijk inzicht. Een onderzoek naar het denken van de mens, J. Kuin vert. (2e, herziene druk; Amsterdam 2002) 174.
[2] Hume, Het menselijk inzicht, 174-175.
[3] Hume, Het menselijk inzicht, 175.
[4] Hume, Het menselijk inzicht, 176.
[5] Hume, Het menselijk inzicht, 177-178.
StellingDeze tekst van Hume kan beschouwd worden als een tegenargument voor het argument from design of fysico-teleologisch godsbewijs, het godsbewijs dat stelt dat uit de harmonie van de natuur het bestaan van een schepper kan worden afgeleid. Juist/Onjuist
Onjuist

In deze tekst van Hume wordt het argument from design als uitgangspunt genomen. Het betoog is geen argument tegen dit godsbewijs (dat immers alleen iets zegt over het bestaan van de goden), maar alleen tegen sommige oneigenlijke gevolgtrekkingen van dit bewijs:
volgens deze tekst kan op basis van het argument from design weliswaar tot het bestaan van God of goden worden geconcludeerd, maar niet tot het bestaan van allerlei eigenschappen en effecten die doorgaans aan die goden worden toegeschreven, zoals:
  • de voorzienigheid, 
  • almacht, 
  • goedheid, 
  • enzovoorts, en 
  • die niet gerechtvaardigd zijn op grond van het effect.

Overigens heeft Hume op andere plaatsen wel degelijk ook het argument from design bekritiseerd. 


Bovendien heeft ook de passage in Het menselijk inzicht dit argument ondermijnd, omdat het meestal werd gebruikt door theïsten, die het hiernamaals, de voorzienigheid, uniciteit en almacht van God hoog in het vaandel hadden.     
Wat is het belangrijkste argument voor de conclusie, dat aan de goden geen voorzienigheid mag worden toegeschreven en dat uit het bestaan van de goden ook niet het bestaan van een hiernamaals mag worden afgeleid?
Hume stelt in deze tekst dat bij een bewijs dat van effect naar de oorzaak voert, de oorzaak aangepast moet zijn aan het gevolg. Dat wil zeggen: als wij een oorzaak uit een effect afleiden, mogen we aan de oorzaak niet meer toeschrijven (meer eigenschappen of meer effecten) dan minimaal nodig is om het effect tot stand te brengen (p. 174-175). Dit is het belangrijkste argument voor de conclusie.
Wat is de conclusie van deze passage uit Het menselijk inzicht?
De conclusie is dat wie logisch denkt, er niet toe overgaat om uit het effect (de harmonie van de natuur) meer af te leiden dan het effect rechtvaardigt. Om die reden is het toeschrijven van macht en welwillendheid aan de goden, of van een bijzondere voorzienigheid of de schepping van een hiernamaals, niet toegestaan, omdat hiertoe het effect zou moeten worden verrijkt.
Hume stelt aan het begin van de tekst dat het genoemde bewijs voor het bestaan van de goden (het argument from design ) een bewijs is dat van het effect naar de oorzaak voert. Welke functie dient deze constatering?Het is een van de uitgangspunten van de argumentatie. Het is het antwoord op de vraag naar de houdbaarheid van het bewijs.Het is een argument dat spreekt voor het bewijs.Het is de vraag: Hume wil nagaan of dit het geval is.
Ad. 1 is Juist: Het is een van de uitgangspunten van de argumentatie.

In de eerste alinea bespreekt Hume de uitgangspunten van zijn betoog: het zijn de zaken waar hij en zijn gehoor het eerder in de discussie al over eens zijn geworden of waarvan Hume denkt dat zijn toehoorders deze zonder meer zullen onderschrijven.

Een van de uitgangspunten van zijn betoog is het feit dat het enige bewijs voor het bestaan van de goden op de harmonie van de natuur berust.
Het tweede uitgangspunt is dat dit een bewijs is dat van de effecten naar de oorzaak voert; met andere woorden: het effect (de harmonie van de natuur) is ons gegeven, en vanuit dit gegeven concluderen we tot een intelligente architect. Dit is een uitgangspunt omdat Hume op dit punt in de discussie aanneemt dat iedereen het hiermee eens is. De stelling staat dus niet zelf ter discussie.