Samenvatting Inleiding Privaatrecht

-
113 Flashcards en notities
1 Studenten
  • Deze samenvatting

  • +380.000 andere samenvattingen

  • Een unieke studietool

  • Een oefentool voor deze samenvatting

  • Studiecoaching met filmpjes

Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.

Samenvatting - Inleiding Privaatrecht

  • 1.1 Het onderscheid tussen privaatrecht en publiekrecht

  • Welke drie criteria bepalen het onderscheid tussen privaatrecht en publiekrecht? En waarom is dit onderscheid niet helemaal zuiver gesteld?

    a. de subjecten die een rol spelen
    Burgers onderling = privaatrechtelijk
    Burgers en overheid = publiekrechtelijk


    Kanttekening:

    De overheid kan in twee kwaliteiten optreden, namelijk in een privaatrechtelijke kwaliteit, daarbij bevoegdheden uitoefenend die aan alle burgers toekomen, en in een publiekrechtelijke kwaliteit, hierbij haar bevoegdheden uitoefenend die aan haar als overheid zijn toegekend.


    b. het belang dat gediend wordt
    Kenmerkend voor het onderscheid tussen het publiekrecht en privaatrecht zou verder zijn dat het publiekrecht het algemeen belang regelt en het privaatrecht de belangen van de afzonderlijke burgers waarbij dan het particulier belang voorop zou staan.

    Kanttekening:
    Er zijn tal van wettelijke regels die ingrijpen in privaatrechtelijke rechtsbetrekkingen waarbij niet het priveblang maar het algemeen belang vooropstaat. (Bv. Wet op vaste boekenprijs)


    c. de wijze van handhaving van de regels
    Het initiatief tot handhaving van privaatrechtelijke regels wordt aan de betrokken individuen zelf overgelaten.

    Het publiekrecht omvat de regels die door de overheid als overheid (kunnen) worden gehandhaafd.
  • 1.2 Het onderscheid tussen materieel privaatrecht en formeel privaatrecht

  • Wat is het onderscheid tussen materieel privaatrecht en formeel privaatrecht?

    Het materieel privaatrecht heeft betrekking op de inhoud van het recht. Het betreft regels die aan de personen rechten en plichten toekennen.

    Het formeel privaatrecht of het burgerlijk procesrecht geeft aan op welke wijze men het materiële privaatrecht kan verwezenlijken. Met andere woorden: hoe iemand, wiens recht geschonden is, zich tot de rechter kan wenden en hoe een rechterlijk vonnis ten uitvoer kan worden gelegd.
  • Wat is het criterium voor het onderscheid tussen een regel van aanvullend recht en een regel van dwingend recht?

    Regels van regelend recht
    • Regels die door de wetgever zijn opgesteld om in bepaalde situaties te gelden, voor zover niet anders is geregeld. Rechtsregels van regelend recht zijn rechtsregels waarvan kan worden afgeweken.

    Regels van dwingend recht
    • Regels die door de wetgever zijn opgesteld en waarvan niet mag worden afgeweken. Ook al zou in een situatie waarop een dwingendrechtelijke regel betrekking heeft tussen partijen iets anders zijn geregeld, dan geldt toch de door de wetgever opgestelde dwingendrechtelijke regel.
  • 2.1 Ontstaansgeschiedenis, indeling en systematiek van het BW

  • Wat zijn schakelbepalingen?
    Schakelbepalingen kunnen we omschrijven als bepalingen die regelingen van een overeenkomstige toepassing verklaren op rechtsbetrekkingen waarvoor zij naar de letter niet zijn geschreven.
  • 2.2 Objectief recht en subjectief recht

  • Wat is het onderscheid tussen objectief recht en subjectief recht?

    Objectieve recht
    • Het geheel van rechtsregels die in een bepaalde samenleving gelden.

    Subjectief recht
    • Een subjectief recht is een bevoegdheid (recht) die een bepaalde persoon aan het objectieve recht ontleend. Een subjectief recht ontstaat door een rechtsfeit.
  • Hoe ontstaat een subjectief recht uit het objectieve recht?

    Het subjectieve recht ontstaat door een rechtsfeit, dat wil zeggen: een feit dat rechtsgevolg heeft (bv. sluiten van een koopovereenkomst)

    Tegenover een rechtsfeit staat een niet rechtsfeit, welke geen rechtsgevolg heeft. (bv. afspraak kinderen naar school te brengen)
  • Omschrijf de twee categorieën waarin we rechtsfeiten kunnen onderverdelen

    Blote rechtsfeiten

    • Een bloot rechtsfeit is een feit waarbij het rechtsgevolg intreedt, zonder dat daarvoor enig actief menselijk handelen nodig is.

    Handelingen

    • Is er voor het intreden van het rechtsgevolg wel een handeling van een rechtssubject nodig, dan zijn er twee mogelijkheden aan te geven:

    1. Rechtshandeling
      Een rechtshandeling is een handeling van een rechtssubject, waaraan een rechtsgevolg wordt verbonden dat ook door het handelend subject wordt beoogd.

    2. Feitelijk handelen
      Een feitelijk handelen is een handeling van een rechtssubject waaraan een rechtsgevolg wordt verbonden, ongeacht of dit rechtsgevolg door het handelend subject is beoogd.
  • Hoe kunnen we rechtshandelingen onderscheiden
    Eenzijdige rechtshandeling
    • Voor het intreden van het rechtsgevolg het handelen en dus de wilsverklaring van één persoon voldoende.

    Eenzijdige rechtshandelingen zijn op hun beurt weer onder te verdelen in:
    1. Eenzijdige gerichte rechtshandeling (bv: opzeggen arbeidscontract door werknemer)
    2. Eenzijdige niet-gerichte rechtshandelingen. Bv: maken testament

    Meerzijdige rechtshandeling
    • Voor het ontstaan van het rechtsgevolg zijn de wilsverklaringen van twee of meer personen vereist. Bv: huurovereenkomst
  • 2.3 Objectief vermogensrecht en subjectief vermogensrecht

  • Wat is het onderscheid tussen het objectief vermogensrecht en het subjectief vermogensrecht
    Objectief vermogensrecht
    • Het geheel van regels die betrekking hebben op de op geld waardeerbare rechten en plichten. (bv. recht op levering, recht op betaling)


    Subjectief vermogensrecht
    • Een aan een persoon toekomend vermogensrecht dat hij aan het objectieve vermogensrecht ontleent (bv. eigendomsrecht)
  • 3.1 De begrippen 'goed', 'zaak' en 'vermogensrecht'

  • Omschrijf de begrippen 'goed', 'zaak' en 'vermogensrechten´

    Goederen
    • Alle zaken en alle vermogensrechten. (3:1 BW) Het begrip 'goed' is een verzamelterm voor de actieve vermogensbestanddelen en daarmee ook de verzamelterm voor de zaken en de vermogensrechten.

    Zaken
    • Voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke objecten. (3:2 BW) De in dit artikel genoemde twee onderscheidende criteria zijn cumulatief

    Vermogensrechten
    • Rechten die, hetzij afzonderlijk hetzij tezamen met een ander recht overdraagbaar zijn, of er toe strekken de rechthebbende stoffelijk voordeel te verschaffen, ofwel verkregen zijn in ruil voor verstrekt of in het vooruitzicht gesteld stoffelijk voordeel.

      Overdraagbaarheid is het meeste van belang
      . Een recht dat overdraagbaar is, is een recht dat verhandelbaar is en is dus ook een recht dat op geld waardeerbaar is.

      Sommige rechten kunnen niet worden overgedragen. Bv: recht van gebruik en bewoning. Toch kunnen ook genoemde rechten van gebruik en bewoning als vermogensrechten worden aangemerkt. Immers, zij strekken de rechthebbende wel tot stoffelijk voordeel.
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Laatst toegevoegde flashcards

Omschrijf het Misverstand-arrest
Uit het Misverstand-arrest volgt dat partijen die een overeenkomst willen sluiten een voor misverstand vatbare uitdrukking bezigen (die ze elk in verschillende zin hebben opgevat) hangt het antwoord op de vraag of al dan niet een overeenkomst tot stand is gekomen af van wat beide partijen over en weer hebben verklaard en wat zij daaruit (overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mochten toekennen) hebben afgeleid.
Wat is het gevolg van discrepantie tussen wil en verklaring? En wat is het vertrouwensbeginsel?
Het gevolg is dat de rechtshandeling nietig is of er in het geheel geen rechtshandeling tot stand komt.

Een rechtshandeling van een geestelijk gestoorde is vernietigbaar, een eenzijdig niet gerichte rechtshandeling is echter nietig. (3:34 lid 2)

Vertrouwensbeginsel (3:35)
Maar, mocht de wederpartij, alle omstandigheden in aanmerking genomen, erop vertrouwen dat de verklaring wel overeenstemde met de wil en deed hij dat ook, dan is de rechtshandeling geldig en niet nietig/vernietigbaar.

Art. 3:36 beschermt een derde die een rechtshandeling heeft verricht omdat hij erop mocht vertrouwen dat de verklaring van A gericht tot B ook overeenstemde met de wil van A.
Op welke wijze kan er sprake zijn van discrepantie tussen wil en verklaring?

1. Geestelijke gestoordheid (art. 3:34 BW)
  • Geestelijke gestoorde moet causaal verband aantonen.
  • Sprake van hulpvermoeden, als de rechtshandeling voor de geestelijke gestoorde nadelig was, de verklaring vermoed wordt onder invloed van de geestelijke stoornis te zijn gedaan, tenzij het nadeel op het tijdstip van de rechtshandeling redelijkerwijs niet was te voorzien.
2. Verspreken of verschrijven
3. Dubbelzinnigheid
4. Onjuiste overbrenging door een derde (art. 3:37 lid 4 BW)
Op welke wijze kan vernietiging van een rechtshandeling plaatsvinden?
Vernietiging kan plaatsvinden door een buitengerechtelijke verklaring of door een rechterlijke uitspraak (art. 3:49 BW).
Vernietiging van een rechtshandeling werkt terug tot het tijdstip waarop de rechtshandeling is verricht (art. 3:53 BW)

Vernietiging bij rechterlijke uitspraak
  • Degene in wiens belang de vernietigingsgrond is gegeven kan bij de rechter een beroep op deze grond doen. Als de rechter het beroep aanvaardt dan wordt de rechtshandeling vernietigd. (art. 3:51 BW)

Buitengerechtelijke verklaring
  • Een buitengerechtelijke verklaring wordt door hem in wiens belang de vernietigingsgrond bestaat, gericht tot hen die partij bij de rechtshandeling zijn (art 3:50 BW).
    • De verklaring is vormvrij en kan zowel schriftelijk als mondeling geschieden. Uit de inhoud moet duidelijk worden dat men de betreffende rechtshandeling vernietigt en op grond waarvan men dit doet.
Wat is het onderscheid tussen een nietige en een vernietigbare rechtshandeling?

Nietig
  • Is een rechtshandeling nietig, dan betekent dit dat de rechtshandeling van rechtswege nietig is en dus nooit heeft bestaan.


Vernietigbaar
  • Is een rechtshandeling vernietigbaar, dan is de rechtshandeling geldig, maar door of namens degene in wiens belang de wetgever een vernietigingsgrond heeft gegeven, kan een beroep worden gedaan op de grond en kan derhalve de rechtshandeling worden vernietigd. Wordt hierop geen beroep gedaan, dan blijft de rechtshandeling geldig.
Wat bepaalt het conformiteitsvereiste? (art. 7:17 BW)

Het conformiteitsvereiste (7:17 BW) geeft aan wanneer sprake is van niet deugdelijke nakoming van de op de verkoper rustende verplichtingen uit 7:9 BW.
  • Het tweede lid van art. 7:17 bepaalt dat de gekochte en afgeleverde zaak die eigenschappen moet bezitten die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten (de prijs, aard, soort verkoper, mededelingen verkoper).

Beantwoordt de zaak niet aan de overeenkomst? Dan komt de verkoper de verbintenis niet deugdelijk na.
  • Als iemand bij een koop een ondeugdelijke zaak geleverd krijgt, kan hij zich zowel op niet-nakoming (7:17 BW) als op het wilsgebrek dwaling (6:228 BW) beroepen. Er is dan een keuze tussen ontbinding of vernietiging van de overeenkomst.
Welke drie verschillende soorten koopovereenkomsten zijn er te onderscheiden?

Burgerlijke koop
  • Een burgerlijke koop is een koopovereenkomst waarbij zowel de koper als de verkoper de overeenkomst niet in uitoefening van hun beroep/bedrijf sluiten. Beide contractspartijen treden op als privépersoon.
    • Op een burgerlijke koop zijn de wettelijke regels van titel 7.1 BW toepasselijk. De regels zijn aanvullend/regelend van aard.

Handelskoop
  • Bij een handelskoop handelen zowel de koper als verkoper beroeps- of bedrijfsmatig.
    • Belangrijk voor handelskoop zijn titels 7.1.7 en 7.1.8 BW. De regels zijn aanvullend regelend van aard.

Consumentenkoop
  • Consumentenkoop wordt omschreven als de koop van ene roerende zaak, die wordt gesloten door een verkoper die handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, en een koper (natuurlijk persoon) die NIET handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf. (7:5 BW) De koop van onroerende zaken wordt niet gezien als consumentenkoop.
    • Op grond van 7:6 lid 1 BW zijn de bepalingen van afdelingen 1 t/m 7 van titel 7.1 BW dwingendrechtelijke van aard.
    • Wordt hiervan mondeling/schriftelijk afgeweken, dan is het beding vernietigbaar
Wat is het onderscheid tussen een voorbijgaande overeenkomst en een voortdurende overeenkomst?

Voorbijgaande overeenkomst
  • Een overeenkomst die verbintenissen in het leven roept waarbij de debiteur door één enkele prestatie aan zijn verbintenis kan voldoen en de crediteur recht heeft op één enkele prestatie. (bv. koopovereenkomst, schenkingsovereenkomst)

Voortdurende overeenkomst
  • Een overeenkomst waarbij de crediteur recht heeft op voortdurende prestaties en de debiteur verplicht is tot voortdurende prestaties. (bv. arbeidsoverenkomst, huurovereenkomst.)
Wat is het onderscheid tussen wanneer een overeenkomst wordt aangegaan onder bezwarende titel en een overeenkomst om niet?

Onder bezwarende titel
  • Als de door een van de partijen op zich genomen verplichting rechtens verband houdt met een prestatie van de wederpartij. (bv. koop-, huur-, of arbeids- overeenkomst)

Overeenkomst om niet
  • De ene partij neemt een verplichting op zich die rechtens geen verband houdt met een prestatie van de wederpartij (bv. schenkingsovereenkomst)

Het onderscheid tussen beide is om verschillende redenen van belang. Zo wordt de verkrijger die te goeder trouw was bescherm tegen de beschikkingsonbevoegdheid van de vervreemder (3:38 BW, niet bij overeenkomst om niet)
Wat is het onderscheid tussen een wederkerige overeenkomst en een eenzijdige overeenkomst?

Wederkerige overeenkomst
  • Een overeenkomst waarbij bij het tot stand komen van de overeenkomst onderling afhankelijke verplichtingen ontstaan jegens elkaar. Beide partijen zijn dan zowel debiteur als crediteur (bv. koop-, huur-, of arbeids- overeenkomst)

Eenzijdige overeenkomst
  • Een overeenkomst waarbij de ene partij een verplichting op zich heeft genomen en de andere partij een recht heeft verkregen. Beide partijen zijn dus niet zowel debiteur als crediteur (bv. schenkingsovereenkomst