Samenvatting Laat maar zien : een didactische handleiding voor beeldend onderwijs

-
ISBN-10 9001702333 ISBN-13 9789001702335
203 Flashcards en notities
65 Studenten
  • Deze samenvatting

  • +380.000 andere samenvattingen

  • Een unieke studietool

  • Een oefentool voor deze samenvatting

  • Studiecoaching met filmpjes

Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.

Dit is de samenvatting van het boek "Laat maar zien : een didactische handleiding voor beeldend onderwijs". De auteur(s) van het boek is/zijn Jos van Onna, Anky Jacobse. Het ISBN van dit boek is 9789001702335 of 9001702333. Deze samenvatting is geschreven door studenten die effectief studeren met de studietool van Study Smart With Chris.

PREMIUM samenvattingen zijn gecontroleerd op kwaliteit en speciaal geselecteerd om je leerdoelen nog sneller te kunnen bereiken!

Samenvatting - Laat maar zien : een didactische handleiding voor beeldend onderwijs

  • 1 Beelden en vormgeven

  • Wat verstaan we onder beeldend vermogen?
    1 op creatieve wijze vormgeven aan producten op basis van waarnemingen, gevoelens, ervaringen, ideeën, concepten, functionaliteit, en fantasieën.
    2 beeldende producten kunnen beschouwen en analyseren
    3 kunnen reflecteren op beelden en het vormgevingsproces
  • wat is canonieke representatie
    het zoeken naar de meest karakteristieke vorm.
  • Noem drie benaderingen van kindertekeningen
    1 object georiënteerd
    2 ruimte georiënteerd
    3 kijker georiënteerd
  • wat is assimilatie
    invoegen van nieuwe ervaringen
  • wat is accomodatie
    het aanpassen van de nieuwe ervaringen die bij assimilatie zijn opgedaan.
  • Wat is het verschil tussen bauers en schauers?
    Een bouwer laat bij het maken van beelden zich leiden door de opbouw van dingen.
    Een schauer laat zich leiden door de visueel waarneembare vorm.
  • Noem een aantal rudimentaire tekenvormen.
    De v vogel, alpha vis, standaard boom.
  • Wat is de eerste ruimtelijke orientatie bij een kindertekening
    Onder en boven. (hierna wordt een grondlijn gemaakt, hierna een horizon)
  • Wat is het kenmerk van de westerse verbeeldingstraditie?
    Een representatiewijze die sinds de renaissance kijkers georiënteerd is.
  • Welke ruimtelijke representatie zie je in een kubistisch schilderij.
    Verschillende standpunten. Om letterlijk meerdere kanten te laten zien.
  • Wat is rabattement?
    Omklapping. Het is een oplossing voor de object georiënteerde afbeeldingen in een ruimte georiënteerde afbeelding. Kinderen oriënteren zich vanuit het object.
  • Wat is de Gestalt-wet?
    De behoefte om de vormen heel te laten. Hierdoor teken kinderen transparant (mensen in een auto) en vermijden overlapping. 
  • Wat is Parson zijn idee waarop kinderen naar beelden kijken? 3x
    Onderbouw: associatief
    Middenbouw: realisme
    Bovenbouw: die begrijpen het beeld, verplaatsen zich in de maker.
  • Wat is metacognitie? ( kijken naar beelden)
    Het vermogen te reflecteren op regels en conventies is brede zin. Het algemeen vermogen om afstand te nemen.
  • Laisser-fairdidactiek
    Kinderen laten doen waar ze zin in hebben. Zij niet stimuleren. Was gebruikelijk in beeldend onderwijs. Hierdoor kwam er een stagnatie in de ontwikkeling.
  • Waarom dreigt de creativiteit rond het negende jaar op te drogen?
    Omdat de kinderen meer oog krijgen voor realisme.
  • Wat is volgends Wilson & Wilson een grote stimulans voor kleuters om tot beeldende uiting te komen?
    De sociale interactie met elkaar. (''Wat doe jij?, Ik doe het zo. Kan jij dat ook?'')
  • EGO
    Ervaring gericht onderwijs.
  • OGO
    Ontwikkelingsgericht onderwijs.
  • Wat zijn begripskleuren?
    Groen gras, lucht blauw, boomstam bruin. Karakteristieke kleuren.
  • Geef een omschrijving van de ontwikkeling van het gebruik van verf door kleuters.
    1. Ontdekken materiaal, Mengen van kleuren
    2. Twee tegenstrijdige manieren van vormgeven. Namelijk tekenen met verf en schilderen.
  • Plakken: Wat is de functie om kleuters te laten werken met bestaande papieren vormpjes.
    De manier van ordenende krijgt meer aandacht. De vormpjes nodigen uit tot interpreteren en betekenis geven.
  • Wat is 'the sense of order' volgens Gombridge?
    Dat kinderen geboeid zijn door het ontstaan van reeksen van herhaling en afwisseling van vorm en kleur bij  bijv. stempelwerk.
  • Noem de drie stadia van werken met klei door kleuters.
    1. Ontdekken.
    2. Tekenen met klei. Van slierten een product maken het is plat.
    3. Een ruimtelijk werkstuk.
  • Wat is de functie van bouwen met blokken?
    Leren over vorm, maat en ruimte.
  • Noem de fases van bouwen met blokken.
    1. Tijdens het spel bouwen kinderen.
    2. Later plannen de kinderen hun bouw activiteit.
  • Wat is het interne referentiekader
    Een persoonlijk perspectief. Bij iedereen anders. Dit ontwikkelt een kind constant. Heeft te maken met persoonlijke zienswijze, karakter, attitude, voorkeuren. Vanuit dit kader leer je kiezen uit mogelijkheden
  • Wat is het externe referentiekader
    Is de leerstof. Het biedt kinderen inzicht in mogelijkheden voor het vormgevingsproces. Voorkennis wordt geactiveerd. Het omvat keuzemogelijkheden van de product componenten: betekenis, vorm en materiaal.
  • Wat is de meest gebruikelijke volgorde van een bevo-les?
    1. Introduceren = inspireren
    2. informeren
    3. instrueren
  • Noem de drie productcomponeneten
    betekenis, vorm en materiaal
  • leg de product component Betekenis uit
    Inspireren en aanzetten tot associëren over het onderwerp.
    Wat ga ik maken? Waar heeft het nog meer mee te maken? Wat vind ik ervan? Wat wil ik erover vertellen?
  • Leg de product component Vorm uit
    Informeren over de betrokken beeldaspecten
    Hoe wil ik het vertellen? Hoe moet het eruit zien? waar leg ik accenten?
  • Leg de product component Materiaal uit.
    Instrueren over de mogelijkheden en gebruik van materiaal en gereedschap.
    Waarmee kan ik het maken? Waarmee kan ik het aanpassen aan mijn ideeën en wensen?
  • Wat is de functie van de introductie? En hoe doe je dat?
    Optimale betrokkenheid creëren door aan te sluiten op de belevingswereld van de kinderen. Nog beter een nieuwe belevingswereld ontsluiten.
  • Geef zeven mogelijke voorbeelden van introducties bij een beeldende activiteit. 
    • beeldend verhaal
    • aansluiten bij drama
    • afbeelding of voorwerp
    • de omgeving
    • presentatie op het digi bord
    • internet/computer
    • visualiseren
  • Waar moet je als leerkracht doen met een bevo-les uit een methode?
    Je moet er rekening mee houden dat de methode geen rekening houdt met de kinderen op dat moment. Het is de taak van de leerkracht om ervoor te zorgen dat het onderwerp aansluit bij de belevingswereld. Je moet de les betekenis geven. Eventueel door erbij andere vakken al op in te spelen.
  • Introductie: beeldend verhaal
    Oudste onderwijsvorm. moet goed verteld worden  met veel bijvoeglijk naamwoorden. (donkere met mos begroeide bos) Krijgt nog meer impact met een meegebracht voorwerp.
  • Introductie: aansluiten bij drama
    In de huid van een ander kruipen, met een paar simpele verkleedspullen. Dit kan de leerkracht doen, maar ook de kinderen. Een freeze inbouwen. Met kinderen tableau vivant bekijken.
  • introductie: afbeelding of voorwerp
    Met de kinderen gericht kijken naar een beeld of voorwerp. Is op die manier een object van beschouwing. Kinderen krijgen hierdoor informatie over de betekenis, de vorm en het materiaal. (beeldaspecten)
  • introductie: de omgeving
    Een wandeling door de buurt. Schoolvakken kunnen geïntegreerd. Denk aan bio en ak. Vb. naar bomen kijken en voelen aan de schors. Beeldelementen: kleur, vorm, textuur. Kinderen kunnen gaan schilderen, kleien.
  • introductie: presentatie op digi-bord
    filmpje laten zien. vooraf of achteraf kijkvragen stellen. Beelden stilzetten en herhalen. Vb. videoclip Michael Jackson, Thriller als introductie op het maken van spookdozen.
  • introductie: internet/computer
    Kinderen zelf naar geschikte afbeeldingen laten zoeken.
  • introductie: visualiseren
    Jezelf inbeelden. Leerkracht vertelt een verhaal/gedicht. Kinderen hebben hun ogen dicht en visualiseren. Hierna is het noodzakelijk om in de informatiefase  concreet visueel materiaal te laten zien.
  •  Noem de beeldaspecten. 5 x
    • ruimte
    • kleur
    • vormsoort
    • textuur
    • compositie
  • Wat doet de leerkracht tijdens informeren?
    De leerkracht geeft visuele informatie over de beeldaspecten waarmee de kinderen aan de slag gaan. De leerkracht laat de kinderen bewust waarnemen.
    Welke vorm variaties zijn er binnen het onderwerp? Het beeldend materiaal blijft in het lokaal aanwezig. 
  • Wat is interactief informeren?
    De leerlingen doen actief mee. Zij beantwoorden de kijkvragen van de leerkracht. De leerlingen:
    • wijzen aan
    • vergelijken
    • rubriceren
    • selecteren
    • doen voor
  • Wat is het voordeel van goed beeldmateriaal?
    De mondelinge toelichting hoeft hierdoor minder te zijn. De taalzwakke leerlingen worden met goed beeldmateriaal bereikt. Zij ontwikkelen ook hun taal, doordat beeld en taal in combinatie wordt aangeboden.
    De toelichting met beelden komt tegemoet aan de meervoudige intelligenties.
    Visueel ingestelde kinderen worden goed aangestuurd.
  • Wat is beeldbeschouwing?
    Kijken naar de vorm, de manier waarop de zichtbare wereld zich aan ons voordoet en hoe die betekenis krijgt.
  • Voor beeldbeschouwing kun je een kijkwijzer gebruiken. Noem de vijf acties die op de kijkwijzer staan en vertel wat ze inhouden.
    1. Voorsorteren: Een spontane actie. Wat komt er in de leerlingen op als naar een beeld kijken.
    2. Interpreteren: Wat is het? Wat stelt het voor? Wat laat het zien?
    3. Analyseren: Wat zie je precies? Hoe ziet het er eigenlijk uit?
    4. Reflecteren: Wat is de bedoeling van het beeld, afbeelding?
    5. Evalueren: Wat vind je ervan. Spreekt het je aan en waarom?
  • Feit: informeren maakt deel uit van de oriëntatiefase
    Feit: informeren maakt deel uit van de oriëntatiefase
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Laatst toegevoegde flashcards

Uit welke fasen bestaat het procesfasenmodel? 5
1. Voorbereiding
2. Orientatie
3. Uitvoering
4. Nabeschouwing
5. Evaluatie
Leerlijnen vanuit de proces componenten. De onderzoekslijn 
  • Kinderen leren alternatieve oplossingen te zoeken
  • kinderen leren structuur aan te brengen in alle verschillende mogelijkheden
  • de leerkracht moet inzicht hebben in de opbouw en wijze waarop kinderen onderzoeken.
 Leerlijnen vanuit de proces componenten. De vaardigheidslijn
  • De meest concrete leerlijn. Welke technieken hanteer je?
         knippen, arceren, vouwen, schilderen enz.
  • Vaardigheden die goed op te bouwen zijn in moeilijkheidsgraad.
  • Je oefent de vaardigheden niet apart, maar in een betekenisvolle context.
Leerlijnen vanuit de proces componenten.  De beschouwingslijn
  • De beschouwingslijn leert kinderen kijken.
  • Visuele informatie is belangrijk. Je hebt geen kant en klare beelden in je hoofd. Dit moet gevoed worden. Als kinderen geen visuele informatie krijgen, kunnen ze vast lopen. Je zit met een leeg tekenpapier, met de opdracht teken een vis. Hier kunnen de meeste kinderen niks mee. Laat ze kijken naar een vis.
  • Een speciale benadering van beschouwing is het samen kijken wat er met materiaal gebeurt bij verschillende handelingen. Bv. wat gebeurt er met de verf, als je .................... doet.
Wat zijn de procescomponenten? 3x
beschouwing = zintuiglijke en cognitieve ontwikkeling
werkwijze/vaardigheid = motorische ontwikkeling
onderzoek = creatieve ontwikkeling
Wat is het dilemma voor een school voor wat betreft de materialenlijn?
Wil je als school zoveel mogelijk materialen aanbieden of wil je juist diepgang in materiaalgebruik ontwikkelen.
 Leerlijn vanuit product componenten? De materialenlijn
Kinderen ontwikkelen materiaalgevoel. Het gaat hier niet om hantering van technieken of gereedschappen, maar om de ervaring met materialen.
De materiaallijn hangt nauw samen met de vormlijn. Het materiaal maakt de toepassing van beeldaspecten mogelijk. (vorm)
 Leerlijn vanuit product componenten? De vormlijn.
Is specifiek voor beeldend onderwijs. Het is de opbouw van de beeldaspecten: kleur, ruimte, vorm, textuur en compositie.
Er moet een opbouw in moeilijkheidsgraad zijn en combinaties van de verschillende beeldaspecten.
Als kleur bijv. 8 keer per jaar centraal staat, moet je als leerkracht daar een lijn in aanbrengen.
Leerlijn vanuit product componenten? De betekenislijn
Bij betekenis gaat het over de onderwerpen die je in je onderwijs behandelt.
Je kunt de onderwerpen clusteren tot een thema of categorie, die met een regelmaat aan bod komen door alle leerjaren van de basisschool.
Vb. van thema's: natuur, de seizoenen, techniek, familie, woon- leefomgeving.
Met deze thema kun je voor acht groepen een mooie opbouw maken. 
wat zijn de product componenten? 3x
betekenis
vorm
materie