Samenvatting Laboratoriumuitslagen

-
490 Flashcards en notities
1 Studenten
  • Deze samenvatting

  • +380.000 andere samenvattingen

  • Een unieke studietool

  • Een oefentool voor deze samenvatting

  • Studiecoaching met filmpjes

Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.

PREMIUM samenvattingen zijn gecontroleerd op kwaliteit en speciaal geselecteerd om je leerdoelen nog sneller te kunnen bereiken!

Samenvatting - Laboratoriumuitslagen

  • 1 Wettelijk kader

  • Labwaarden die een apotheker mag opvragen, raadplegen en bewaren zijn:
    1. creatinineklaring (afwijkende nierfunctiewaarden)
    2. kalium
    3. natrium
    4. spiegels van gnm met een smalle therapeutische breedt
    5. PT-INR
    6. farmacogenetische parameters
  • Ontvangt u labwaarden van huisarts of lab dan:
    mag u veronderstellen dat er toestemming is gegeven door de patiënt
  • Afwijkende nierfunctie
    MDRD < 50
  • Afwijkende nierfunctie moet
    actief gedeeld worden aan de apotheker
  • Welke patiënten groepen hebben een vergote kans op chronische nierschade?
    1. Diabeten
    2. Hypertensie
  • Toestemming voor LSP
    is niet hetzelfde als toestemming geven voor het delen van labwaarden
  • WGBO (Wet op de geneeskundige behandelovereenkomst) zegt over labwaarden dat
    de apotheek dit alleen mag ontvangen als het relevant is voor de behandeling
  • lab waarden delen toestemming mag
    mondeling (wel registreren in AIS)
  • wat moet u met de labwaarden doen
    labwaarden die u krijgt moet u gebruiken bij de behandeling medicatiebewaking houdt daar rekening mee met de werkprocessen plus labwaarden zijn beperkt houdbaar
  • 2.1.1 Inleiding

  • Bij bepaling van gnm in bloed urine of andere lichaamsvloeistoffen rekening houden met
    de farmacokinetiek van de werkzame stof (figuur 1 syllabus)

    belangrijk is:
    1. toedieningsvorm
    2. binding aan eiwitten
    3. klaringswijze
    4. klaringssnelheid
    5. afname nier, lever en hartfunctie kunnen van invloed zijn
  • Therapeutisch venster van een gnm is
    de concentratie waarin het geneesmiddel aanwezig moet zijn in het lichaam/plasma om therapeutisch effect te hebben
  • Hogere concentraties leiden vaak tot
    bijwerkingen
  • Lagere concentraties leidt tot
    niet het gewenste effect
  • Bloedplasmaconcentraties kunnen
    fluctueren --> vast tijdstip aan voor bloedmonstering

    soms kan dit niet aangehouden worden bijv wanneer bij de patiënt thuis bloed wordt afgenomen
  • Bloedmonsters niet op juiste tijdstip afgenomen
    mbv farmacokinetiek omrekenen naar het tijdstip waarop monster had moeten worden afgenomen
  • Plasmaconcentratie in steady state na
    4-5t1/2
  • 2.1.2 Lithiumspiegel

  • Hoevaak bloedspiegel controleren bij stabiele instelling van lithium
    minimaal 2 maal per jaar
  • Wat wil je naast de spiegel ook bepalen?
    TSH --> verhoogd risico schildklierfunctiestoornis
    creatinine --> voor de nierfunctie
  • Intoxicatie verschijnselen lithium zijn
    1. braken
    2. diarree
    3. onduidelijk spreken
    4. dronkemansgang
    5. spierschokken en spierzwakte
    6. slaperigheid/sufheid tot bewusteloosheid
  • Venapunctie is beter dan vingerprik bij lithiumbepaling omdat
    In vingerprikbloed gemakkelijker hemolyse optreedt (rode bloedcellen die uitelkaar vallen)
  • Wat doet vingerprikbloed met de lithiumconcentratie
    De lithiumconcentratie in erythrocyten is vele malen hoger dan die in serum(plasma) dus door hemolyse fout onstaan dan verhoogde waarden
  • Wanneer bloed afnemen om lithiumconcentratie te bepalen
    12 uur na inname
    of
    bij meermalen per dag dan bloedafname voor de ochtendgift
  • Referentie waarden lithium dalspiegel (12 uur na inname) is
    0,6-1,2 mmol/l
  • Toxiche lithiumspiegel waarden zijn waarden vanaf
    1,5 mmol/l
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Laatst toegevoegde flashcards

Let op : Door gnm gnm interactie kan een bepaald voorspeld fenotype zelfs
verschuiven naar een andere fenotype

bijv een sterke CYP2D6-remmer paroxetine akn een extensive of intermedicate metabolizer veranderen in een poor metabolizer

Op theoretische gornden zijn vooral intermediate metabolizers gevoelig voor interacties
Binnen 1 fenotype is aanzienlijke spreiding in metabole capaciteit mogelijk
door oa factoren die ook de metabole capaciteit beïnvloeden zoals:
  1. gnm-gnm interacties gnm die CYP enzymen kunnen induceren (stimuleren of inhiberen remmen
  2. voeding
  3. rookgedrag
  4. ziekteomstandigheden zoals comorbiditeit; nier en leverfunctie
Effecten op gnm metabolisme bij Poor of Intermediate metabolizers
bijwerkingen door verhoogde plasmaconcentraties
bij pro drugs: gnm minder werkzaam door verlaagde plasmaconcentraties
Effecten op het gnm metabolisme bij Ultrarapid Metabolizers
verlaagde plasmaconcentratie met mogelijk verminderde werking
let op bij: pro drugs een verhoogde plasmaconcentratie met mogelijk toename werkzaamheid
Ultrarapid metabolizers = UM
hogere activiteit dan EM
Intermediate metabolizers = IM
activiteit van het enzym of eiwit tussen de activiteit van EM en PM in
Poor metabolizers = PM
geen of zeer lage activiteit
Extensive metabolizers = EM
normale activiteit van het enzym of eiwit
Voorspeld fenotype
Op basis van het gevonden genotype kan het metabole fenotype worden voorspeeld. EM, PM, IM, UM
Klinische gevolgen genotypering
Bij genotypering wordt vastgesteld welke allelen van het betrefende gen het geteste individu bezit.

Gescreend op meest voorkomende genetische variaties in Nederland

Geen polymorfismen aangetoond = genotyperingsuitslag *1/*1 (wildtype) gegeven
Uitslag: belangrijk om te weten op welke variant allelen het gen is onderzocht

Kans: dat er een afwijkende metabolizer wordt gemist is afhankelijk van het aantal variant allelen waarop is gescreend.

De uitslag van een genotypering blijft altijd geldig, behalve als er op additionele varianten (bijv op voordien onbekende varianten) wordt getest.