Samenvatting Latijn

128 Flashcards en notities
1 Studenten
  • Deze samenvatting

  • +380.000 andere samenvattingen

  • Een unieke studietool

  • Een oefentool voor deze samenvatting

  • Studiecoaching met filmpjes

Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.

Samenvatting - Latijn

  • 1.1 woorden hoofdstuk 2

  • Mirus, -a, -um
    Wonderbaarlijk, schitterend
  • Donum
    Geschenk
  • Accipit (accipēre)
    (hij/zij/het) ontvangt, krijgt



  • amat (amare)



    (hij/zij/het) houdt van, bemint



  • statim
    Meteen



  • laetus, -a, -um



    blij, vrolijk, opgewekt



  • et



    1. en 
    2. ook



  • per + acc.



    1. door ... heen 
    2. gedurende



  • est



    (hij/zij/het) is



  • regia



    paleis



  • currit (currĕre)



    (hij/zij/het) rent



  • nunc



    nu



  • mensa



    tafel



  • tangit (tangĕre)



    (hij/zij/het) raakt aan



  • quoque
    Ook



  • in + acc.



    naar, naar binnen, ... in



  • aurum
    Goud



  • mutat



    1. (hij/zij/het) verandert 2. (hij/zij/het) verwisselt



  • servus



    slaaf



  • cibus



    voedsel, eten
  • Vinum
    Wijn



  • incipit (incipĕre)



    (hij/zij/het) begint



  • silva
    Bos



  • errat (errare)



    1. (hij/zij/het) zwerft rond, dwaalt. 2. (hij/zij/het) vergist zich



  • videt (vidēre)



    (hij/zij/het) ziet



  • deus
    God



  • canit (canĕre)



    1. (hij/zij/het) zingt 2. (hij/zij/het) speelt



  • certant (certare)



    (zij) strijden, wedijveren



  • audit (audire)



    (hij/zij/het) hoort, luistert (naar)



  • victoria



    overwinning



  • dat (dare)



    (hij/zij/het) geeft



  • autem



    echter, maar



  • clamat (clamare)



    (hij/zij/het) roept



  • stultus, -a, -um



    dom, stom, dwaas



  • habet (habēre)



    (hij/zij/het) heeft, houdt
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Laatst toegevoegde flashcards

feci 



pf. v. facio (facĕre) §
fingo (fingĕre) 



1. vormen
2. verzinnen 
finxi 



pf. v. fingo (fingĕre) 
spiritus 



1. adem 2. geest 
voco (vocare) 



1. roepen 2. noemen 
coepi (pf.) 



ik ben begonnen, ik begon 
transeo (transire) 



1. overgaan, oversteken 2. voorbijgaan (van tijd) 
secum



met/bij zich(zelf) (=cum se) 
fluvius



rivier 
taceo (tacēre)



zwijgen