Samenvatting Mobiliteit (vwo) (2014)

-
ISBN-10 9461101058 ISBN-13 9789461101051
188 Flashcards en notities
109 Studenten
  • Deze samenvatting

  • +380.000 andere samenvattingen

  • Een unieke studietool

  • Een oefentool voor deze samenvatting

  • Studiecoaching met filmpjes

Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.

Dit is de samenvatting van het boek "Mobiliteit (vwo) (2014)". De auteur(s) van het boek is/zijn LWEO. Het ISBN van dit boek is 9789461101051 of 9461101058. Deze samenvatting is geschreven door studenten die effectief studeren met de studietool van Study Smart With Chris.

PREMIUM samenvattingen zijn gecontroleerd op kwaliteit en speciaal geselecteerd om je leerdoelen nog sneller te kunnen bereiken!

Samenvatting - Mobiliteit (vwo) (2014)

  • 1.1 De vervoersector

  • Door de ontwikkeling van steeds betere communicatiemiddelen (mobiele telefoon, internet) zou je verwachten dat de behoefte aan vervoer afneemt. Het tegendeel is waar. Door sneller en goedkoper vervoer zijn we juist veel gaan reizen. Betere vervoersmogelijkheden lokken namelijk juist nieuwe vraag naar vervoer uit. Reizen, ooit een luxe voor de rijken, is nu voor veel mensen een eerste levensbehoefte geworden. Het belang van vervoer uit zich in toenemende reisbudgetten. Het aandeel dat de vervoersuitgaven in het totaal van de uitgaven inneemt stijgt voortdurend.
  • Het aandeel van vervoersuitgaven in totale uitgaven stijgt steeds.
  • 1.2 Schaarste

  • Economie bestudeert de behoeften die mensen hebben en de manier waarop ze in die behoeften voorzien. Om in hun behoeften te voorzien hebben mensen middelen nodig. De behoeften van mensen zijn oneindig maar de middelen zijn beperkt. De spanning tussen oneindige behoeften en beperkte middelen noemen we schaarste. In het dagelijks spraakgebruik betekent schaarste een tekort aan iets. Dit noemen we absolute schaarste. In de economie gebruiken we schaarste als een relatief begrip. Een product is schaars als er middelen (geld of tijd) opgeofferd moeten worden om het te maken.

    Om schaarste te verminderen produceren mensen goederen en diensten. Goederen zijn stoffelijk en diensten zijn onstoffelijk. Vrije goederen zijn goederen die niet schaars zijn, er zijn geen offers nodig om ze te verkrijgen (zoals de lucht die we inademen).
  • Een econoom kijkt naar de afweging van behoeften en middelen.
  • Wat betekent schaarste?
    Economie bestudeert de behoeften die mensen hebben en de manier waarop ze in die behoeften voorzien. Om in hun behoeften te voorzien hebben mensen middelen nodig. De behoeften van mensen zijn oneindig maar de middelen zijn beperkt. De spanning tussen oneindige behoeften en beperkte middelen noemen we schaarste. 
  • Wat is schaarste?
    De spanning tussen oneindige behoeften en beperkte middelen.
  • Wat wordt er bedoeld met absolute schaarste?
    In het dagelijks spraakgebruik betekent schaarste een tekort aan iets. Dit noemen we absolute schaarste.
  • Een product is schaars als er middelen moeten worden opgeofferd om het te maken.
  • Wat wordt er bedoeld met relatieve schaarste?
    In de economie gebruiken we schaarste als een relatief begrip. Een product is schaars als er middelen (geld of tijd) opgeofferd moeten worden om het te maken.
  • Uit welke 2 dingen bestaan producten?
    Goederen en diensten.
  • Wat wordt er gedaan om schaarste te verminderen?
    Om schaarste te verminderen produceren mensen goederen en diensten.
  • Wat zijn vrije goederen?
    Goederen die niet schaars zijn, en waar er geen middelen opgeofferd moeten worden om het te maken.
  • Wat zijn vrije goederen?
    Vrije goederen zijn goederen die niet schaars zijn, er zijn geen offers nodig om ze te verkrijgen (zoals de lucht die we inademen).
  • Economen zeggen dat middelen alternatief aanwendbaar zijn.
  • 1.3 Ruil

  • Ruil in natura
    Ooit leefden de mensen in stammen en waren ze zelfvoorzienend. Ze verzorgden zelf al hun eigen levensbehoeften: ze waren bij wijze van spreken groenteman, bakker, slager en timmerman tegelijk. Het is efficiënter om het arbeidsproces te verdelen in afzonderlijke taken. Dit noemen we arbeidsdeling: mensen specialiseren zich door zich toe te leggen op één activiteit. 

    Door arbeidsdeling en specialisatie ontstaan verschillende beroepen. Producenten maken meer dan ze voor hun eigen levensbehoeften nodig hebben en ruilen de rest. Bij een ruil of transactie is er sprake van een win-winsituatie: beide partijen worden er beter van. De ruil van goederen tegen goederen noemen we directe ruil of ruil in natura.
  • Wat is arbeidsverdeling?
    Mensen specialiseren zich door zich op één activiteit te richten.
  • Transactiekosten
    Directe ruil vergt veel tijd en energie. Er is een zoektijd en er moet onderhandeld worden over de prijs. Alle kosten die gemaakt worden om een ruil tot stand te brengen en af te wikkelen noemen we transactiekosten. Directe ruil gaat gepaard met hoge transactiekosten. Daarom is de directe ruil ook grotendeels vervangen door indirecte ruil

    Bij indirecte ruil fungeert een algemeen begeerd goed als ruilmiddel (geld). Een ruilmiddel of geld is dus een goed dat mensen graag willen hebben. Het eerste ruilmiddel was zout, maar later werd er overgegaan op munten van edelmetalen zoals goud, zilver en koper. Geld fungeert niet alleen als ruilmiddel of betaalmiddel, maar ook als rekenmiddel (de waarde van producten drukken we in geld uit) en spaarmiddel (het niet-uitgeven van geld).
  • Voor een vrijwillige ruil moeten beide partijen er beter van worden.
  • Marktsector
    Ruil vindt plaats op een markt. Op een markt worden producten aangeboden door de producent (verkoper) en gevraagd door de consument (koper). Op de markt wordt de prijs bepaald door vraag en aanbod, waarbij geld als ruilmiddel dient.

    Niet-marktsector
    De activiteiten van de overheid en de non-profitsector rekenen we tot de niet-marktsector omdat er voor de overheidsdiensten geen marktprijs wordt berekend of omdat de prijs niet bepaald wordt door vraag en aanbod.

    We maken een onderscheid tussen de formele en informele economie. De formele economie is de officieel geregistreerde economie. De informele economie bevat de productieve activiteiten die buiten de overheidsregels vallen of zich daaraan onttrekken (zoals zwart werken, huishoudelijke arbeid en zorgtaken).
  • Wat is directe ruil/ ruil in natura?
    De ruil van goederen tegen goederen.
  • Wat betekent arbeidsdeling?
    Ooit leefden de mensen in stammen en waren ze zelfvoorzienend. Ze verzorgden al hun eigen levensbehoeften zelf: ze waren bij wijze van spreken groenteman, bakker, slager en timmerman tegelijk. Het is efficiënter om het arbeidsproces te verdelen in afzonderlijke taken. Dit noemen we arbeidsdeling: mensen specialiseren zich door zich toe te leggen op één activiteit. 
  • Wat zijn transactiekosten?
    Alle kosten die gemaakt worden om een ruil tot stand te brengen en af te handelen.
  • Wat is specialisatie?
    Mensen specialiseren zich door zich toe te leggen op één activiteit van het gehele productieproces. 
  • Wat is indirecte ruil?
    De ruil van goederen tegen geld, en geld tegen goederen.
  • Wat is het resultaat van arbeidsdeling en specialisatie?
    Door arbeidsdeling en specialisatie ontstaan verschillende beroepen. Producenten maken meer dan ze voor hun eigen levensbehoeften nodig hebben en ruilen de rest. Bij een ruil of transactie is er sprake van een win-winsituatie: beide partijen worden er beter van.
  • Welke 3 functies geeft geld?
    Ruilmiddel
    Rekenmiddel
    Spaarmiddel
  • Wat wordt er bedoeld met directe ruil of ruil in natura?
    De ruil van goederen tegen goederen noemen we directe ruil of ruil in natura.
  • Op een markt worden producten aangeboden door de producent en gevraagd door de consument.
  • Wat zijn transactiekosten?
    Directe ruil vergt veel tijd en energie. Er is een zoektijd en er moet onderhandeld worden over de prijs. Alle kosten die gemaakt worden om een ruil tot stand te brengen en af te wikkelen noemen we transactiekosten. 
  • Wat is de informele sector?
    Het zwarte circuit (+ grijze circuit) waar de productie van goederen en diensten niet wordt geregistreerd.
  • Wat is indirecte ruil?
    Directe ruil gaat gepaard met hoge transactiekosten. Daarom is de directe ruil ook grotendeels vervangen door indirecte ruil. Bij indirecte ruil fungeert een algemeen fungeert goed als ruilmiddel (geld). Een ruilmiddel of geld is dus een goed dat mensen graag willen hebben. Het eerste ruilmiddel was zout, maar later werd er overgegaan op munten van edelmetalen zoals goud, zilver en koper. 
  • Wat is de formele sector?
    Het witte circuit waar alle transacties worden opgegeven aan de belastingdienst.
  • Welke verschillende functies heeft geld?
    Geld fungeert niet alleen als ruilmiddel of betaalmiddel, maar ook als rekenmiddel (de waarde van producten drukken we in geld uit) en spaarmiddel (het niet-uitgeven van geld).
  • Wat is de niet-marktsector?
    De activiteiten van de overheid en de non-profitsector, waarvoor er geen marktprijs berekend wordt.
  • Wat is de rol van een (abstracte) markt?
    Ruil vindt plaats op een markt. Op een markt worden producten aangeboden door de producent (verkoper) en gevraagd door de consument (koper). Op de markt wordt de prijs bepaald door vraag en aanbod, waarbij geld als ruilmiddel dient. 
  • Wat wordt er bedoeld met de niet-marktsector?
    De activiteiten van de overheid en de non-profitsector rekenen we tot de niet-marktsector omdat er voor de overheidsdiensten geen marktprijs wordt berekend of omdat de prijs niet bepaald wordt door vraag en aanbod. 
  • Wat is het verschil tussen de formele en informele economie?
    We maken een onderscheid tussen de formele en informele economie. De formele economie is de officieel geregistreerde economie. De informele economie bevat de productieve activiteiten die buiten de overheidsregels vallen of zich daaraan onttrekken (zoals zwart werken, huishoudelijke arbeid en zorgtaken).
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.