Samenvatting Nationalisme, naties en staten. Europa vanaf circa 1800 tot heden.

-
ISBN-10 9460040810 ISBN-13 9789460040818
1537 Flashcards en notities
37 Studenten
  • Deze samenvatting

  • +380.000 andere samenvattingen

  • Een unieke studietool

  • Een oefentool voor deze samenvatting

  • Studiecoaching met filmpjes

Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.

Dit is de samenvatting van het boek "Nationalisme, naties en staten. Europa vanaf circa 1800 tot heden.". De auteur(s) van het boek is/zijn Leo H M Wessels Toon Bosch. Het ISBN van dit boek is 9789460040818 of 9460040810. Deze samenvatting is geschreven door studenten die effectief studeren met de studietool van Study Smart With Chris.

PREMIUM samenvattingen zijn gecontroleerd op kwaliteit en speciaal geselecteerd om je leerdoelen nog sneller te kunnen bereiken!

Samenvatting - Nationalisme, naties en staten. Europa vanaf circa 1800 tot heden.

  • 1.1 tentamen 1

  • Volgens de antropoloog Ernest Geller is de natie het product van het nationalisme. Wat bedoelt hij met deze uitspraak?
    a De moderne volksnatie name voor het eerst vorm aan in het revolutionaire nationalisme van de Franse Revolutie en was dus het resultaat van het nationalistische streven van grote bevolkingsgroepen.
    b de natie ontstaat niet uit het niets, maar bouwt voort op oudere culturele tradities
    c het nationalisme ontstond - in tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht - al in de periode van de renaissance en ging daarom vooraf aan de natievorming in Europa
    d Moderne naties kunnen hun nationale identiteit herleiden tot aristocratische naties die aan het einde van de middeleeuwen ontstonden.
    A (pp 160-162)
  • Wat is typerend voor het nationalisme in landen als Ierland, Finland en Roemenie?
    a door het ontbreken van een eigen literatuur, richtte het 19e eeuws nationalisme zich voornamelijk op de volkscultuur
    b door het late ontstaan van een eigen staat, komt het nationalisme pas in de 20e eeuw tot ontwikkeling
    c door het ontbreken van een gemeenschappelijke cultuur, richt het nationalisme zich vooral op het niveau van de staat en de politiek
    d Door het ontbreken van een traditie van staatsvorming, richt het nationalisme zich vooral op cultureel-etnische factoren als taal, religie, en literatuur. 
    D (pp 161)
  • de britse historicus en kosmopoliet Lord Acton publiceerde in 1862 zijn beroemde essay Nationality. Welke visie had Lord Acton op het nationalisme van zijn tijd?
    A het nationalisme was bedriegend voor de gevestigde orde, omdat deze ideologie gepaard ging met de verspreiding van liberale waarden
    B het nationalisme was een belangrijke stap voorwaarts, omdat het de inwoners van een staat verenigde achter een algemeen belang.
    C het nationalisme was een stap achterwaarts in de geschiedenis, omdat de diversiteit binnen 1 staat de beste waarborg vormde voor de vrijheid en algemeen welzijn
    D het nationalisme had een positieve politieke betekenis, omdat deze ideologie een einde zou maken aan de veelvolkerenstaten in Oost-Europa. 
    C (p 166)
  • Nadat Napoleon - mede op basis van nationalistische propaganda - was verslagen, werden tijdens het Congres van Wenen (1814-1815) afspraken gemaakt over de toekomstige ordening van het Europese continent. Welke afspraken maakten de 5 leidende delegaties - de pentarchie - over de rol van het nationalisme?
    A de pentarchie accepteerde een belangrijke rol in het nieuwe Europa voor gematigde nationalistische bewegingen
    B de pentarchie kende geen enkele rol toe aan het nationale principe, behalve voor zover het verbonden was met de legitimiteit van de Europese vorstenhuizen
    C de pentarchie onderkende de nieuwe rol van het nationalisme, maar besloot dat het nationalisme alleen in de vorm van een officieel staatsnationalisme acceptabel was
    D De pentarchie wees het nationale principe radicaal van de hand. Het nationalisme speelde geen enkele rol in de onderhandelingen en de afspraken die werden gemaakt
    B (p 171) 
  • In de 1e helft van de 19e eeuw streefden nationalisten in Midden- en Oost-Europa naar nationale eenwording, waar in Noordwest-Europ de nationale eenheid in de meeste gevallen reeds was gerealiseerd. Welke idealen waren in deze periode van minder belang in Midden- en Oost-Europa dan in Noordwest-Europa?
    A Het door de Verlichting geinspireerde kosmopolitisme, omdat de nationalisten in Midden- en Oost-Europa zagen dat hun nationalistische strevingen politieke spanningen met buurvolken zouden oproepen
    B Het ideaal van de rechtsstaat en van burgerrechten was in Midden- en Oost-Europa van minder belang, omdat men in dit gebied met meer politieke repressie te maken had
    C Het ideaal van een etnisch zuivere natiestaat was in Midden- en Oost-Europ minder ontwikkeld, omdat de meeste oost-Europese volkeren in veelvolkerenstaten leefden
    D Het ideaal van zelfbeschikking van ook de kleinste territoriale eenheden van van minder belang in Midden- en Oost-Europa.
    A (pp 196-197)
  • In de 1e helft van de 19e eeuw ontstonden ook vormen van populistisch nationalisme, die gebaseerd waren op een romantisch geloof in eigen volk. Wat was destijds de relatie tussen dit populistisch nationalisme en het liberale principe van de vertegenwoordigende democratie?
    A Het populistisch nationalisme uit de 1e helft van de 19e eeuw had nog een uitsluitend liberaal karakter, omdat de vertegenwoordigende democratie nog geen realiteit was maar louter een ideaal
    B Het populistisch nationalisme uit de 1e helft 19e eeuw was op geen enkele manier verbonden met liberale of conservatieve stromingen, maar vormde een geheel eigen stroming. Het populisme pleitte voor democratisch presentisme, waardoor het gewone volk actief bij het politieke proces kon worden betrokken
    C in de 1e helft 19e eeuw had het populistisch nationalisme een sterk romantisch karakter en was daardoor uitsluitend verbonden met conservatieve politieke stromingen, die de mythische relatie tussen vorst en volk benadrukten.
    D In de 1e helft 19e eeuw had het populistisch nationalisme enerzijds een democratische tendens, maar anderzijds was er ook spanning tussen populisme en het principe van de vertegenwoordigende democratie. 
    D (p201)
  • In Ierland ontstond in de jaren 20 van de 19e eeuw een brede nationale beweging. Wat was het belangrijkste succes dat deze beweging in de jaren 20 wist te boeken?
    A De intrekking van de Act of Union van 1801
    B de toekenning van gelijke rechten aan katholieken
    C een uitbreiding van het kiesrecht in Ierland
    D een vergaande vorm van politieke autonomie (Home Rule)
    B (p210)
  • In 1797 vroegen Goethe en Schiller zich in de Xenien af: Deutschland? Aber wo liegt es? Wat was destijds hun antwoord op deze vraag?
    A Duitsland bestaat alleen in de Duitse taal en literatuur
    B Duitsland bestaat uitsluitend uit de afzonderlijke staten en staatjes, waarin Duits de officiele taal is
    C Duitsland omvat niet alleen alle Duitse territoria, maar ook de niet-Duitssprekende delen van Pruisen en Oostenrijk
    D Duitsland is een Kulturnation, die net als Frankrijk ook in politieke zin verenigd moet worden
    A (p216)
  • Welke visie was typerend voor het volkische nationalisme, dat voor het eerst zichtbaar werd in het werk van de duitsers Ernst Moritz Arndt en Friedrich Ludwig Jahn?
    A Cultuurrelativisme: ieder volk heeft zijn eigen gelijkwaardige cultuur
    B Culturele superioriteit: het Duitse Volk is cultureel superieur en heeft geen behoefte aan politieke superioriteit
    C Democratie: het gewone volk moet in Duitsland aan de macht komen
    D Xenofobie: het doel is om het Volk van alle vreemde smetten te zuiveren.
    D (p219-221)
  • Vanaf het begin van haar bestaan in 1829 was de nieuwe Griekse staat belast met het probleem van irredenta. Wat wordt hiermee bedoeld?
    A. Dat een aanzienlijk deel van de Grieken in Grieks sprekende gebieden leefden buiten de nieuwe Griekse staat en dat die gebieden zouden moeten worden veroverd. 
    B. Dat er binnen de nieuwe Griekse staat een sterk centraal gezag ontbrak, waardoor er sprake was van banditisme en wetteloosheid.
    C. Dat er binnen de nieuwe Griekse staat verschillende etnische minderheden leefden, die zich zouden moeten assimileren
    D. dat er binnen de nieuwe Griekse staat verschillende geloven werden beleden en dat die geloofsgemeenschappen met elkaar in conflict konden komen. 
    A HB p 237
  • Wat was de belangrijkste oorzaak van de Griekse onafhankelijkheid?
    A. De ondersteuning van de Grieken door de Servische en Bulgaarse nationalisten
    B. een breed gedragen nationale beweging in Griekenland
    C. een revolutie tegen het Ottomaanse bewind in Turkije
    D. een interventie door Engeland, Frankrijk en Rusland
    D. HB p 247
  • Welke van de onderstaande factoren vormde GEEN belangrijke belemmering voor het Poolse nationalisme in de 19e eeuw?
    A. De bedreiging van het 19e eeuwse Europese machtsevenwicht door de mogelijke vestiging van een Poolse staat, waardoor internationale steun voor de Poolse zaak beperkt bleef
    B. De belangentegenstellingen tussen de Poolse adel en de Poolse boerenbevolking
    C. de belangentegenstelling tussen Poolse nationalisten die een Groot-Polen nastreefden en de niet-Poolse bevolkingsgroepen die behoorden tot niet-katholieke christelijke kerken
    D. De nadruk van Poolse nationalisten op de noodzaak van landhervormingen
    D HB p 255-259
  • Welke politieke ontwikkeling was van groot belang voor het succes van de Belgische afscheiding?
    A. de gebrekkige belangstelling van Koning Willem I in het behoud van de Zuidelijke Nederlanden
    B. De internationale erkenning van Belgie tijdens een conferentie in Londen
    C. de overwinning van katholieken op liberalen bij verkiezingen in de Zuidelijke nederlanden
    D. het isolement van Holland in de Staten-generaal in zijn verzet tegen de afscheiding
    B Hb p 270-271
  • Wat is het belangrijkste verschil tussen het nationalisme uit de 1e helft van de 19e eeuw en het nationalisme uit de 2e helft van de 19e eeuw?
    A. Het nationalise had gedurende de hele 19e eeuw een uitgesproken conservatief karakter. het belangrijkste verschil tussen de 1e en 2e helft was dat in de 2e helft ook gewone burgers zich aangetrokken voelden tot het nationalisme
    B. Het nationalisme had in de 19e eeuw aanvankelijk een conservatief karakter, maar werd in de 2e helft ook opgepakt door de opkomende socialisten
    C. Het nationalisme uit de 1e helft van de 19e eeuw had vooral een progressief karakter, terwijl het nationalisme uit de 2e helft in toenemende mate werd gesteund door conservatieve elites
    D. Het nationalisme was in de 1e helft vooral een initiatief van de staat en ontwikkelde zich in de 2e helft tot een volksbeweging.
    C HB p 288
  • Tussen 1814 en 1848 keerden de Bourbons weer terug op de Franse troon. Welke politieke groepering was in deze periode vooral de drager van het Franse nationalisme?
    A. de conservatieven die deel uitmaakten van de regering
    B. de liberalen die deel uitmaakten van de regering
    C. de linkse oppositie
    D. de rechts-nationalistische oppositie
    C HB p 301
  • In de decennia voorafgaande aan WO I vond in Frankrijk een verregaande uniformering van levenswijze, taal en mentaliteit plaats. Welke van de onderstaande overheidsinterventies maakt GEEN deel uit van dit proces?
    A. de grootschalige invoering van de dienstplicht
    B. de aanleg van een netwerk van lokale en provinciale wegen
    C. de invoering van nationale feestdagen
    D. de onderdrukking van regionale identiteiten
    D HB p 312
  • Hoe kan de politieke situatie in Frankrijk in de jaren voorafgaand aan WO I worden gekarakteriseerd? 
    A. Dreiging van de flanken: door de radicalisering van de socialisten en de doorbraak van de rechts nationalisten ontstond er in Frankrijk een explosieve politieke situatie
    B. Crisis binnen het republikeinse kamp: weliswaar vormden de radicale flanken van het politieke spectrum geen bedreiging in deze periode, maar door de felle conflicten tussen conservatieve en radicale republikeinen was er sprake van grote politieke instabiliteit
    C. Dreiging van rechts: terwijl de socialisten het republikeins bestel accepteerden, vormden de rechts nationalisten een steeds groter bedreiging van het politieke systeem
    D. Interne stabiliteit: de rechtse nationalisten vormden geen serieuze bedreiging, de socialisten accepteerden het republikeins besteld en de conservatieve en radicale republikeinen werkten samen
    D HB p317-318
  • Wat was kenmerkend voor het Nederlandse nationalisme in de jaren voor WO I?
    A. Angst: de kleine natie leek verscheurd te worden tussen de grote buurlanden
    B. defaitisme: verval en een gebrek aan geloof in de eigen natie
    C. optimisme: een tweede Gouden Eeuw en geloof in de toekomst
    D. revanchisme: herstel van het Groot-Nederlandse ideaal
    C HB p 236
  • Waarom leidde de revolutie van 1848 niet tot de eenwording van Duitsland?
    A. Doordat de afgevaardigden in het Frankfurter parlement een republikeinse oplossing bleven eisen, waartegen de Duitse vorsten zich bleven verzetten
    B. Doordat de afgevaardigden in het Frankfurter parlement het niet eens konden worden aan welke vorst de keizerskroon moest worden aangeboden
    C. Doordat de kleinere Zuid-Duitse staten de eenwording bleven blokkeren
    D. Doordat Pruisen en Oostenrijk elkaars plannen voor de eenwording verwierpen, maar een gewapend conflict uit de weg gingen. 
    D HB p 330
  • Hoe kan de politieke situatie in Duitsland in de jaren voorafgaand aan WO I worden gekarakteriseerd?
    A. Duitsland was een militaire monarchie, met een almachtige positie voor keizer Wilhelm II
    B. Het politieke bestel van Duitsland vormde in deze periode een spel, waarbij verschillende krachten - Keizer en bondskanselier, het nationale parlement en de deelstaten- elkaar min of meer in evenwicht hielden
    C. Duitsland was een laat-feodale staat met een almachtige positie voor de alliantie van de Pruisische Junkerklasse en de industriele elite
    D. Duitsland was een goed functionerende parlementaire democratie, waarbij het nationale parlement werd gekozen volgens algemeen mannenkiesrecht
    B HB pp 340-341
  • Welke rol speelde Garibaldi in de italiaanse eenwording?
    A. Garibaldi was een Italiaanse monarchist en veroverde met een klein leger Rome
    B. Garibaldi was een autoritaire en rechtse nationalist en veroverde met een klein leger Napels
    C. Garibaldi was een Italiaans nationalist en veroverde met een klein leger het Habsburgse Venetie
    D. Garibaldi was voorstander van een democratische Italiaanse republiek en veroverde met een klein leger de Zuid-Italiaanse bourbonstaat
    D HB p 353
  • In de laatste decennia van de 19e eeuw waren de oude Poolse gebieden verdeeld tussen 3 Europese rijken: Duitsland, Oostenrijk-Hongarije en Rusland. In welk van deze Rijken beschikten de Polen over een relatieve vrijheid en werden ze niet gedwongen om zich te conformeren aan de heersende nationale identiteit. 
    A. Duitsland
    B. Oostenrijk-Hongarije
    C. Rusland
    D. In geen van deze rijken.
    B HB p 367
  • Sinds 1805 maakte het groothertogdom Finland deel uit van het Tsarenrijk. Door welke ontwikkeling ontstond in Finland een sterk nationaal bewustzijn en opstandigheid jegens Rusland?
    A. Vanaf het begin van de Russische annexatie in 1805 was er een sterk nationaal verzet onder de Finnen, omdat zij fel gekant waren tegen de annexatie. 
    B. Door de Europese revoluties van 1848 ontstond ook in Finland een sterke nationale beweging gericht tegen de Russische overheersing
    C. Geinspireerd door de Poolse opstanden van 1863-1864 ontstond ook in Finland een radicale nationale beweging. 
    D. Onder gouverneur-generaal Bobrikov werd in Finland vanaf 1899 een actieve russificatiepolitiek ingevoerd, die leidde tot een versterkt nationaal bewustzijn en opstandigheid jegens het Russische gezag. 
    D HB 377-378
  • Charles maurras was met zijn beweging Action Francaise een van de voormannen van het Franse rechts nationalisme van rond 1900. Welke van de onderstaande doelen streefde Maurras NIET na?
    A. Centralisering van de Franse staat
    B. heroprichting van de adel
    C. herstel van de vooraanstaande positie van de katholieke kerk
    D. terugkeer van de monarchie 
    A HB p 396
  • Welke politieke rol had de radicale en volkische variant van het Duitse nationalisme in de jaren voor WO I?
    A. Het volkische nationalisme speelde voor 1914 slechts een marginale rol in de Duitse publieke opinie en politiek
    B. Het volkische nationalisme speelde voor 1914 een belangrijke rol in de publieke opinie, maar had geen enkele invloed op de politieke besluitvorming
    C. Het volkische nationalisme speelde voor 1914 een belangrijke rol in de publieke opinie en had ook enige invloed op de politieke besluitvorming, bijv bij de inhoudelijke vormgeving van de Duitse wet op het staatsburgerschap
    D. het volkische nationalisme had al voor 1914 een fors aantal zetels in het Duitse parlement en had grote invloed op de politieke besluitvorming.
    C. HB p 399-400
  • Wanneer ontstond in vele landen een vorm van officieel staatsnationalisme?
    A. In het decennium na 1815, toen Napoleon definitief werd verslagen
    B. In de jaren dertig van de 19e eeuw
    C. In de laatste decennia van de 19e eeuw
    D. in de laatste jaren voor het begin van WO I
    C. HB p 407
  • In de periode tussen 1914 en 1945 speelde het in 1918 verslagen en revanchistische Duitsland een cruciale rol. Welke van de hieronder genoemde aspecten maakte het duitse nationalisme in deze periode uniek binnen Europa?
    A. De problematische verhouding tussen staat en natie
    B. Het streven naar een etnische zuivere bevolking
    C. het antisemitisme
    D. geen van de genoemde aspecten
    D Hb p 418
  • In de zomer van 1914 ontaardde een lokaal conflict tussen oostenrijk en Servie in een omvattende Europese oorlog. Waarom had Duitsland Oostenrijk aangemoedigd om Servie de oorlog te verklaren?
    A. Omdat de Duitse elites dachten dat Oostenrijk het conflict met servie snel kon beslechten, zonder dat de oorlog zich verder zou uitbreiden
    B. Omdat de politieke en militaire leiding in Duitsland de groeiende militaire macht van Rusland vreesde en deze door een preventieve oorlog wilde beteugelen.
    C. Omdat Duitsland op de Balkan Lebensraum wilde veroveren
    D. Omdat Duitsland met rusland een niet-aanvalsverdrag overeen was gekomen, zodat het leek dat een escalatie van de oorlog voorkomen kon worden. 
    B. HB p 426
  • Wat id de relatie tussen WO I en het nationalisme?
    A. Het nationalisme was geen belangrijke oorzaak van WO I, maar WO I heeft het nationalisme wel versterkt mede door het uiteenvallen van grote multinationale rijken
    B. Het nationalisme was een belangrijke oorzaak van WO I en heeft het nationalisme ook weer versterkt, doordat etnische minderheden in de grote multinationale rijken onafhankelijkheid opeisten.
    C. Het nationalisme was een belangrijke oorzaak van WO I, maar door de afkeer van oorlogsgeweld en de wijdverspreide oorlogsmoeheid was er in de eerste jaren na de oorlog in de meeste Europese landen sprake van een sterke weerzin tegen het nationalisme
    D. WO I werd vooral veroorzaakt door verschillende nationale elites en hun bondgenootschappen waardoor ook weer andere landen bij de oorlog betrokken raakten. Nationalisme speelde daarin slechts een beperkte rol. Pas tijdens de oorlog laaide het nationalisme hoop op, om tegen het einde van de oorlog weer af te zwakken als gevolg van een wijdverbreide oorlogsmoeheid.
    B HB p 441-442
  • Wat was de achtergrond van de verdrijving van en moord op de Armeense bevolking in 1915 in Anatolie?
    A. De nationalistisch georienteerde radicale jonge Turken die in 1913 aan de macht kwamen, sloten in 1915 een pact met de Russische Tsaar om alle armeniers van de turkse en russische bodem te verwijderen. 
    B. De nationalistsich georienteerd radicale Jonge Turken die in 1913 aan de macht kwamen, streefden naar een etnisch homogene Turkse staat. Omdat duizenden Armeniers dienden in het vijandige Russische leger werden zij gezien als verraders.
    C. De ottomaanse sultan Abdulhamit II wilde zich wreken op het verlies van christelijke gebieden op de Balkan en besloot alle Armeniers uit zijn rijk te verdrijven
    D. De Ottomaanse sultan Abdulhamit II sloot in 1915 een pact met de Russische tsaar om alle Armeniers van de Turkse en Russische bodem te verwijderen. 
    B HB p 438
  • Vanaf de 2e helft van 1916 ontwikkelde WO I zich steeds meer tot een totale oorlog. Wat wordt bedoeld met totale oorlog?
    A. de totale mobilisering van de bevolking en de inzet van alle beschikbare materiele middelen
    B. het streven naar de complete onderwerping of vernietiging van de vijand
    C. inzet van alle wapens, incl gifgas
    D. alle genoemde aspecten
    D HB p 430-432
  • In maart 1917 werd de Russische Tsaar afgezet en kwam er een overwegend liberale regering in Rusland aan de macht. Welke beslissing van deze regering werd haar fataal en was een belangrijke factor bij de bolsjewistische revolutie later dat jaar?
    A de beslissing om de socialistische oppositie te verbieden
    B. de beslissing om een onvoordelige vrede met Duitsland te sluiten
    C. de beslissing om overhaaste landbouwhervormingen door te voeren
    D. de beslissing om tegen de wil van het volk de oorlog voort te zetten. 
    D HB p 447
  • Welke rol speelde het antisemitisme in Polen in de laatste jaren voor het uitbreken van WO II?
    A. Het antisemitisme speelde nauwelijks een rol in de Poolse samenleving en politiek
    B. Het Poolse antisemitisme was vooral religieus van aard. Er waren in de jaren 30 verschillende pogroms en joden werden uitgesloten van juridische beroepen, maar er waren geen extreme uitwassen zoals in Nazi-Duitsland
    C. Hoewel er onder de Poolse bevolking veel antisemitisme voorkwam, werd het antisemitisme actief bestreden door de Poolse overheid.
    D. Vanaf het midden van de jaren 30 werd de joodse minderheid even slecht bejegend door de Poolse overheid als de joden in Nazi-Duitsland.
    B HB p 471
  • Welke etnische minderheid in Midden- en Oosteuropa maakte tijdens het interbellum deel uit van de nationale regering?
    A. de Hongaren in Roemenie
    B. de oekrainers in Polen
    C. de roemenen in Hongarije
    D. de Sudeten-duitsers in Tsjecho-Slowakije
    D Hb p 473
  • Tijdens de vredesconferenties na WO I wist de energieke en charmante premier van Griekenland Venizelos veel invloed uit te oefenen. Wat was de geopolitieke droom van Venizelos?
    A. een Groot-Griekenland waarbij de helft van Albanie en het grootste deel van Turkije aan Griekenland zouden worden toegevoegd met Constinopel als hoofdstad.
    B. Een Groot-Griekenland waarbij geheel Macedonie en grote delen van Bulgarije aan Griekenland zouden worden toegevoegd
    C. Een stabiel Griekenland, dat zeggenschap zou krijgen over de meeste eilanden in de Egeische zee en ook over de West-Turkse stad Smyrna waar vele Grieken leefden
    D. een wederopstanding van het Byzantijnse Rijk waarvan naast Turkije ook Zuid-Italie deel zou moeten uitmaken. 
    A Hb p 478
  • Welke visie had Lenin, de 1e leider van de Sovjet-unie, op het nationaliteitenvraagstuk?
    A. Lenin erkende het recht op zelfbeschikking, maar vond dat dit uitsluiten was voorbehouden aan het proletariaat, de drager van de revolutie
    B. Om succesvol te zijn moest de Sovjet-Unie een tegemoetkomende houding tegenover de verschillende nationaliteiten tonen, door een zekere territoriale autonomie toe te staan.
    C. Volgens Lenin had het nationalisme een sterke ideologische betekenis en het moest daardoor krachtig worden bestreden
    D. Volgens Lenin was het natie-idee een uitvinding van de bourgeoisie, die louter ten doel had de proletarische revolutie te verzwakken 
    B Hb p 452-453
  • Welke historische gebeurtenis zien de historici George Mosse en Ian kershaw als doorslaggevende voorwaarde voor het succes van het facisme in Duitsland?
    A. WO I, die leidde tot een brutalisering van de naoorlogse politiek en een radicalisering van de Duitse bevolking
    B.  de opstand van de spartakisten in 1919, die bijna een bolsjewistische revolutie in Duitsland teweeg bracht
    C. de Russische revolutie, die leidde tot een fel anti-bolsjewisme
    D. de overdracht van Elzas-Lotharingen aan Frankrijk na WO I, waardoor extreme nationalistische gevoelens in Duitsland dominant werden. 
    A Hb p 498-499
  • Wat was het wezenlijke verschil tussen de dictatuur van Stalin en Hitler? 
    A. Hitler benadrukte het belang van het eigen arische ras, terwijl Stalin geloofde dat het communisme het welzijn van de hele wereld zou bevorderen
    B. Onder Stalin werd het rechtsstelsel geheel ondergeschikt gemaakt aan de staatsbelangen, terwijl in duitsland van Hitler het rechtsstelse goeddeels intact bleef
    c. Terwijl Hitler streefde naar een organische gemeenschap, richtte Stalin zich op het tot stand brengen van een moderne maatschappij
    D. Waar Hitler's dictatuur probeerde door te dringen in alle levenssferen, bleef in de Sovjet-Unie onder Stalin de persoonlijke sfeer veel meer intact. 
    A Hb p532
  • Welke gebeurtenis betekende een beslissende wending die ertoe leidde dat het nazi-regime koos voor een samenhangend plan gericht op de systematische vernietiging van joden?
    A. de reichskristallnacht in 1938
    B. de Duitse invasie in Polen in 1939
    C. de Duitse verovering van Frankrijk in 1940
    D. De duitse aanval op de Sovjet-unie in 1941
    D HB p 553-555
  • Hoe kan de Endlosung (de holocaust) het best begrepen worden?
    A. als een gedetailleerd programma, dat Hitler vanaf de jaren 20 in zijn hoofd had
    B. als een intentie van Hitler, die door zijn vele volgelingen werd omgezet in een concreet programma
    C. als een concreet programma van Goebbels en Himmler, dat ondanks de intenties van Hitler kon worden uitgevoerd
    D. als een niet door Hitler gewenste uitkomst, die onder druk van de oorlog met de Sovjet-Unie is ontstaan
    B HB p 559-561
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Laatst toegevoegde flashcards

Noem een voorbeeld van staatsnationalisme waarbij mythe vorming een prominente rol speelde.
Het franse 2e keizerrijk. onder Koning Louis-Philippe Bonaparte
rehent het
ja
Wat wordt met de entmischung (ontmenging) bedoeld?
Staten werden na WO II etnisch homgener van aard. Dat wordt door Karl Schlogel entmischung genoemd. De twee belangrijkste uitzonderingen waren het multinationale sovjetrijk en de Joegoslavische federatie. 
Door de volksverhuizingen in Oost- en Midden-Europa kwam een proces van etnische homogenisering op gang. Het belangrijkste motief was de wens van nieuwe naoorlogse regeringen hun samenlevingen te beheersen door er etnisch homogene natiestaten van te maken en tegemoet te komen aan de behoeften van de dominante nationaliteit in hun land. Nationalisme speelde een grote rol. juist/onjuist?
juist
Na WO II werd het verdrag van Potsdam getekend. Wat hield dit in?
het verdrag van Potsdam, waar de geallieerden onder meer de nieuwe grenzen van Polen vaststelden. Het verdrag van Lausanne (1923) met zijn bevolkingsuitwisseling tussen Turken en Grieken kreeg hier navolging. 
Etnische zuiveringen werden door zowel democraten als communisten gelegitimeerd.
Polen schoof circa 200 km naar het westen op. Polen uit het oosten namen huizen in beslag van Duitsers in het westen en hele steden wisselden van etnische samenstelling. 
Ook in Tsjecho-slowakije werden Duitsers massal gedwongen te vertrekken. 
Het Duitse volk kreeg een zware rekening gepresenteerd. De Flucht und Vertreibung vond in verschillende stadia plaats. Vanaf de herfst 1944 de vlucht voor het Rode leger, voorjaar en zomer de 'wilde' verdrijvingen uit Tsjecho-SLowakije en aug 1945 geregelde evacuaties obv de bepalingen van de conferentie van Potsdam. juist/onjuist?
juist
De buitengewoon complexe kaart van Centraal, Oost en ZuidoostEuropa na 1918 met zijn vele gemengde etnische bevolkingsgroepen, had dramatische gevolgen, die tijdens WO II aan het licht kwamen. Deze etnische problematiek werd voor een groot deel aan het eind en na WO II opgelost. Vooral in de periode 1944-1948 vonden er, mede als gevolg van de nieuwe nationale grenzen, enorme verhuizingen plaats. juist/onjuist?
juist. Ook na WO II gingen de etnische zuiveringen gewoon door met instemming van de westerse machten. 
In Kroatie, vanaf 1941 een satellietstaat van nazi-Duitsland kwamen niet alleen Joden en zigeuners om, maar ook veel Serviers. Voor de Kroaten bleven de orthodoxe serviers de hoofdvijand. Juist/onjuist?
juist. De Ustasa-fascisten verklaarden openlijk dat 1/3 deel van de Serviers verdreven, 1/3 deel bekeer en 1/3 deel vermoord moest worden. Deze uitbarsting van geweld hing deels samen met de Kroatische afkeur van het Servische centralisme dat zich na 1918 met de oprichting van de nieuwe staat Joegoslavie manifesteerde. 
Tijdens WO II was ook in veel andere Europese landen het antisemitisme een virulent verschijnsel, al blijven de verschillen per land groot. Zo was het collaborerende Vichyregime in Frankrijk doortrokken van het traditionle antisemitisme van klerikaal rechts. Ook de Franse, Britse en Poolse regeringen hadden eind jaren 30 met het idee gespeel de Joden naar Madagaskar te evacueren. Hoe was de situatie in Oost en Centraal Europa?
Ook in Roemenie, Hongarije, Kroatie, Oekraine, Polen en de Baltische staten vonden enorme wreedheden plaats tegen Joden, De bevolking van de Baltische staten nam veelal actief deel aan de moordpartijen. Mede tegen de achtergrond van een anticommunistische houding sloten Baltische nationalisten een alliantie met Duitsland tegen de Sovjet Unie en tegen de Joden. 
In Polen waren er zeer felle uitbarstingen van Jodenhaat. waarbij ook de bevolking actief was. 
Voor Hitler was de oorlog tegen de Sovjet-Unie anders dan alle oorlogen in het verleden. Voor hem was de strijd aan het oostfront een kwestie geworden van Triumph oder Untergang. Juist/onjuist?
Juist. Hij had laten weten dat als de oorlog verloren was, ook het volk verloren was en dat het niet nodig was om rekening te houden met zelfs maar de primitiefste overleving. Het Duitse volk was nu eenmaal het zwakst gebleken in de strijd.