Samenvatting nectar vmbo-kgt leerboek biologie 3e editie

-
190 Flashcards en notities
7 Studenten
  • Deze samenvatting

  • +380.000 andere samenvattingen

  • Een unieke studietool

  • Een oefentool voor deze samenvatting

  • Studiecoaching met filmpjes

Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.

Dit is de samenvatting van het boek "nectar vmbo-kgt leerboek biologie 3e editie". De auteur(s) van het boek is/zijn Akkerman. Deze samenvatting is geschreven door studenten die effectief studeren met de studietool van Study Smart With Chris.

PREMIUM samenvattingen zijn gecontroleerd op kwaliteit en speciaal geselecteerd om je leerdoelen nog sneller te kunnen bereiken!

Samenvatting - nectar vmbo-kgt leerboek biologie 3e editie

  • 1.1 De tuin

  • Wat zijn organismen?

    Levende wezens.

     

  • Welke 7 levenskenmerken hebben organismen?

    - ze voeden zich

    - ze groeien

    - ze ademen (gaswisseling)

    - ze geven stoffen af (uitscheiding)

    - ze nemen prikkels waar en reageren daarop

    - ze planten zich voort

    - ze bewegen.

     

  • Hoe noem je een groep organismen?

    Welke groepen zijn er?

    Een rijk:

    - het plantenrijk: de groep van planten

    - het dierenrijk: de groep van dieren

    - het schimmelrijk: de groep van schimmels

    - het bacterierijk: de groep van bacteriën.

     

     

  • Hoe is de verdeling van organismen in de vier rijken gemaakt?

    Door te kijken naar de bouw van de cellen van de organismen. Ieder rijk heeft zijn eigen soort cel.

  • Wat zijn cellen?

    Cellen zijn de bouwstenen, waaruit organismen zijn opgebouwd.

  • In welke 8 grote groepen is het dierenrijk verder ingedeeld?

    Waar is er op gelet bij de indeling?

    - eencellige dieren

    - sponzen

    - holtedieren

    - wormen

    - weekdieren

    - geleedpotigen

    - stekelhuidigen

    - gewervelde dieren.

     Er is gelet op de verschillen en overeenkomsten tussen dieren.

  • In welke 5 groepen zijn de gewervelde dieren verder verdeeld?

    Wat is de belangrijkste overeenkomstige eigenschap?

    Waar zitten de verschillen in ?

    - zoogdieren 

    - vogels

    - reptielen

    - amfibieën

    - vissen.

    De belangrijkste overeenkomstige eigenschap is dat ze allemaal een wervelkolom hebben. 

    De verschillen zitten in:

    - ademhaling

    - lichaamsbedekking

    - voortplanting.

  • Wat krijg je als je organismen steeds verder in gaat delen in groepen?

    Soorten.

  • Wat is een voedselkringloop?

    Overal leven organismen uit de vier rijken samen. De ene soort gebruikt de andere soort als voedsel. 

  • Waarmee begint de voedselkringloop?

    Hoe gaat het verder?

    Met de planten.

    Planten voeden zich met anorganische stoffen.

    Planten maken van twee anorganische stoffen (koolstofdioxide en water) glucose.

    Uit glucose maakt de plant alle stoffen waaruit hij bestaat:

    - zetmeel

    - vetten

    - eiwitten.

    Daarvoor hebben ze ook de mineralen nodig, die ze met hun wortels hebben opgenomen.

  • Wat zijn anorganische stoffen?

    Stoffen afkomstig uit de levenloze natuur, zoals water, koolstofdioxide, zuurstof, ijzer en kalk.

     

  • Hoe heet het maken van glucose?

    Wat hebben de planten hiervoor nodig?

    Fotosynthese.

    Energie uit zonlicht.

  • Wat zijn organische stoffen?

    Alle stoffen die levende organismen zoals planten zelf maken.

  • Voor wie of wat zijn de organische stoffen van de planten het voedsel?

    Voor alle andere organismen: dieren, schimmels en bacteriën.

  • Wat zijn de 4 groepen organismen in de kringloop?

    Geef voorbeelden voor een voedselkringloop in een tuin.

    - De producenten: maken de voedingsstoffen      

      Bv. planten

    - Consumenten: eten planten of dieren en krijgen zo de voedingsstoffen binnen

      Bv. vogels

    - Afvaleters: eten afval van planten en dieren. Ze maken het afval klein geven ook zelf afval af (poep).      

      Bv. bodemdieren

    - Reducenten: zij eten en verteren de kleingemaakte organische stoffen uit de poep tot mineralen.

      De producenten nemen deze mineralen weer op (kringloop is rond).    

      Bv. bacteriën en schimmels.

  • 1.2 Planten

  • Uit welke 4 delen bestaan planten?

    Hoe benoem je deze 4 delen?

    - Wortels

    - Stengel

    - Bladeren

    - Bloemen.

    Deze 4 delen noem je de organen van een plant.

  • Welke functie hebben de wortels?

    - De wortels zorgen ervoor dat de plant stevig in de grond staat

    - Met de wortels zuigt een plant water op, waarin mineralen (voedingszouten) opgelost zitten, die nodig zijn voor de groei van de plant.

     

  • Welke functie heeft de stengel?

    - Belangrijk voor het vervoer van water en opgeloste stoffen in de plant.

    - De stengel houdt de plant overeind.

    - De bladeren en bloemen zitten aan de stengel vast.  

  • Welke functie hebben de bladeren?

    In de bladeren maakt een plant zijn eigen voedingsstoffen (tijdens fotosynthese).

  • Welke functie hebben de bloemen?

    - De bloemen zorgen voor de voortplanting

    - Er ontstaan zaden in de bloem, waaruit jonge planten groeien.

  • Waaruit zijn de organen van een plant opgebouwd?

    Weefsels.

  • Wat is een weefsel?

    Een groep cellen die dezelfde vorm hebben en dezelfde functie.

  • Waaruit bestaan de weefsels van een plant?

    Heel veel cellen.

  • Wat zijn cellen?

    De kleinste bouwstenen waaruit een organisme is opgebouwd.

  • Wat is cellulose?

    Organische stof waaruit de celwanden bij planten bestaan.

    Een taaie, vezelige stof. 

  • Wat bepaalt het DNA?

    De erfelijke eigenschappen van een organismen. DNA regelt alles wat er in een cel gebeurt en welke stoffen een cel maakt. Ook hoe het organisme eruitziet en werkt.

  • Wat zit er in de kern van alle cellen?

    Chromosomen. Deze bestaan voor een groot deel uit DNA. 

  • Noem twee soorten planten.

    - Kruidachtige planten

    - Houtachtige planten.

  • Noem eigenschappen van kruidachtige planten.

    - Ze hebben water nodig voor de stevigheid

    - De cellen in de stengel zuigen zich helemaal vol water. 

    - Het water komt in de vacuole, die via het cytoplasma tegen de celwand drukt. Zo wordt de cel stevig. 

    - Bij watergebrek lopen de vacuoles leeg.

  • Noem 2 voorbeelden van kruidachtige planten.

    - Tulp

    - Paardenbloem.

  • Noem eigenschappen van houtachtige planten.

    - De stam en takken van houtachtige planten bestaan uit houtcellen

    - Al die dikke celwanden zorgen samen voor de stevigheid van de tak of van de stam

    - De binnenkant van de houtcellen zijn afgestorven, alleen de celwanden zijn nog over.

    - Ook in de nerven zit houtstof, waardoor het blad extra stevigheid krijgt. 

     

  • Wat zijn houtcellen?

    Cellen met dikke celwanden, die veel houtstof bevatten. Houtstof is veel harder dan cellulose.

  • Noem 2 voorbeelden van houtachtige planten.

    - Roos

    - Eik

  • Wat zijn de grootste planten?

    De sequoia's in Californië. Deze bomen worden wl 100 meter hoog met een stam met een omtrek van zo'n 30 meter.

  • Wat zijn de kleinste planten?

    Ze zitten in de groene aanslag op een boomstam. Het zijn algen van 1 cel groot en komen op het land en in water voor. 

  • Hoe is een plantencel opgebouwd?

    Van buiten naar binnen:

    - Celwand: stevige laag om de cel heen, die vooral uit cellulose bestaat. Het zijn de voedingsvezels in de groentes die je eet.

    - Celmembraan: buitenste vlies van de cel. Het celmembraan bepaalt welke stoffen de cel in en de cel uit gaan. 

    - Cytoplasma: stroperige vloeistof. Hierin liggen de celkern en de bladgroenkorrels.

    - Celkern: klein bolletje in de cel, waarin het DNA zit. 

    - Bladgroenkorrels: groene korreltjes in het cytoplasma. Ze bevatten een groene kleurstof, waardoor de plant zijn groen kleur krijgt. Hier vindt fotosynthese plaats. 

    - Vacuole: soort blaasje in het midden van de cel vol met water. De cel is stevig, doordat de volle vacuole via het cytoplasma tegen de celwand drukt.

    Zie bron 13 blz. 13.

    Zie bron 14 blz. 14.

Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Laatst toegevoegde flashcards

welk vorm is een normaal wervelkolom opgebouwd?
dat is opgebouwd uit de S-vorm
Wat zit er tussen de wervellichamen?
kraakbeenschijven
waar ligt de ruggenmerg?
In het wervelgat
waar bestaat kraakbeenweefsel uit?
bestaat uit groepjes kraakbeencellen met daartussen een geleiachtige tussencelstof. Die tussencelstof bestaat uit veel lijmstof en heel weinig kalk. daardoor is kraakbeen heel buigzaam.
wat bevat tussencelstof veel?
het bevat veel kalk en een beetje lijmstof
wat maken de beencellen voor stevige stof die tussen de beencellen ligt?
tussencelstof
Waaruit bestaan pijpbeenderen vooral uit?
vooral uit beenweefsel
wat zijn platte beenderen?
Dat bijvoorbeeld je ribben, borstbeen en schedelbeenderen. overal in de platte beenderen zit (hard) sponsachtig been met rood beenmerg. In platte beenderen zit geen mergholte en dus ook geen geel beenmerg met vet.
wat zit er op de knobbels van de botten? waar zorgt het voor?
Daar zit kraakbeen. Dat kraakbeen zorgt ervoor dat de botten soepel langs elkaar kunnen bewegen.
Wat zit er in de mergholte?
Daar zit geel beenmerg in