Samenvatting Onderwijskunde

-
ISBN-10 9001545335 ISBN-13 9789001545338
392 Flashcards en notities
15 Studenten
  • Deze samenvatting

  • +380.000 andere samenvattingen

  • Een unieke studietool

  • Een oefentool voor deze samenvatting

  • Studiecoaching met filmpjes

Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.

Dit is de samenvatting van het boek "Onderwijskunde". De auteur(s) van het boek is/zijn Nico Verloop Joost Lowyck ( ). Het ISBN van dit boek is 9789001545338 of 9001545335. Deze samenvatting is geschreven door studenten die effectief studeren met de studietool van Study Smart With Chris.

Samenvatting - Onderwijskunde

  • 3.1 Inleiding

  • Wat is het doel van de organisatie?
    Leren van lln. faciliteren

  • Aan de hand van welke begrippen kan de school als organisatie worden beschreven?
    1.effectiviteit, 2.coordinatie, 3. verbetering
  • 3.3.3 Coordinatie en effectiviteit

  • welke coordinatie mechanismen zijn verantwoordelijk voor voor de effectiviteit van het onderwijs
    leidinggeven, standaardisatie van werkprocessen en standaardisatie van uitkomsten
  • Wat zijn belangrijke aspecten die effectieve- van niet-effectieve scholen onderscheiden (volgens Friebel)?
    1.aandacht voor planning
    2.aandacht voor inhoud en taken die door de lln moeten worden uitgevoerd
    3.hoge verwachtingen bij het leiden van een sectie
    4. gemeenschappelijke besluiten
    5. gemmenschappelijke visie op de verantwoordelijkheid van de school voor training enc instructie in het cognitieve domein
  • 3.4 Schoolverbetering

  • Wat is schoolverbetering?

     

    = vergroten van de vaardigheden van scholen om veranderingen te realiseren
  • 3.4.1 Schoolverbetering: aandacht voor verbetering en ontwikkeling

  • wat is het wezenlijke verschil tussen het bereiken van schooleffectiviteit en schoolverbetering

    Schooleffectiviteit is verbonden aan stabiliteit in de school

    Schoolverbetering gaat samen met dynamiek en onrust

  • Wat is het wezenlijke kenmerk van een organische of commitmentbenadering?

     

    De nadruk ligt op participatieve vormen van management en organisatie met de bedoeling de betrokkenheid en het enthousiasme van de docenten te doen toenemen.
  • Wat zijn de bepalende coordinatiemechanismen voor de schoolverbetering?

     

    1. wederzijdse afstemming en overleg
    2. ideologie
    3. bevordering van het leren van docenten
  • Bij schoolverbetering wordt meer vertrouwd op de expertise en het probleemoplossend vermogen van docenten.
  • 3.4.2 Condities voor schoolverbetering

  • Wat zijn de condities voor schoolverbetering?

    1. transformatief leiderschap

    2. samenwerking tss. docenten

    3. participatie in besluitvorming

    4. Betrokkenheid

    5. Professionele ontwikkeling

  • Wat is transformatief leiderschap
    Het is een vorm van leiderschap waarbij de leden van de organisatie worden gemotiveerd en geinspireerd om zich professioneel te blijven ontwikkelen. Dit wordt gestimuleerd door het vergroten van de capaciteiten en de betrokkenheid van de organisatieleden.

  • Wat zij de kenmerken van transformatief leiderschap?
    1. Het ontwikkelen van een visie
    2. Het ontwikkelen van consensus over de tebereiken doelen
    3. Het creeren van hoge verwachtingen t.a.v. het werk
    4. Individuele ondersteuning
    5. intellectuele stimulans
    6. Modelleren (voordoen wat wordt verwacht bvb enthousiasme)
  • Wat is het doel van de samenwerking tss. docenten?
    van en met elkaar te leren.
  • Wat zijn professional communities?
    Groepen van docenten die met elkaar verbonden zijn om hun kennis en ervaring met elkaar te delen.
  • Participatie van docenten in de besluitvorming is bevorderend voor de betrokkenheid, de motivatie en het leren van deze.
  • De turbulente maatschappelijke en politieke omgeving waarin scholen zich bevinden zorgen ervoor dat de verwachtingen en eisen aan de docenten voortdurend veranderen. Deze hebben invloed op de mate van betrokkenheid. Docenten hebben gevoelens van onzekerheid, kwetsbaarheid, zelftwijfel en twijfel aan de eigen handelingscompetentie. Dit heeft werom een neg. invloed op de invoering van vernieuwingen.
  • Welke van de condities voor schoolverbetering hebben invloed op de realisatie van veranderingen in de lespraktijk?

     

    Professionele ontwikkeling en betrokkenheid van docenten.
  • Welke condities hebben een positieve invloed op de betrokkenheid van docenten bij het realiseren van vernoeuwingen?
    de participatie van docenten in de besluitvorming + visie-ontwikkeling.
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Laatst toegevoegde flashcards

Wat zijn de specifieke inhoudelijke en methodologische problemen die zich voordoen bij de docent-assessment  

1. het betrekken van allerlei contextfactoren waaronder de te beoordelen docenten moeten werken (validiteitseis) zet de betrouwbaarheid van docent-assessments onder druk.

2. het formuleren van de criteria voor beoordeling: op welke wijze moeten die criteria aan welke bronnen worden ontleend?
Mogelijkheden:
- ontlenen van de criteria aan de beroepsrollen van de docent zoals die door betrokkenen worden gepercipieerd
- baseren van de criteria op een empirische analyse van de beroepsrol
- het als bron nemen van het gedrag van excellente docenten
- meenemen van gegevens uit effectiviteitsonderzoek (= docentgedrag dat leidt tot leerwinst bij de lln.)
- het afgaan op het oordeel van breed samengestelde commissies waarin de diverse groepen belanghebbenden zijn vertegenwoordigd
 
 
Wat wordt verstaan onder sociale competentie?

Sociale competentie heeft betrekking op een geheel van kennis, vaardigheden en houdingen met betrekking tot

het eigen sociale en affectieve functioneren (intrapersoonlijke elementen),vb zelfvertrouwen

de interacties tussen mensen (interpersoonlijke elementen) vb. communicatieve vaardigheden

de invloed daarop van de inrichting van de samenleving(maatschappelijke elementen) vb. kennis van de samenleving en de waarden die daarin een rol spelen, dat nodig is om adequaat te kunnen functioneren in de samenleving.

De verschillende elementen liggen niet per definitie in elkaars verlengde. Een hoge mate aan sociaal inzicht en sociale vaardigheden kan gepaard gaan met a-sociaal gedrag zoals pesten.

Welk type leeractiviteiten worden bij anchored instruction en cognitive apprenticeship gebruikt?  

Beide zijn vormen van authentiek onderwijzen d.w.z. het vindt in eenrealistische authentieke context plaats

1. cognitieve leeractiviteiten

2. affectieve

3. regulatieve
 
Wat zijn de mogelijke effecten van assessment en evaluatie?(van toetsing)

1. Post-assessmenteffect:

= het na de toetsing terugkijken naar de leeruitkomsten en de daaraan ten grondslag liggende leerprocessen en de eventuele bijsturing ervan. Dit vind vooral plaats bij formatieve toetsing.

Een speciale vorm van feedback is de feedback die een lln zichzelf verschaft door het gebruiken van meta-cognitieve vaardigheden bij de toetsing. De lln. gaat na de toetsing conclusies trekken over de kwaliteit van zijn leergedrag. (interne feedback)

2. Pre-assessmenteffecten:

= effecten die optreden nog voor de toetsing plaatsvindt.

De leraren zijn zich hiervan meestal niet bewust.

Er zijn aanwijzingen dat deze effecten meer doorwerken in het leergedrag dan de postassessmenteffecten van feedback.

3. Zuiver assessmenteffect:

= tijdens de summatieve- of formatieve toets kan een lln een leereffect bereiken.

Dit fenomeen kan optreden op het moment waar de verworven kennis moet worden gereorganiseerd, verbanden moeten worden gelegd en relaties tussen ideeen kunnen worden ontdekt. De toets zet hierbij de lln aan tot denkprocessen van hoigere cognitieve aard.

Onderzoek heeft overtuigend aangetoond dat evaluatie de sterkst sturende factor is voor het leergedrag van de lln. Wat is een belangrijk kwaliteitscriterium van consequentiele validiteit?

Transparantie is een belangrijk criterium.

- het moet voor de lln duidelijk zijn wat er wordt geevalueerd

- de lln weet vooraf of de evaluatie formatief of evaluatief zal worden gebruikt.

- de lln weet welke concrete gevolgen aan de resultaten verbonden zijn.

- de lln weet precies wat er van hem wordt verwacht 

- de lln weet op welke manier het verwachte wordt geevalueerd

- er wordt na de toets een nabespreking van de toetsrresultaten gegeven en eventueel een remediering.

Wat wordt verstaan onder consequentiele validiteit? Geef een paar voorbeelden.

Bij consequentiele validiteit gaat het om de vraag of de gevolgen(consequenties) van de evaluatie overeenstemmen met de bedoelde gevolgen(consequentiele validiteit).

Het evalueren heeft invloed op het onderwijs maar ook op het leerproces van de lln.

Voorbeelden:

- sommige lln zijn zeer gevoelig voor het feit of een beoordeling wel eerlijk verloopt.

- zwakkere lln. zijn vlug gekwetst in hun zelfvertrouwen wanneer ze in vgl met anderen altijd het zwakst blijven, ondanks hun persoonlijke vooruitgang.

Deze gevolgen kunnen volledig worden voorspeld, maar een lkr. kan daarop wel anticiperen en proberen om negatieve affectieve gevolgen te vermijden en positieve affectieve gevolgen (motivatie, enthousiasme) te versterken.

Hoe wordt een betrouwbaarheidscoefficient  berekend? Wat zijn de problemen die daarbij kunnen opduiken?

Er wordt de samenhang tussen de resultaten die een zelfde groep op twee verschillende momenten heeft gehaald berekend.

1. Een examen in december kan niet worden vergeleken met een in juni, omdat het prestatieniveau van de lln. gaat stijgen. (in tegenstelling met het meten van een IQ)

Meetfouten (geringe betrouwbaarheid) kunnen in vier componenten van de evaluatiesituatie optreden of kunnen als toevalligheden meespelen. Welke zijn deze vier componenten en geef telkens een voorbeeld?Welke mogelijke oplossingen bestaan hiervoor?

1. Het instrument:

Hierbinnen zijn verschillende mogelijkheden die aanleiding geven tot meetfouten.

vb. gebrek aan objectiviteit:

- vragen of opdrachten zijn niet eenduidig geformuleerd en kunnen door lln. op verschillende manieren worden geinterpreteerd.

- het aantal vragen of opdrachten zijn te gering om toevalstreffers uit te sluiten

Oplossing: per kennisonderdeel of vaardigheid en per beheersingsniveau meerdere items opnemen. Op hetzelfde moment worden twee toetsen afgenomen die hetzelfde zouden moeten meten en die dan met elkaar kunnen worden vergeleken.

2. De afnamesituatie:

Omstandigheden kunnen ervoor zorgen dat lln beter of slechter gaan presteren, onafhankelijk van hun kennis- of vaardigheidsniveau.

vb. tijdens een examen vinden er in  een lokaal ernaast verbouwingswerken plaats

vb. een leraar helpt soms wel of niet tijdens de toetsafname

vb. een te grote tijdsdruk tijdens de toets

Oplossing: Op meerdere momenten dezelfde vaardigheden en competenties meten.

3. De beoordeling:

Als de scoringsregels niet eenduidig zijn kunnen verschillen in interpretatie tss. de ene beoordelaar en de andere het resultaat vertekenen.

vb. de lkr. spreidt de beoordeling over verschillende dagen (eventueel niet altijd even streng beoordelen)

vb. als de beoordelaar bevooroordelld is t.o.v. de lln. en hen subjectief beoordeelt.

Oplossing: Een zelfde toets wordt door verschillende beoordelaars verbeterd.

4. De beoordeelde:

Toevalsfactoren bij de lln kunnen een rol spelen en het prestatieniveau beinvloeden.

vb. vermoeidheid

vb. het zich niet goed voelen tijdens een evaluatie

vb. gebrek aan motivatie bij de lln.

vb. bepaalde persoonskenmerken van de lln. zijn voor sommige evaluatieistrumenten ongeschikt: schriftelijke toetsen bij lln met dyslectische kenmerken

Oplossing: op meerdere momenten dezelfde vaardigheden en competenties meten..

De betrouwbaarheid is een belangrijk kwaliteitskenmerk van een evaluatie-instrument, maar het belang ervan moet worden gerelativeerd. Verklaar!

De perfekte betrouwbaarheid is niet haalbaar en validiteitseisen zijn belangrijker.

In de praktijk wordt het streven naar betrouwbaarheid ten onrechte voorrang gegeven boven het streven naar validiteit. Waarom? Omdat het berekenen van een betrouwbaarheidscoefficient vrij eenvoudig is.

Wat is het verschil tussen een optimale en een minder goede betrouwbaarheid van een evaluatie-instrument binnen het onderwijs?

1. Optimale betrouwbaarheid: de verschillen in uitslagen hebben uitsluitend te maken met verschillen in kennis en vaardigheden tussen de lln.

2. Minder goede betrouwbaarheid: naast de verschillen in kennis en vaardigheden tussen lln. zijn er nog andere factoren (meetfouten of toevalligheden) die meespelen, die de uitslagen vertekenen.