Samenvatting Overal Natuurkunde (5VWO)

103 Flashcards en notities
1 Studenten
  • Deze samenvatting

  • +380.000 andere samenvattingen

  • Een unieke studietool

  • Een oefentool voor deze samenvatting

  • Studiecoaching met filmpjes

Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.

Samenvatting - Overal Natuurkunde (5VWO)

  • 7.1 Fasen en dichtheid

  • Waar zijn stoffen uit opgebouwd?
    - Uit moleculen die bestaan uit twee of meer atomen.
    - Niet alle stoffen bestaan uit moleculen: in metalen zitten atomen in een atoomrooster en in zouten zitten ionen in een ionrooster.
  • Waar bestaat een zuivere stof uit?
    Uit moleculen van één soort.
  • Waar bestaat een materiaal uit?
    - Het is een stof of een mengsel van stoffen.
    - Het woord materiaal gebruik je als je een stof gebruikt in een bepaalde toepassing.
  • In welke drie fasen kunnen de meeste stoffen voorkomen?
    Vast, vloeibaar en gasvormig.
  • Vaste stoffen kan je indelen in metalen, legeringen of alliages (mengsels van metalen) en andere vaste stoffen.
  • Wat zijn de drie belangrijkste eigenschappen in het molecuulmodel?
    - Er zit ruimte tussen de moleculen: intermoleculaire ruimte.
    - Moleculen bewegen: hoe hoger de temperatuur, hoe groter de snelheid.
    - Moleculen trekken elkaar aan: vanderwaalskracht; hoe groter de afstand tussen de moleculen, hoe kleiner deze krachten zijn.
  • Wat wordt bedoeld wanneer je met een micro-macrobeschouwing naar een stof kijkt?
    Je koppelt eigenschappen van moleculen van de stof (micro) aan meetbare stofeigenschappen (macro).
  • Wat zijn de vier kenmerken van een vaste stof?
    - Intermoleculaire ruimte: klein.
    - Aantrekkingskracht: groot.
    - Elk molecuul op vaste plek en beweegt om een evenwichtsstand heen en weer: vaste vorm en vast volume.
    - Het kost kracht om een vaste stof van vorm te veranderen en om het samen te drukken: hardheid en onsamendrukbaarheid.
  • Wat zijn de vijf kenmerken van een vloeistof?
    - Moleculen geen vaste plaats: bewegen kriskras door elkaar heen.
    - Aantrekkende krachten zijn kleiner dan in een vaste stof, maar moleculen houden elkaar nog wel vast.
    - Vloeistof neemt vorm aan van voorwerp/ruimte waarin het is.
    - Vast volume.
    - Niet of nauwelijks samendrukbaar.
  • Wat zijn de vijf kenmerken van een gas?
    - Intermoleculaire ruimte: groot.
    - Moleculen oefenen nauwelijks krachten op elkaar uit.
    - Bewegen snel en kriskras door elkaar.
    - Geen vaste vorm en geen vast volume.
    - Gemakkelijk samen te drukken.
  • Welke formule heb je nodig om de dichtheid van een stof te berekenen?
    p = m/V
    p = dichtheid (kg/m^3)
    m = massa (kg)
    V = volume (m^3)
  • Wat is het verband tussen dichtheid en atoommassa?
    Het is niet in formule te vatten, maar globaal geldt: hoe groter de atoommassa, hoe groter de dichtheid.
  • Welke twee soorten uitzettingscoëfficiënten zijn er?
    - Lineaire uitzettingscoëfficiënt: hoeveel de lengte, maar ook breedte en hoogte, van een voorwerp relatief toeneemt per graad temperatuurstijging.
    - Vloeistoffen en gassen zijn niet vormvast, vandaar kubieke uitzettingscoëfficiënt: de mate waarin het volume relatief per graad temperatuurstijging toeneemt.
  • - Als een stof warmer wordt, zet hij uit. De intermoleculaire ruimte neemt toe.
    - Uitzettingscoëfficiënt: maat voor hoe sterk een stof relatief uitzet per graad temperatuurstijging.
  • Wat zijn drie bijzondere eigenschappen van water (bij temperatuurverandering)?
    - Krimpt bij opwarming van 0 tot 4 graden Celsius.
    - Water van 4 graden Celsius heeft de grootste dichtheid (precies 1,0 kg/m^3).
    - IJs van 0 graden Celsius heeft een kleinere dichtheid dan water van 0 graden Celsius.
  • 7.2 Warmte

  • Wat is het verband tussen de temperatuur en de gemiddelde kinetische energie van moleculen?
    - Als de temperatuur stijgt, bewegen de moleculen sneller en hebben ze dus meer kinetische energie.
    - Verband wordt beschreven in de kinetische gastheorie.
    - Bij dezelfde temperatuur is de gemiddelde kinetische energie van lichte of zware moleculen gelijk. Temperatuur hangt dus niet samen met massa.
    - Temperatuur is dus een maat voor de gemiddelde kinetische energie van moleculen.
  • Wat is het absolute nulpunt van de temperatuurschaal?
    - De temperatuur hangt samen met de kinetische energie van moleculen, dus is het logischer om het nulpunt van de temperatuurschaal te leggen waar de kinetische energie van de moleculen nul is. Dus Ek = 0 J bij Tk = 0 K.
    - Bij deze temperatuur staan de moleculen in theorie stil.
  • Wat is de formule waarmee je graden Celsius kan omrekenen in Kelvin en andersom?
    - Tk = Tc + 273,15
    - Tk = absolute temperatuur (K)
    - Tc = temperatuur (graden Celsius)
  • Wat is het verband tussen de absolute temperatuur en de gemiddelde kinetische energie van moleculen?
    Recht evenredig: ene neemt toe wanneer de ander toeneemt.
  • Waarom is warmte een vorm van energie?
    - Omdat de moleculen meer kinetische energie krijgen, als je de stof opwarmt.
    - Warmte druk je dus uit in joule.
  • Waardoor hebben moleculen potentiële energie?
    - Bij het verwarmen neemt kinetische energie toe en zet de stof uit. De moleculen komen verder van elkaar en moeten dus voor een deel loskomen uit elkaars aantrekkingskracht, wat arbeid kost.
    - De energie die je hierbij moet toevoeren heet potentiële energie.
  • Waarom krijgen moleculen vooral meer potentiële energie bij faseovergangen?
    Bij smelten komen de moleculen los van hun omgeving en bij verdampen onttrekken de moleculen zich bijna helemaal aan elkaars krachten. Dit kost arbeid.
  • Welke energiesoorten worden bedoeld met de inwendige energie?
    De energiesoorten (kinetische en potentiële) die moleculen op microscopisch niveau gezamenlijk hebben.
  • Bij het toevoeren van warmte aan een stof neemt de inwendige energie van die stof toe. Bij temperatuurverhoging neemt vooral de kinetische energie van de moleculen toe, bij faseovergangen vooral de potentiële energie.
  • Van welke drie dingen hangt de energie af die je nodig hebt om een stof op te warmen?
    - De temperatuurtoename.
    - De massa van de stof.
    - De soort stof.
  • Welke drie dingen kan je zeggen over het verband tussen de toegevoegde warmte en de temperatuurstijging?
    - De toegevoegde warmte is rechte evenredig met de temperatuurstijging.
    - De hoeveelheid benodigde warmte verschilt per stof. Vooral voor water blijkt veel warmte nodig te zijn.
    - Stoffen met een grotere dichtheid hebben minder warmte nodig.
  • Wat is de soortelijke warmte van een stof?
    - De hoeveelheid warmte in J die nodig is om 1kg van een stof 1K in temperatuur te verhogen. 
    - Eenheid is dus: J/(kg * K); joule per kilogram per kelvin.
    - Symbool: c.
    - Het is een stofeigenschap (Binas 8 t/m 12).
  • Hoe bereken je de hoeveelheid benodigde warmte?
    - Q = c * m * delta T
    - Q = benodigde warmte (J)
    - c = soortelijke warmte (J/(kg * K)) 
    - m = massa (kg)
    - delta T = temperatuurstijging (K)
  • Hoe bereken je de hoeveelheid benodigde warmte voor het smelten of verdampen van een stof?
    - Q = rsmelt * m of Q = rverdamp * m
    - Q = benodigde warmte (J)
    - rsmelt = smeltwarmte (J/kg)
    - rverdamp = verdampingswarmte (J/kg)
    - m = massa (kg)
  • Waarom komt in de formules voor de benodigde warmte voor het smelten of verdampen van een stof geen temperatuurverandering (delta T) voor?
    Tijdens faseovergangen vindt geen temperatuurstijging plaats. De warmte die dan nodig is, komt volledig ten goede aan potentiële energie van de moleculen.
  • Wat is het verband tussen de soortelijke warmte en de dichtheid van een stof?
    Globaal geldt: hoe groter de dichtheid van een stof, hoe kleiner de soortelijke warmte.
  • Wat is het verband tussen de soortelijke warmte en de gemiddelde atoommassa van een stof?
    In goede benadering geldt dat de soortelijke warmte omgekeerd evenredig is met de gemiddelde atoommassa van die stof.
  • Wat is het verschilt tussen de hoeveelheid benodigde energie voor temperatuurverhoging van moleculen en die van een stof?
    Per molecuul moet je gemiddeld evenveel energie toevoeren om de stof een hogere temperatuur te geven. In een stof met lichte moleculen zitten per kg echter meer moleculen dan in een stof met zware moleculen, dus heeft de stof met lichte moleculen meer energie nodig voor dezelfde temperatuurverandering.
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Laatst toegevoegde flashcards

Welke drie dingen kan je zeggen over de elasticiteitsmodules E?
- In het lineaire gebied van een spanning-rekdiagram zijn σ en ε recht evenredig met elkaar. De evenredigheidsconstante tussen deze twee grootheden heet de elasticiteitsmodules E.
- Het geeft aan hoeveel spanning je op een materiaal moet zetten om het een bepaalde rek te geven. 
- Het is een stofeigenschap (Binas 8 t/m 10).
Wat is de formule van de elasticiteitsmodules?
- σ = E * ε
-  σ = (mechanische) spanning (Pa = N/m2)
- E = elasticiteitsmodules (Pa = N/m2)
- ε = (relatieve) rek
Welke vier intervallen kan je onderscheiden in een spanning-rekdiagram?
- Eerst is er een lineair gebied: spanning en rek zijn recht evenredig, net zoals de kracht en de uitrekking (van een veer).
- Boven σevenredig verloopt de grafiek niet meer lineair, maar is vervorming wel elastisch. 
- In horizontale gebied van de grafiek treedt plastische vervorming op: er is nauwelijks kracht nodig om het materiaal verder uit te rekken: je spreekt van vloeiing. De spanning waarbij dit optreedt is aangegeven met σvloei.
- Na het vloeien kun je het materiaal verder belasten tot de treksterkte: de spanning σtrek, waarbij het materiaal breekt. De treksterkte is een stofeigenschap (Binas 10B). 
Wat doe je als je wil onderzoeken hoe sterk materialen zijn?
Je gaat ze belasten onder steeds grotere spanningen. Je meet dan steeds de relatieve rek. Als resultaat heb je dan een spanning-rekdiagram.
Wat is de mechanische spanning?
- De kracht per eenheid van oppervlakte. 
- σ = F/A
- σ = (mechanische) spanning (Pa = N/m2)
- F = kracht (N)
- A = oppervlakte van de dwarsdoorsnede (m2)
Wat is het overeenkomst tussen de mechanische spanning en de warmte- en stroomgeleiding?
Naast de lengte speelt ook de oppervlakte van de dwarsdoorsnede weer een rol.
Wat is de relatieve rek (of 'rek')?
- ε = delta l/ l0
- ε = (relatieve) rek
- delta l = lengteverandering of uitrekking (m)
- l0 = nullengte of oorspronkelijke lengte (m)
Wat is het verschil tussen de uitrekking bij een veer en bij een staaf of draad?
Bij een staaf of draad kost het over het algemeen meer kracht om het uit te rekken dan bij een veer. Er zijn dus grotere krachten nodig om meetbare uitrekkingen te krijgen bij een staaf of draad.
Wanneer is het verband tussen de kracht en de uitrekking niet recht evenredig?
Dat heeft te maken met de moleculaire structuur van de stof. Als een stof bestaat uit zeer lange moleculen, zogenaamde polymeren, die een beetje 'opgefrommeld' in de stof aanwezig zijn, is het verband niet recht evenredig.
Welke drie dingen kan je zeggen over plastische vervorming?
- Het treedt op wanneer je een veer te ver uitrekt.
- De veer raakt dan blijvend vervormd. 
- De ordening in het molecuulrooster verandert/raakt verstoord.