Samenvatting Pedagogische adviezen voor speciale kinderen

-
ISBN-10 9031362832 ISBN-13 9789031362837
300 Flashcards en notities
128 Studenten
  • Deze samenvattingen

  • +380.000 andere samenvattingen

  • Een unieke studietool

  • Een oefentool voor deze samenvatting

  • Studiecoaching met filmpjes

Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.

Samenvatting 1:

  • Pedagogische adviezen voor speciale kinderen
  • Trix van Lieshout
  • 9789031362837 of 9031362832
  • 2e, herz. dr.

Samenvatting - Pedagogische adviezen voor speciale kinderen

  • 1 ADHD

  • Waar staat ADHD voor? 
    Attention deficit hyperactivity disorder
  • 2 Theorien over behandeling

  • Waarom moet er gewerkt worden aan het zelfvertrouwen van kinderen met een ontwikkelingsstoornis
    Capaciteiten van kinderen met een leer of gedragsstoornis worden vaak niet ontwikkeld door een gebrek aan zelf vertrouwen. 
  • Hoe kan er gewerkt worden aan het zelfvertrouwen van kinderen
    De ideale opvoeder:
    balans veiligheid en bescherming vs. stimulans, prikkeling, eisen en uitdaging.

    Frustraties nodig voor ontwikkeling doorzettingsvermogen.

    Overbescherming leidt tot verstoord zelfbeeld. 
  • Op welke 5 hoofdstromingen is de psychotherapie gebaseerd?

    a)De inzichtgevende (psychodynamische) relatiebevorderendestrategie
    b)De (cognitieve) gedragstherapie
    c)De experiëntiële, ervaringsgerichtebenadering
    d)De systeemtheoretischebenadering
    e)Hersenwetenschap met neurobiologischebenadering
  • Wat houdt de inzichtgevende (psychodynamische) relatiebevorderendestrategie in?

    •Kijktnaar het WAAROM van het probleemgedrag
    •Doel:  bevorderen van socialecompetentie en zelfbeeld
    •Gedragsprobleemwordtgezienalseensignaal
    •Basis:  vertrouwensrelatie (alsbegeleidersensitief en responsiefzijn)
    •Probleemanalyse:  watspeelter in het kind (denken, doen, voelen, willen) en in de omgeving (beschermende en belemmerendefactoren)?
    •Aanpak: ondersteuning van gevoelens, gedrag, kennis & inzicht
  • Wat houdt cognitieve gedragstherapie in?

    •Doel: stimuleren van gewenstgedrag
    •Uitgangspunten (leertheorie):  
    •‘t gaatomwaarneembaargedrag
    •gedrag is aangeleerd (en kandusookafgeleerdworden)
    •Aanpak:  klassieke en operanteconditionering; S-O-R-model
    S: Stimuluscontrole
    O: gerichteaandachtvoorgedachten van het Organisme
    R: Responspreventie: juistegedragaanleren

    •Tradities:
    •A. Toegepastegedragsanalyse(traditionelegedragstheorie)
    •ABC-schema:  Antecedent – Behavior – Consequence
    •B.  Sociaallerentheorie: eenmensleertvooral van zijnsocialeomgeving  (imitatie en modelling)
    •c) Cognitievegedragstheorie (CGT): gedachten (cognitieve schema’s) bepalenmedegevoelens en gedrag(G+G=G+G
  • Wat houdt de ExperiËntiële, ervaringsgerichtebenadering in?

    1.Doel: de ‘wondervraag’:
    •”Hoe zou je willendat je leveneruitziet?” of
    •“Watzou je willenleren en hoe?” of
    •“Hoe zou je van die 6 een 8 kunnenmaken?”
    2.Aanpak: cruciaal is het zelfervaren, het zelfdoen; het gebruik van actievewerkvormen
    3.Rol van de hulpverlener: vooralvragenstellen
    4.Toepassingen: het ‘NieuweLeren’ (zelfervaren) en werken met moeilijkegroepen(oplossingsgerichtwerken)
  • Wat houdt de Systeemtheoretischebenadering in?

    1.Doel:  versterking van zelfstandigheid en socialecompetentie (balanstussen ‘geven en ontvangen’)
    2.Uitgangspunt I: ecologischeperspectief (gedragsprobleem is altijdrelatief, situationeel, relationeel en fluctuerend in tijd)
    3.Uitgangspunt II: elk menswiler toe doen (gezien, gehoord, gekendworden)
    4.Diagnose: beschrijving van het gedragover en weer
    5.Aanpak: versterking van pedagogischvakmanschap
    6.Voorbeelden:Interactiewijzer, VIB, gezinstherapie
  • Wat houdt de Aanpakvanuitneurobiologie in?

    •Iedergedrag is eensamenspel van genetischeaanleg, de kwetsbaarheid van de persoonende omgevingsfactoren
    •Het brein is redelijkveranderbaar: medicatie, begeleidingenpsychotherapiekunneneffectenhebben op structuurenwerking van de hersenen (bv. via EEG-neurofeedbackkan de hersenactiviteitgetraindworden)
  • Wat zijn de vier basisbehoefte van Stevens
    Behoefte aan relatie, competentie, autonomie en aan
             echtheid/betekenisvolheid 
  • Wat is het uitgangspunt van de leertheorie?
    Een mens leert vooral door zijn omgeving, van de effecten van zijn gedrag op die omgeving. 
  • Wat is het behavioristische S-O-R-model?
    S: Stimuluscontrole
    O: gerichte aandacht voor gedachten van het Organisme
    R: Responspreventie: juiste gedrag aanleren
  • Wat is psycho educatie?
    Psycho-educatie is een methodiek in de hulpverlening aan mensen met een langdurige beperking of handicap. Ze verwijst naar een reeks educatieve of opvoedkundige interventies om mensen te leren omgaan met hun beperkingen door het verwerven van kennis, vaardigheden in de omgang, meer zelfvertrouwen en door psychologische verwerking.
  • 2.1 De inzichtgevende, psychodynamische benadering

  • Waar is de psychodynamische benadering primair op gericht?
    De mens als subject die zijn problemen alleen kan oplossen in relatie met de ander, een persoonsgerichte benadering dus.
  • Waarom is de psychodynamische benadering persoonsgericht?
    Omdat de benadering gericht is op de mens die zijn problemen alleen kan oplossen in relatie met de ander.
  • Wat is in de eerste  plaats belangrijk bij de aanpak van de psychodynamische benadering?
    Een goede analyse van het probleem. Zit het probleem in het denken, doen, voelen of willen? Welke omgevingsfactoren spelen een rol? Wat zijn de beschermende factoren en wat de risicofactoren.
  • Waar gaat de psychodynamische benadering naar opzoek?
    Naar het waarom van het probleemgedrag en probeert de betekenis van het probleemgedrag te begrijpen
  • Hoe kenmerkt de aanpak van de psychodynamische benadering zich?
    De aanpak wordt afgewisseld met correctie van gedrag, ondersteuning van gevoelens en bevordering van inzicht.
  • Waar gaat de psychodynamische benadering van uit?
    Dat een mens pas kan leren als het zich veilig voelt. het gaat er dus vanuit dat je eerst een relatie moet opbouwen.
  • Welke drie aspecten in de ontwikkeling van een persoon krijgen extra nadruk binnen de psychodynamische benadering?
    1- het affectieve aspect: de relatie is belangrijk. 
    2- het cognitieve aspect: omgaan met structuren in de leefwereld.
    3- het conatieve aspect: eigenheid/ kiezen voor jezelf.
  • Waarin kan het probleem zitten bij de psychodynamische benadering?
    Denken, doen, voelen of willen met andere woorden in het cognitieve, vaardigheidsemotionele of waardeoriëntatieaspect?
    bijvoorbeeld een kind is aan het wiebelen, als het probleem in het denken zit dan denkt het kind dat hij zo het best opvalt om een beurt te krijgen, is het 'doen' dan kan hij niet anders door zijn adhd probleem. is het voelen dan kan het zo zijn dat hij zenuwachtig is. het moeilijkste is het willen. want zonder dat je motivatie hebt om te leren, kun je ook niet leren.
  • Welke drie strategieën gebruikt de pschychodynamische benadering om de hulpvraag te beantwoorden?
    1- Eerstegraadsstrategie: hanteren van opvoedproces als geheel.
    2- Tweedegraadsstrategie: ondersteuning binnen de totale leefsituatie van het kind.
    3- Derdegraadsstrategie: eigenheid en individuele variaties.
  • Wat zijn volgens Kok de drie aspecten die extra aandacht verdienen?
    - affectie
    - cognitieve aspect
    - conatieve aspect
  • Het model van Kok heeft drie assen. Leg deze assen uit.
    De affectieve as R-r. Heeft het kind behoefte aan veel relatie of weinig. Bijv. autistische kinderen hebben geen behoefte aan een relatie.

    De s-v as, de cognitieve as. Heeft het kind behoefte aan steun bij het cognitieve functioneren: structuurzwakke/ structuurloze kinderen of niet-flexibele (starre) kinderen.

    De z-h as, de conatieve eigenheidsas. Wil het kind zich profileren (zelfverwerkelijking) of harmoniëren.
  • Het model van Kok heeft drie aspecten. Leg deze assen uit.
    De affectieve as R-r. Heeft het kind behoefte aan veel relatie of weinig. Bijv. autistische kinderen hebben geen behoefte aan een relatie.

    De s-v as, de cognitieve as. Heeft het kind behoefte aan steun bij het cognitieve functioneren: structuurzwakke/ structuurloze kinderen of niet-flexibele (starre) kinderen.

    De z-h as, de conatieve eigenheidsas. Wil het kind zich profileren (zelfverwerkelijking) of harmoniëren.
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Samenvatting 2:

  • Pedagogische adviezen voor speciale kinderen
  • Trix van Lieshout
  • of
  • 1st

Samenvatting - Pedagogische adviezen voor speciale kinderen

  • 1 Inleiding

  • Verstoorde ontwikkeling 
    • Hersenafwijking
    - Syndroom van down
    • Hersenbeschadiging 
    - prenataal: erfelijkheid/ roken 
    - perinataal: zuurstoftekort 
    - postnataal 
    • Afwijking rijping 
    - Vertraagde rijping, zindelijkheid 
  • 1.2 Keuze van de verschillende gedragsproblemen

  • Wat is comorbiliteit?
    Tegelijkertijd verschillende stoornissen hebben.
  • Wat is co-morbiliteit?
    Het tegelijkertijd voorkomen van verschillende problematieken?
  • Invloed van omgeving
    Omgeving moet om leren gaan met het gegeven dat het kind een stoornis heeft.

    Factoren die een rol spelen: 
    • Leeftijd
    • Stressbestendigheid
    • Ernst van de gebeurtenis
    • Sociaal netwerk
  • ADHD = 
    Attention Deficit Hyperactivity Disorder
  • ADD
    Attention Deficit Disorder
  • ODD
    Oppostioneel opstandig gedrag
  • Hoeveel procent van de basisschoolkinderen heeft ODD? En hoeveel procent van de volwassenen?
    20% en 1,5%
  • PDD-NOS = 
    Pervasive Development Disorder Not Otherwise Specified
  • Hoeveel proces van de basisschoolkinderen heeft PDD-NOs
    15%
  • Hoeveel procent van de basisschoolkinderen heeft een angst- of stemmingsstoornis?
    2%
  • NLD = 
    Non verbale leerstoornis
  • Er bestaan drie hypotheses over de relatie tussen leer- en gedragsproblemen:
    1. Leerproblemen kunnen tot gedragsproblemen leiden door veelvuldig faalervaringen en de emotionele gevolgen daarvan.
    2. Gedragsproblemen kunnen hun weerslag hebben op de noodzakelijke voorwaarden voor het schoolse leren en zo leerproblemen veroorzaken. Dit zouden dan eerder secundaire leerproblemen zijn en geen leerstoornissen. 
    3. Het genetisch en neuropsychologisch profiel van leerlingen bepaald zowel de vorderingen bij verwering van de schoolse leerstof als hun psychosociaal functioneren. 
  • 1.3 Verhouding jongens en meisjes in het onderwijs aan kinderen met sociaal-emotionele problemen

  • Wat is de verhouding jongen:meisjes in het onderwijs aan kinderen met sociaal-emotionele problemen?
    4:1
  • Verklaringen verhouding jongens en meisjes:
    1. Bij jongens is er sprake van een grotere biologische genetische kwetsbaarheid.
    2. Mogelijk wordt er bij jongens nog een grote druk uitgeoefend om te presteren.
    3. Jongens uiten hun ongenoegen vaak openlijker in hun gedrag dan meisjes
  • 1.4 Gedragsstoornis of gedragsprobleem

  • Wat is een gedragsstoornis?
    Als een probleem niet te verhelpen is en de persoon er mee moet leren omgaan. Een gedragsstoornis is vaak in de aanleg meegegeven.
  • Wat is een gedragsprobleem?
    de oorsprong van een gedragsprobleem ligt in de omgeving en de mogelijkheid van beinvloeding van buitenaf is groter 
  • Wanneer wordt er in de psychiatrie gesproken van een  stoornis?
    Wanneer er specifieke kenmerken te mintens 6 maanden continu voorkomen.
  • 1.5 Onderzoek voorafgaand aan de behandeling

  • Voordat er met de behandeling wordt gestart, wordt er eerst gekeken naar algemene mogelijke oorzaken:
    • te weinig slaap, ziektes, werking zintuigen


    Zijn deze mogelijke oorzaken uitgesloten dan vinder en een handelingsgericht onderzoek plaats. Deze vorm van diagnostiek is gericht op:
    1. Hulpverlening
    2. Begeleiding
    3. Oplossen van problemisch opvoedings/onderwijssituatie
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Laatst toegevoegde flashcards

Het model van Kok heeft drie aspecten. Leg deze assen uit.
De affectieve as R-r. Heeft het kind behoefte aan veel relatie of weinig. Bijv. autistische kinderen hebben geen behoefte aan een relatie.

De s-v as, de cognitieve as. Heeft het kind behoefte aan steun bij het cognitieve functioneren: structuurzwakke/ structuurloze kinderen of niet-flexibele (starre) kinderen.

De z-h as, de conatieve eigenheidsas. Wil het kind zich profileren (zelfverwerkelijking) of harmoniëren.
waar is de no-blame methode voor en hoe voer je het uit?
de no-blame methode is tegen pesten. Het is de bedoeling dat je de pester niet straft maar dat hij de gevolgen inziet en zich verantwoordelijk voelt
stap 1: interview met het slachtoffer
stap 2: gesprek met de groep zonder het slachtoffer
stap 3: leg uit hoe het slachtoffer zich voelt
stap 4: deel verantwoording uit
stap 5: vraag de kinderen om ideeën hoe het kan worden opgelost
stap 6: laat het los en laat de kinderen het probleem zelf oplossen
stap 7: kom er later io terug en bespreek individueel wat het effect is geweest
voor effectief leren is essentieel:
- gevoelens van veiligheid
- contact
- zelfvertrouwen
- vertrouwen in een ander
wat is kindvolgend contact
je bent sensitief en neemt het kind serieus
wat is essentieel voor de jongeren om zich te ontwikkelen
ze moeten zich gehoord, gezien, gekend en erkend voelen
wat zijn de vier basisbehoeftes
- relatie
- competentie
- autonomie
- betekenisvolheid
welke fases in adolescentie zijn er?
vroege adolescentie, puberteit, veel hormonen en keuzes maken gaat vaak emotioneel. ze zijn vatbaar voor rare ideeën
midden adolescentie, er wordt meer nagedacht over gevolgen maar het emotionele wint vaak nog van het rationele.
late adolescentie, keuzes worden goed overwogen en het gedrag wordt gereguleerd.
welke vier aanpakken hebben een effect op de werking van hersenen
- medicatie
- begeleiding
- psychotherapie
- lichaamsbeweging
bij hersenwetenschappen is gedrag een
samenspel van genetische aanleg, kwetsbaarheid en omgevingsfactoren
welke vier dimensies zijn er bij de systeem theoretische benadering?
1ste feiten, ziekte armoede, scheiding
2de, innerlijk, gevoelens
3de, interactie, communicatie, regels binnen een systeem  
4de, evenwicht in geven en nemen.