Samenvatting Pitlo 3 goederenrecht

-
ISBN-10 9013052770 ISBN-13 9789013052770
949 Flashcards en notities
81 Studenten
  • Deze samenvatting

  • +380.000 andere samenvattingen

  • Een unieke studietool

  • Een oefentool voor deze samenvatting

  • Studiecoaching met filmpjes

Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.

Dit is de samenvatting van het boek "Pitlo 3 goederenrecht". De auteur(s) van het boek is/zijn W H M Reehuis, A H T Heisterkamp van G E van Maanen, G T de Jong. Het ISBN van dit boek is 9789013052770 of 9013052770. Deze samenvatting is geschreven door studenten die effectief studeren met de studietool van Study Smart With Chris.

PREMIUM samenvattingen zijn gecontroleerd op kwaliteit en speciaal geselecteerd om je leerdoelen nog sneller te kunnen bereiken!

Samenvatting - Pitlo 3 goederenrecht

  • 4.3 118-120b Ongeldige titel krachtens 3:84 lid 3 BW

  • 3:276 BW       schuldeiser heeft verhaalsrecht op alle goederen van zijn schuldenaar.

     

    3:277 lid 1 jo 3:278 lid 1        gesloten stelsel van voorrangsrechten: schuldeiser gaat alleen voor andere schuldeisers door in de wet aangegeven gevallen. Voor het overige geldt ‘paritas creditorum’= onderling gelijk recht om uit de opbrengst naar evenredigheid van ieders vordering te worden voldaan. 

  • Wat is het enige door de wet erkende zekerheidsrecht op roerende zaken?

    Pandrecht

  • Hoe zag het pandrecht er in het oude recht uit? 

                Afgifte van de zaak was noodzakelijk en het verviel als de zaak weer in de macht van de pandgever kwam. (Dit was lastig voor een bedrijf om geld te verdienen als men niet over de bedrijfsmiddelen kon beschikken. Men droeg de zaak daarom door een tweezijdige verklaring tot zekerheid aan de kredietgever over, maar de kredietnemer behield de feitelijke macht: constitutum possessorium. De HR erkende deze mogelijkheid in 1929.) De schuldeiser kreeg zo een overmaat aan recht; andere schuldeisers hadden zo geen verhaal meer op de goederen. (Men noemde dit fiduciaire overdracht: eigendomsoverdracht tot zekerheid, dat wil zeggen overdracht ten titel van verhaal ertoe strekkende dat de verkrijger in zijn verhaalsbelangen wordt beschermd en derhalve een sterkere positie inneemt ten opzichte van andere, 'gewone' schuldeisers.) Na de erkenning van cp in 1929 mocht een schuldeiser pas van zijn recht gebruikmaken bij tekortschieten en zich dan te gedragen als een pandhouder: zaken niet behouden, maar openbaar verkopen en uit de opbrengst verhalen. De zekerheidseigendom verkreeg daarom steeds meer de kenmerken van een zekerheidsrecht, namelijk een eigendom die ertoe strekte dat de kredietgever zich met ‘voorrang’ boven andere schuldeisers op de overgedragen zaak kon verhalen. 

  • Wat kende het oude recht naast zekerheidsoverdracht van roerende zaken nog meer?

                Zekerheidscessie van vorderingen. Populair toen omdat het oude recht voor verpanding van vorderingen mededeling aan de schuldenaar vereiste, wat voor cessie niet noodzakelijk was. 

  • Welke vorm van pandrecht bij roerende zaken, niet-registergoederen en vorderingen kent het huidige recht?

                Stille verpanding, dus zonder dat machtsverschaffing (3:237) of mededeling aan de schuldenaar (3:239) noodzakelijk is. Dit vervangt de ‘eigendomsoverdracht tot zekerheid’ van het oude recht, want daarmee verkreeg de schuldeiser is beginsel meer recht dan zijn belang als crediteur rechtvaardigde, namelijk niet alleen verhaal en voorrang, maar hij werd ook eigenaar. Toen in het huidige recht het ‘stille pandrecht’ werd opgenomen, werd de weg van de overdracht tot zekerheid afgesloten. 

  • Uit art. 3:84 lid 3 volgt dat geen overdrachten worden getolereerd die tot doel hebben een goed aan een derde in zekerheid te geven. Wie een goed in zekerheid wil geven moet een door de wet erkend voorrangsrecht gebruiken; hypotheek of (stil) pandrecht. 

  • Zekerheid is geen geldige titel voor overdracht, maar wel een geldige titel voor het vestigen van pand of hypotheek. De wetgever wijdt een uitgebreide titel aan deze zekerheidsrechten, zie titel 3.9 van Boek 3. 

  • Wat betekent het fiduciaverbod?

                Het fiduciaverbod van artikel 3:84 lid 3 BW verbiedt eigendomsoverdracht tot zekerheid, dat wil zeggen overdracht ten titel van verhaal ertoe strekkende dat de verkrijger in zijn verhaalsbelangen wordt beschermd en derhalve een sterkere positie inneemt ten opzichte van andere, 'gewone' schuldeisers. (Fiducia=vertrouwen. Vroeger droeg men de goederen over in vertrouwen dat de schuldeiser de zaak na voldoening van de vordering zou terugoverdragen.)

  • Wat is de maatstaf van de HR t.a.v. het fiducia-verbod? 

                Arrest HR Keereweer q.q./Sogelease: de strekking van 3:84 lid 3 BW. Ging over uitvoering van een ‘sale and lease back’-ovk.

    De maatstaf voor de vraag of een overdracht tot zekerheid strekt ligt besloten in de nauwe samenhang tussen het ‘fiducia-verbod’ van 3:84 lid 3 en het aangeboden alternatief van het stille pandrecht in 3:237:

     

    • Rechtshandeling strekt tot overdracht ‘ten titel van verhaal’. Strekt de rechtshandeling ertoe de wederpartij een zekerheidsrecht te verschaffen zodat hij zich met voorrang boven andere schuldeisers op het goed kan verhalen –wat de bevoegdheid tot toe-eigening uitsluit (vergelijk 3:235)-? In het geval van wanprestatie van de wederpartij waarbij de overeenkomst zich beperkt tot het te gelde maken van het hem overgedragen goed ten einde zich uit de opbrengst te verhalen en een overschot aan zijn wederpartij terug te geven, levert ingevolge 3:84 lid 3 niet een geldige titel voor overdracht op: partijen dienen dan gebruik te maken van (stil) pandrecht (of hypotheek).
    • Rechtshandeling strekt tot werkelijke overdracht (bij een zaak: eigendomsoverdracht) zonder beperking –dus meer dan het enkele recht dat hem in zijn belang als schuldeiser beschermt- dan staat 3:84 lid 3 daaraan niet in de weg.Dus:
      • ovk strekt ertoe dat een zaak door de overdragen aan de verkrijger wordt verkocht en overgedragen en
      • strekt ertoe dat de zaak door de verkrijger tegen betaling aan de overdrager in gebruik wordt gegeven onder zodanige voorwaarden dat de verkrijger in het geval van wanprestatie van zijn wederpartij de ovk slechts –voor wat betreft het gebruik- hoeft te ontbinden om zo weer vrijelijk en volledig over zijn zaak te kunnen beschikken.
      • Dit geldt ook als de ovk is gesloten i.v.m. kredietverstrekking aan de overdrager, zoals bij een sale and lease back-ovk. 
  • Voor lease is juridisch van belang welke overeenkomst eraan ten grondslag ligt, wat kan?

    Huurovereenkomst of huurkoopovereenkomst. 

  • Economisch gezien kent lease 2 hoofdvormen, welke? Welke vormen hebben zij juridisch?  

    Operational lease: economisch risico v/d zaak drukt op de lessor (leasemaatschappij)

     

    Financial lease: economisch risico drukt op de lessee (gebruiker van de zaak)

  • Operational lease back: zaak staat op de balans van de leasemaatschappij

    Financial lease back: zaak blijft op de balans van de koper ondanks overdracht.

     

     

    Operational lease heeft juridisch vaak de vorm van huur, financial lease de vorm van huurkoop. 

  • Wat betekent ‘sale and lease back’? 

                Aankoopfinanciering. Financiering zoekende koper verkoopt de door hem gekochte zaak door aan zijn financier, die de zaak ten titel van lease bij hem in gebruik laat. Zo wordt geld liquide gemaakt dat ligt opgesloten in al aanwezige zaken. 

  • Waarom lijkt ‘sale and financial lease back’ in strijd met het fiducia-verbod? 

                Partijen hebben niet de intentie dat de leasemaatschappij daadwerkelijk van de door haar verworven eigendom gebruik zal maken, alleen wanneer de lessee tekortschiet in het betalen van de leasetermijnen.

    Sale (koop) wordt gebruikt om de leasemaatschappij in de vorm van eigendom zekerheid te verschaffen voor de betaling van de volledige leaseprijs, terwijl –ondanks de verkoop en overdracht aan de leasemaatschappij- het economische en juridische risico m.b.t. de zaak bij de verkoper/lessee blijft liggen. Bovendien blijft de zaak op de balans van de verkoper staan.

     

    (moeilijk:) Art. 3:92 staat de verkoper toe de eigendom in de vorm van eigendomsvoorbehoud in te zetten tot zekerheid van betaling van de koopprijs. Dit geldt voor verkopers die op krediet leveren, maar ook voor andere kredietgevers om de voorbehouden eigendom in het kader van een aankoopfinanciering als zekerheid in te zetten. Dat kan door de zaak zelf bij de leverancier te kopen en vervolgens onder eigendomsvoorbehoud door te verkopen aan de financiering zoekende koper. Aankoopfinanciering door een ‘sale and financial lease back’ is vanwege een andere route weer net een stap verder. Biedt 3:92 nog ruimte om te beredeneren dat gebruik van sale and lease back binnen het kader van aankoopfinanciering mogelijk is, dat is niet het geval voor haar gebruik om geld dat ‘vastzit’ in al verworven zaken liquide te maken. Is ze dan niet meer dan een listige constructie om te verbloemen dat de overdracht tot zekerheid strekt? 

Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Laatst toegevoegde flashcards

Welke niet-goederen zijn niet vatbaar voor overdracht als bedoeld in art. 3:80 lid 3 jo art 3:84 lid 1 BW
- Goodwill  (maar wel als dat door een combinatie van partijafspraak en feitelijke handelingen vaak een resultaat is te bereiken waarbij het lijkt alsof 'de goodwill' overgaat. Bv het overnemen van een bedrijf, anticoncurrentiebeding, klantenbestand, advertentie laten plaatsen).
- onderneming is niet als 'onderneming' vatbaar voor overdracht.
verkoop van een onderneming impliceert doorgaans de verkoop van goederen.
- bestanddelen van een zaak zijn niet zelfstandig als 'bestanddeel' overdraagbaar.
- Wilsrecht indien het wilsrecht aan te merken is als een zelfstandig vermogensrecht (en dus als een goed).  zo niet, dan is overdracht uitgesloten.  bv in geval van een verrekeningsbeveogdheid of de bevoegdheid om een beroep te doen op een vernietigingsgrond. Betreft het een als zelfdstandig vermogensrecht (bv optierechten), dan bepaalt het daardoor in het leven te roepen recht of een dergelijke bevoegdheid overdraagbaar is.
Een rechthebbende kan zijn beschikkingsbevoegdheid niet afzonderlijk van zijn recht afsplitsen. In hoeverre betekent dit dat niet-rechthebbenden dan ook geen beschikkingsbevoegdheid kunnen hebben?De wet geeft wel diverse mogelijkheden voor niet-rechthebbenden om te mogen beschikken, zoals de pandhouder, die het recht van parate executie toekomt.Zowel door de wet als door middel van een rechtshandeling kan het eventueel mogelijk worden gemaakt dat het uitgangspunt dat een niet-rechthebbende niet kan beschikken doorbroken wordt.Als een rechthebbende de beschikkingsbevoegdheid niet kan afsplitsen, kan een niet-rechthebbende dus ook niet beschikkingsbevoegd gemaakt worden.Door middel van een speciale rechtshandeling zoals in geval van lastgeving in eigen naam is het mogelijk dat niet rechthebbenden beschikkingsdaden mogen verrichten.
Juiste antwoord: b. Zowel door de wet als door middel van een rechtshandeling kan het eventueel mogelijk worden gemaakt dat het uitgangspunt dat een niet-rechthebbende niet kan beschikken doorbroken wordt.
Zie Reehuis & Heisterkamp, Pitlo Goederenrecht, nr. 142.
Beoordeel de juistheid van de volgende twee stellingen: Stelling I. Een rechthebbende kan de bijbehorende beschikkingsbevoegdheid niet afsplitsen van zijn recht als rechthebbende, maar kan de beschikkingsbevoegdheid wel kwijtraken.Stelling II. Beschikkingsbevoegdheid kan desgewenst contractueel worden beperkt.I en II zijn onjuist.Alleen I is juist.I en II zijn juist.Alleen II is juist.
Juiste antwoord: b. Alleen I is juist.
Zie Reehuis & Heisterkamp, Pitlo Goederenrecht, nr. 100, nr. 137 t/m 139.
Kunt u een aantal gevallen bedenken waarbij sprake is van beperkte beschikkingsbevoegdheid?Kunt u een aantal gevallen bedenken waarbij de gerechtigde in het geheel niet over een hem toebehorend goed kan beschikken (volledige beschikkingsonbevoegdheid)?
Van beperkte beschikkingsbevoegdheid ten aanzien van een goed is onder meer sprake:
  • indien op het goed een beperkt recht rust ten gunste van een derde (de eigenaar van een huis is beperkt beschikkingsbevoegd indien hij het huis met een hypotheekrecht heeft belast).
  • indien op het beperkte recht een beperkt recht ten gunste van een derde rust (de erfpachter is beperkt beschikkingsbevoegd indien hij zijn erfpachtrecht met een vruchtgebruik heeft belast).
  • bij bepaalde vormen van bewind (zo kan de meerderjarige onder bewind gestelde alleen met medewerking van de bewindvoerder of met toestemming van de kantonrechter over de onder bewind staande goederen beschikken, art. 1:438, tweede lid, BW).
Van volledige beschikkingsonbevoegdheid ten aanzien van een goed is onder meer sprake:
  • indien de gerechtigde failliet is (art. 35 Fw).
  • in geval van conservatoir en/of executoriaal beslag op een goed.
  • indien partijen de overdraagbaarheid van een vorderingsrecht door middel van een daartoe strekkend beding hebben uitgesloten (art. 3:83, tweede lid BW).
Volgens sommige rechtsgeleerden is er bij de levering tevens het bestaan van een geldige goederenrechtelijke overeenkomst vereist. Deze goederenrechtelijke overeenkomst is dus een andere dan de in eenzelfde casus tussen partijen gesloten obligatoire overeenkomst, waaruit de verbintenis tot overdracht en de plicht tot levering is voortgevloeid.Om welke reden is het volgens andere rechtsgeleerden, zoals Pitlo/Reehuis & Heisterkamp, Goederenrecht, praktisch juridisch minder noodzakelijk om voor een geldige levering de eis van een geldige goederenrechtelijke overeenkomst te stellen?Aangezien eventuele wilsontbreken, wilsgebreken, handelingsonbekwaamheid en Pauliana die zouden kunnen spelen bij de goederenrechtelijke overeenkomst in de regel ook de aan de titel ten grondslag liggende rechtshandeling zullen treffen.Aangezien de goederenrechtelijke overeenkomst moeilijk valt te herkennen en eigenlijk slechts bij de overdracht van registergoederen bij de overdrachtsacte duidelijk naar voren komt.Omdat uit de diverse vereisten voor een geldige levering al automatisch volgt dat partijen de wil hebben om op dat moment daadwerkelijk te leveren.Gezien het feit dat nergens in de wet de term ‘goederenrechtelijke overeenkomst’ wordt omschreven, noch de term in enig wetsartikel voorkomt.
Juiste antwoord: a. Aangezien eventuele wilsontbreken, wilsgebreken, handelingsonbekwaamheid en Pauliana die zouden kunnen spelen bij de goederenrechtelijke overeenkomst in de regel ook de aan de titel ten grondslag liggende rechtshandeling zullen treffen.
Zie Reehuis & Heisterkamp, Pitlo Goederenrecht, nr. 131 t/m 134.
Hoe vindt de vestiging plaats van:een vruchtgebruik op een koe?een hypotheekrecht op een erfpachtrecht?een vruchtgebruik op een ordervordering?een stil pandrecht op een vordering op naam?een erfdienstbaarheid op een reeds met hypotheek bezwaarde onroerende zaak?
a. Levering van een koe geschiedt door aan de verkrijger het bezit der zaak te verschaffen (art. 3:90 BW). Feitelijke overgave is een manier waarop het bezit aan de verkrijger kan worden overgedragen (art. 3:114 BW). Een vruchtgebruik op een koe kan dus worden gevestigd door de koe (ten titel van vruchtgebruik) in de macht van de vruchtgebruiker te brengen. Vanzelfsprekend dient aan de overige vereisten van artikel 3:84 BW te zijn voldaan (bepaalbaarheid, beschikkingsbevoegdheid vervreemder en een geldige titel).
b. Levering van een erfpachtrecht geschiedt door een daartoe bestemde, tussen partijen opgemaakte notariële akte, gevolgd door de inschrijving daarvan in de daartoe bestemde openbare registers (art. 3:89 j° 98 BW). De vestiging van een hypotheekrecht op een erfpachtrecht vindt dienovereenkomstig plaats: er wordt een hypotheekakte opgemaakt die vervolgens in het hypotheekregister wordt ingeschreven. De vestiging is echter slechts rechtsgeldig indien ook aan de overige vereisten van artikel 3:84 BW is voldaan.
c. De levering van een ordervordering dient overeenkomstig artikel 3:93 j° 90 BW te geschieden. De vervreemder dient het orderpapier dus (ten titel van vruchtgebruik) in de macht van de vruchtgebruiker te brengen en te endosseren. Vanzelfsprekend dient aan de overige vereisten van artikel 3:84 BW te zijn voldaan (bepaalbaarheid, beschikkingsbevoegdheid vervreemder).
d. Een vordering op naam wordt geleverd door een daartoe bestemde akte en mededeling (art. 3:94 BW). Voor de vestiging van een stil pandrecht op de vordering is dus een akte van stille verpanding vereist (art. 3:236, tweede lid, BW). In dit (bijzondere) geval kan de mededeling echter achterwege blijven (art. 3:239 BW). Dat vloeit voort uit het 'stille' karakter van de verpanding.
De akte van verpanding kan notarieel of onderhands worden opgemaakt. Is het laatste het geval, dan dient zij te worden geregistreerd (art. 3:239 BW). Aan de vestiging dient natuurlijk een titel ten grondslag te liggen, de pandgever dient beschikkingsbevoegd te zijn en de vordering voldoende bepaald (art. 3:84 BW).
e. Dat de onroerende zaak reeds bezwaard is met een hypotheekrecht doet voor de beantwoording van de vraag niet ter zake. Een onroerende zaak kan immers met verschillende beperkte rechten bezwaard zijn.
Voor de vestiging is een notariële akte van erfdienstbaarheid vereist die in de daartoe bestemde openbare registers wordt ingeschreven. De vestiging dient voor het overige aan de vereisten van artikel 3:84 BW te voldoen.
B vervaardigt, voor zichzelf, beroepsmatig radio’s. De onderdelen worden onder eigendomsvoorbehoud toegeleverd door A. Tot meerdere zekerheid voor de betaling van de onderdelen draagt B de reeds door hem, uit A’s onderdelen, vervaardigde radio’s tot zekerheid aan A over.Beoordeel de juistheid van de volgende twee stellingen: Stelling I. De overdracht B-A is nietig, omdat er een nietige titel aan ten grondslag ligt.Stelling II. De overdracht is nietig, omdat B beschikkingsonbevoegd is.Alleen II is juist.I en II zijn onjuist.Alleen I is juist.I en II zijn juist.
Juiste antwoord: c. Alleen I is juist.
Stelling I is juist. B draagt de radio’s tot zekerheid aan A over. Dat wil zeggen dat sprake is van een fiduciaire eigendomsoverdracht. De wetgever heeft voor de fiduciaire eigendomsoverdracht een stokje gestoken door de titel die er aan ten grondslag ligt nietig te verklaren (zie art. 3:84, derde lid, BW).
Stelling II is onjuist. De overdracht is nietig, maar niet omdat B beschikkingsonbevoegd is. B fabriceert beroepsmatig voor zichzelf radio’s uit onderdelen die A toelevert. B wordt dientengevolge eigenaar van de radio’s door zaaksvorming (art. 5:16, tweede lid, BW).
Partijen kunnen aan een verbintenis tot overdracht een opschortende voorwaarde verbinden. Levering van P aan Q krachtens een verbintenis waaraan een opschortende voorwaarde is verbonden betekent voor de overdracht dat:er geen overdracht plaatsvindt aangezien een verbintenis onder opschortende voorwaarde geen geldige overdrachtstitel is.de overdracht tot stand komt doch de rechtsverkrijging voorwaardelijk is.er een overdracht tot stand komt en dat na het intreden van de voorwaarde een verbintenis tot teruglevering ontstaat.de overdracht pas tot stand komt als de voorwaarde is vervuld
Juiste antwoord: b. de overdracht tot stand komt doch de rechtsverkrijging voorwaardelijk is.
Zie Reehuis & Heisterkamp, Pitlo Goederenrecht, nr. 121, 124 en 125.
Welke stelling omtrent de plaats van art. 3:84 lid 3 BW in ons goederenrechtelijk systeem is juist?De inhoud en reikwijdte van 3:84 lid 3 is geheel begrensd na het arrest Keereweer/Sogelease.Art. 3:84 lid 3 BW effectueert enerzijds het gesloten systeem van voorrangsrechten en anderzijds het gesloten systeem van beperkte rechten.Art. 3:84 lid 3 BW is door de wetgever opgenomen nadat het stille pandrecht een plaats had gekregen in het BW en als alternatief kon gaan dienen voor de vroegere ‘overdracht tot zekerheid’.Overdracht onder voorbehoud van een beperkt recht is geen werkelijke overdracht dus in strijd met art. 3:84 lid 3 BW.
Juiste antwoord: b. Art. 3:84 lid 3 BW effectueert enerzijds het gesloten systeem van voorrangsrechten en anderzijds het gesloten systeem van beperkte rechten.
Zie Reehuis & Heisterkamp, Pitlo Goederenrecht, nr. 120b, arrest Keereweer q.q./Sogelease en art. 3:277 lid 1 jo 3:278 lid 1 BW; 3:81 lid 1 BW.
Kan een ‘sale en lease back’- constructie die volgt uit een overeenkomst de toets van art. 3:84 lid 3 BW doorstaan?Net als de toegestane constructie van het eigendomsvoorbehoud, die ook een zekere goederenrechtelijke constructie tot zekerheid van betaling van de koopprijs inhoudt, is ook de 'sale en lease back'-constructie een zekerheidsconstructie die in beginsel niet in strijd is met art. 3:84 lid 3 BW.Ja, elke 'sale en lease back'-constructie kan de toets van art. 3:84 lid 3 BW doorstaan.Nee, zo’n zekerheidsconstructie, welke in feite leidt tot een vorm van ‘overdracht tot zekerheid’, wordt automatisch omgezet in het in het BW geregelde alternatief, namelijk een stil pandrecht op de betreffende zaak.Nee, deze constructie is in strijd met art. 3:84 lid 3 BW.
Juiste antwoord: a. Net als de toegestane constructie van het eigendomsvoorbehoud, die ook een zekere goederenrechtelijke constructie tot zekerheid van betaling van de koopprijs inhoudt, is ook de 'sale en lease back'-constructie een zekerheidsconstructie die in beginsel niet in strijd is met art. 3:84 lid 3 BW.
Zie Reehuis & Heisterkamp, Pitlo Goederenrecht, nr. 119a en arrest Keereweer q.q./Sogelease.