Samenvatting Recht als raadsel. Een inleiding in de rechtsfilosofie. 2de, herz. dr

-
ISBN-10 9490962872 ISBN-13 9789490962876
806 Flashcards en notities
15 Studenten
  • Deze samenvatting

  • +380.000 andere samenvattingen

  • Een unieke studietool

  • Een oefentool voor deze samenvatting

  • Studiecoaching met filmpjes

Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.

Dit is de samenvatting van het boek "Recht als raadsel. Een inleiding in de rechtsfilosofie. 2de, herz. dr". De auteur(s) van het boek is/zijn Westerman. Het ISBN van dit boek is 9789490962876 of 9490962872. Deze samenvatting is geschreven door studenten die effectief studeren met de studietool van Study Smart With Chris.

PREMIUM samenvattingen zijn gecontroleerd op kwaliteit en speciaal geselecteerd om je leerdoelen nog sneller te kunnen bereiken!

Samenvatting - Recht als raadsel. Een inleiding in de rechtsfilosofie. 2de, herz. dr

  • 1 Gehele boek

  • Austin's definitie van recht
    Recht is een bevel (een wensuiting voorzien van sanctiemogelijkheid) van algemene strekking uitgevaardigd door de soeverein.
  • Austin's functie van recht
    Regels zijn er om de wensen van de soeverein te realiseren
  • Drie voordelen van Austin's rechtsbegrip
    - Recht ontstaat niet uit gewoonte
    - Geen cirkelredenering (enkel empirisch bestudeerbare begrippen)
    - Normatieve juistheid blijft buiten beschouwing
  • Ehrlich's definitie van recht
    Recht is wat mensen als recht beschouwen en als standaarden zien voor hun handelen. Levend recht: het geheel aan regels waarop mensen zich oriënteren op hun dagelijkse handelingen (Austin’s ‘positieve moraal’).
  • Fuller's definitie van recht
    Het gewoonterecht is de bron van alle recht. De gewoonte van A wordt tot een normatieve verplichting voor A wanneer A de indruk heeft gewekt dat A volgens die gewoonte zal handelen en B zijn eigen handelingen op die verwachting heeft afgestemd.
  • Fuller's functie van regels
    Regels maken het mogelijk dat mensen hun handelingen op elkaar afstemmen.
  • Vijf kenmerken van juridische conflictoplossing
    1. Het beroep op rechter
    2. Het overleggen van bewijsstukken
    3. De aanwezigheid van getuigen
    4. Het bereiken van een definitieve overeenkomst
    5. Het verslag van de rechterlijke procedure zelf
  • Evolutie van telt als naar geldt als
    Vastlegging van feiten en daden is alleen rechtens geldig als zij zijn vastgelegd op een manier die door het recht zelf wordt voorgeschreven. Dit is het gevolg van een stapeling van Searle's statusfuncties:
    - Evolutie van: "X telt als Y in context C"
    - naar: "als aan voorwaarden A en B is voldaan, dan geldt X telt als Y in C".
    Op deze manier ontstaan regels over regels.
  • Kelsen's definitie van recht
    De stapeling van regels over regels (dubbele taak van het recht) is kenmerkend voor een rechtssysteem.
  • Kelsen's functie van recht
    Recht is een manier om menselijk gedrag te sturen door middel van dwang.
  • Verschil tussen Kelsen en Austin
    Austin richt zich op het bevel van de soeverein, terwijl Kelsen het juist kenmerkend vindt voor recht dat sancties worden opgelegd op een manier die door het recht zelf weer wordt geregeld.
  • Dubbele taak van het recht volgens Kelsen
    Het recht
    - schrijft voor welk gedrag er moet worden vertoond
    - schrijft voor welke sanctie er staat op overtreding, hoe die moet worden opgelegd en wie daartoe bevoegd is
  • Hart's definitie van recht
    Volgens Hart hebben alleen rechtssystemen twee soorten regels:
    - Primaire regels die gedrag van burgers voorschrijven
    - Secundaire regels die bevoegdheden verlenen aan juridische actoren
  • Hart's functies van secundaire regels
    - Herkenningsregels (wat geldt wanneer?) verminderen rechtsonzekerheid
    - Veranderingsregels (hoe komt nieuw recht tot stand?) zorgen voor flexibiliteit
    - Berechtingsregels (wie is bevoegd tot uitspraak doen?) maken een eind aan inefficiëntie.
  • Welke kenmerken van recht blijven in Austin's theorie buiten beschouwing?
    - Continuïteit: Recht bestaat vaak langer dan de wetgever.
    - Verplichtende kracht: de verplichtende kracht van de wet is beter te begrijpen als we de wetgever aan rechtvaardigende procedures gebonden achten.
  • Twee argumentatiestrategieen voor het rechtvaardigen van recht en macht
    1. Vanuit het recht:
         a. Het recht moet (niet) worden gehoorzaamd
         b. Want het ontspringt aan de overheid
         c. En die overheidsmacht is (niet) legitiem
         d. Omdat zij (niet) is gebaseerd op X.
    2. Vanuit de overheid:
         a. De overheid moet (niet) worden gehoorzaamd
         b. Want haar recht is (niet) rechtvaardig
         c. Omdat het (niet) voldoet aan criteria X (, Y, Z...).
  • Thomas van Aquino's redenering over legitimiteit en de verplichtende kracht
    Thomas van Aquino zegt dat een leider de samenleving moet sturen naar een bepaald doel. Hoe weet men nu wat een passend doel is? Hierop biedt het natuurrecht een antwoord:

    1. Van nature bestaat de menselijke neiging tot X.
    2. De menselijke neiging tot X moet worden vervuld (VERPLICHTENDE KRACHT / NATURALISTISCHE DROGREDEN)
    3. De staat moet gericht zijn op de vervulling van de menselijke neiging X.
    4. Staten die gericht zijn op X zijn rechtvaardig.
    De 2e stap is verplicht volgens Thomas omdat God als een architect die de mens geschapen heeft overeenkomstig een bouwplan. Ieder element van de schepping heeft daarin een functie die naar behoren moet worden vervuld. Deze nadruk op het doel van de mensen en de overige schepselen noemt men teleologie.
  • Voluntarisme versus intellectualisme
    - De intellectualisten hielden overeind dat God niet tegen de Rede kan handelen. Hierbij gaat de rede dus boven God.
    - De voluntaristen menen dat het bouwplan uiteindelijk niets meer is dan een product van Gods wil, wat de rede ondergeschikt maakt aan God.
  • Hugo de Groot's redenering over de verplichtende kracht van het natuurrecht
    Volgens De Groot verleent het natuurrecht ieder mens het recht om zijn lijf, leden en bezittingen te behouden. Deze natuurlijke rechten vormen het uitgangspunt voor beschouwingen over de vraag waaraan het (overheids)recht moet voldoen.
    Dat betekent dat de plichten van mensen niet worden afgedwongen door een Goddelijke wetgever, maar dat mensen elkaar verplichten.
  • John Locke's redenering over de verplichtende kracht
    Locke is minder intellectualistisch dan Hugo de Groot: Hij vind dat we het recht op zelfbehoud hebben omdat we de plicht tot zelfbehoud hebben omdat God ons geschapen heeft en we zijn 'eigendom' zijn.
  • John Locke's invulling van de contracttheorie
    De instelling van een overheid berust volgens Locke op de overdracht van natuurlijke individuele rechten.
    Ieder mens heeft twee rechten:
    - Recht op zelfbehoud (wordt overgedragen aan wetgevende macht)
    - Recht op straffen (wordt overgedragen aan uitvoerende macht)

    De rechterlijke macht werd door Locke niet als afzonderlijke macht gezien.
    Omdat de individuen hun rechten overdragen, kan de macht van de overheid nooit groter kan zijn dan de optelsom van die natuurlijke rechten.
    Uiteindelijk is de macht van de overheid gebaseerd op een contract. De overheid mag nooit en te nimmer tegen de opdracht van haar burgers in handelen.
  • Tweezijdigheid van de contracttheorie
    Eerder werden twee rechtvaardigingsstrategieën onderscheiden. De contracttheorie valt in beide categorieën:

    1. Het recht moet worden gehoorzaamd, want de overheid is legitiem want gebaseerd op instemming van de burgers.
    2. De overheid moet worden gehoorzaamd, want haar recht voldoet aan de criteria dat persoon en zijn eigendom door de overheid wordt beschermd.
    Het gaat dus over overheid én over recht en geeft zo inhoud aan beide strategieën. Deze tweezijdigheid van de contracttheorie is een van de redenen van haar succes geweest.
  • Naturalistische drogreden
    In zo'n drogreden wordt een normatieve uitspraak over wat behoort direct afgeleid uit een beschrijvende uitspraak over een feit.
    De plicht tot vervulling van de menselijke neiging tot X volgt niet noodzakelijkerwijs uit het feit dat deze neiging bestaat. Deze plicht moet worden gebaseerd op een (hogere) norm die stelt dat natuurlijke neigingen moeten worden vervuld. Ontbreekt die norm, dan is sprake van een zogenaamde naturalistische drogreden.
  • Welke categorieën kunnen worden gegeneraliseerd bij algemene regels?
    Normadressaat, handeling, tijdstip of plaats.
  • De vier functies van algemene regels
    - Heuristische functie
    - Rechtvaardigende functie
    - Coordinerende functie
    - Beperkende functie
    De video noemt ook de 'kritiserende functie'
  • De heuristische functie van algemene regels
    Regels vergemakkelijken de manier waarop de beoordelaar tot zijn oordeel komt. Zij zijn dus van nut voor de beoordelaar zelf, omdat hij niet langer gedwongen is alle bijzondere omstandigheden van het geval af te wegen.
  • De rechtvaardigende functie van algemene regels
    Regels kunnen expliciet worden genoemd in de motivering of verantwoording van een oordeel. Zij hebben dan een rechtvaardigende (of legitimerende) functie.

    - De beoordelaar hoopt zich zo te verzekeren van aanvaarding van zijn oordeel
    - De beoordeelde wordt serieus genomen als redelijk denkend mens.
    De reden kan ook weer worden bekritiseerd: dit dubbele karakter van regels zagen we ook bij de principes van het natuurrecht die zowel als rechtvaardiging en als kritiek kunnen dienen.
  • De coordinerende functie van algemene regels
    Een door redenen onderbouwd oordeel zal bij omstanders de verwachting wekken dat een soortgelijke zaak op eenzelfde manier zal worden beoordeeld. Het vormt een oriëntatiepunt waarop omstanders hun gedrag kunnen afstemmen.
  • De beperkende functie van algemene regels
    Regels beperken de macht van de beoordelaar. Deze is door zijn regels gehouden alle gevallen op soortgelijke wijze te beoordelen, of nader te motiveren bij afwijking daarvan.
  • De vier moeilijkheden van algemene regels (Schauer)
    - Causale verbanden: Het is mogelijk dat de causale verbanden waarop de regel is gebaseerd niet bestaan. Empirische kennis is meestal feilbaar en zelden compleet.
    - Over- en underinclusiveness: Storingen kunnen optreden omdat de categorie niet goed is gekozen. Deze kan te veel of juist te weinig gevallen dekken. Op alle dimensies (plaats, tijd, handeling, normadressaat) loopt men de kans dat de algemene categorie te ruim of te nauw is gekozen.
    - Naleving: Regelopstellers kunnen falen om het beoogde doel te bereiken als zij er niet in slaagt adequaat te handhaven.
    - Onbedoelde gevolgen: Door de onvoorzienbaarheid van gebeurtenissen kunnen er andere onbedoelde gevolgen optreden.
  • J. Raz' definitie van regels
    Een regel is niet een gewone reden om iets te doen, maar een exclusionary reason.
  • Verschil tussen gewone reden en exclusionary reason
    Een gewone reden kan terzijde worden geschoven door een conflicterende reden. Bij een exclusionary reason is dat niet zo eenvoudig. Dat is volgens Raz niet alleen omdat mensen hun gedrag erop afstemmen, maar ook omdat het tweede-orderedenen zijn: redenen om de gewone redenen niet tegen elkaar af te wegen. Het gewone afwegingsproces tussen de pro's and cons mag dan niet worden uitgevoerd.
  • Fuller's 2 belangrijke functies van recht
    - Faciliteren: Volgens Fuller dient het recht als een program for living together, een baken waarop mensen zich kunnen oriënteren.
    - Wederkerigheid: Het recht dient wederkerige verhoudingen te scheppen. De gedachte is dat in een rechtsstaat een overheid gebonden is en beperkt wordt door recht. Dit is niet denkbaar zonder de notie van algemene regels, die kenbaar zijn, opgevolgd kunnen worden, enz.
  • Foucault's dressuur
    Dressuur is het uitvaardigen van regels puur om het doel van de superieur efficienter te bereiken.
    Het opdragen van bevelen, kort en bondig, soms niet eens uitgesproken. Het vage gebied van non-conformiteit is strafbaar. Eerder bevelen of orders, dan 'regels'.
  • Waarom is Foucault's dressuur in strijd met Fuller's functies van het recht?
    - Dit soort regels kunnen niet dienen als redenen op basis waarvan verantwoording en kritiek mogelijk is (program for living together)
    - Er is geen sprake van wederkerigheid.
  • Thijmen Koopmans' constatering
    De wetgever streeft niet meer primair naar codificatie, maar naar modificatie. De wetgever is minder bezig de wet aan te passen aan de veranderde samenleving, maar geeft juist vorm aan die samenleving. De moderne verzorgingsstaat is grotendeels zijn schepping. (1970)
  • Wat houdt de modificatieplicht in?
    Staten (met name EU-lidstaten) hebben de plicht om te sturen en bepaalde doelen te bereiken. Een goed voorbeeld van die modificatieplicht zijn de positieve verplichtingen die worden opgelegd door het EVRM. Daarin worden staten opgeroepen om actief de privé-sfeer of het leven van de burgers te beschermen.
  • Welke moeilijkheden van regelgeving zijn de laatste decennia onderkend?
    - Vooral het gebrek aan kennis over de manier waarop wetten werken in de samenleving werd als problematisch ervaren.
    - Bovendien kwamen er steeds meer klachten over de excessieve hoeveelheid nieuwe wetgeving en de detaillering van regels: om over- en underinclusiveness te vermijden, bestaat de tendens om de categorieën zeer nauw te kiezen.
    - De procedures die moeten worden doorlopen om maatschappelijke doeleinden te bewerkstelligen vergen ook nog eens zoveel tijd dat dat de wetgeving vaak al is achterhaald voordat zij tot stand is gebracht.
  • Wat is de strekking van het rapport Zicht op wetgeving (1991)?
    De overheid moet zicht hebben op haar wetgeving, in het bijzonder op wat die wetgeving wel en niet betekent voor de samenleving. Ook wordt aanbevolen dat regelgeving zo veel mogelijk decentraal ter hand wordt genomen (subsidiariteitsbeginsel).
    Goed zicht:
    - op de werking van haar interventies in de samenleving
    - op de effectiviteit
    - op de consistentie en overtuigingskracht van haar optreden
    - op de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van haar wetten
    is onontbeerlijk om tot een zorgvuldig afgewogen en doeltreffende inzet van wetgeving te komen.
    Eerst en vooral is nodig dat wetgeving beter wordt doorzien en doordacht vanuit het oogpunt van de zinvolheid van het overheidshandelen.
    In dit rapport (en vele soortgelijke) wordt bepleit dat de wetgever zich zowel vooraf op de hoogte stelt van de mogelijke effecten van wetgeving (regulatory impact assessments) als ook achteraf de bestaande wetgeving evalueert.
  • Wat zijn de drie moeilijkheden bij empirisch onderzoek naar de effecten van de wet?
    • Het is uiterst moeilijk om te meten in hoeverre het doel van de wet is bereikt. Vak is wetgeving het resultaat van een compromis tussen verschillende belangen en bedoelingen. Wie bepaalt dan wat 'het' doel is waaraan men de doelmatigheid van wetgeving beoordeelt?
    • Het is moeilijk om de effecten van wetgeving te beoordelen. Andere mogelijke oorzaken zijn meestal niet volledig uit te sluiten en positieve veranderingen zijn niet met zekerheid toe te schrijven aan wetgeving.
    • Het is moeilijk de werking van één wet geïsoleerd te onderzoeken. De gebieden waarop de wetgever werkzaam is, zijn niet netjes van elkaar af te grenzen.
  • Wat is de strekking van het subsidiariteitsbeginsel?
    Het beginsel van subsidiariteit houdt in dat waar mogelijk verantwoordelijkheden bij decentrale overheden en maatschappelijke organisaties moeten worden gelaten of gelegd. De centrale overheid dient zich zoveel mogelijk te beperken tot het scheppen van de noodzakelijke randvoorwaarden, het stellen van minimumeisen, het ondersteunen van maatschappelijke processen door het verzekeren van institutionele en materiele voorwaarden en het waken tegen ongewenste en ontoereikende resultaten.
    Sturing door de overheid kent principiele en praktische grenzen. Sectoren in de samenleving (bijv. onderwijs en zorg) zijn maar beperkt en moeizaam doordringbaar met stuursignalen van buiten. Dat leidt ertoe dat er in toenemende mate naar nieuwe vormen van overheidsregulering wordt gezocht. Vormen waarbij door de overheid wordt getracht de zelfregulerende mechanismen in maatschappelijke sectoren te ondersteunen, te institutionaliseren en zo nodig te beïnvloeden. De wetgever kan soms volstaan met het geven van een kader en het bieden van de mogelijkheid van controle achteraf. Het gaat dan om het vinden van het juiste evenwicht tussen overheidsregulering en zelfregulering: de wettelijke gestructureerde en geconditioneerde zelfregulering.
  • Waarom spelen op Europees niveau reguleringsproblemen een nog grotere rol? Hoe is dit op te lossen?
    • de grotere afstand tussen wetgever en normadressaat;
    • de nationale rechtssystemen
    • normadressaten die zich minder betrokken voelen bij Brusselse regelgeving.
    De oplossing ligt in het subsidiariteitsbeginsel, dat een vast uitgangspunt is geworden van EU-recht (art 5 VvM)
  • Welke onduidelijkheden kleven er aan het subsidiariteitsbeginsel?
    • Wie bepaalt op welk niveau de regelgeving het beste ter hand kan worden genomen?
    • Wat is het criterium aan de hand waarvan men bepaalt welk niveau het meest geëigend is?
    • Staat het doel waartoe wetgeving wordt vastgesteld wel eenduidig vast? En wordt dit doel wel alom gedeeld?
    • Het beginsel kan twee functies hebben: ter bekritisering of juist ter rechtvaardiging van centraal ingrijpen.
  • Wat wordt bedoeld met 'geconditioneerde zelfregulering'?
    Zelfregulering is vooral een plicht. De overheid legt de partijen in het veld de plicht op om tot nadere regelgeving te komen. Die plicht gaat gepaard met rapportageverplichting.
    Met geconditioneerde zelfregulering wordt bedoeld dat de betrokkenen wel zelf regels opstellen, maar alleen binnen de kaders die door de overheid zijn aangewezen.
  • Wat zijn zorgplichten?
    Zorgplichten noemen bepaalde te beschermen belangen, en roepen de normadressaat op zelf maatregelen te nemen ter bevordering van dat belang.
    Net als regels zijn zorgplichten algemeen in de zin dat zij gericht zijn aan een algemene categorie normadressaten. Zij schrijven echter geen concrete handelwijze voor. Zorgplichten moeten wel worden geconcretiseerd, omdat zij vaak geen 'ondergrens' definiëren: zij geven niet aan wanneer het beleid als onvoldoende moet worden aangemerkt. Geconditioneerde zelfregulering is een andere naam voor deze normontwikkeling die door het veld zelf ter hand moet worden genomen.
  • Welke drie kanttekeningen zijn te plaatsen bij zelfregulering?
    • Regeldruk blijft: op decentrale niveaus zal men toch weer regels moeten opstellen om interpretatieverschillen van onderliggende doeleinden te voorkomen.
    • Juridische status niet duidelijk: Van deze decentrale regels is niet altijd duidelijk wat de juridische status is. Zij zijn niet tot stand gekomen onder de voorwaarden die gelden voor de vorming van juridisch geldend en bindend recht en worden niet of nauwelijks vergezeld van secundaire regels.
    • Kaders zijn geen exclusionary reasons: Zorgplichten en kaderrichtlijnen zijn nauwelijks te begrijpen als exclusionary reasons (zoals normale wetten dat wel zijn). Zij zeggen juist dat allerlei overwegingen juist in de beschouwing moeten worden betrokken om het achterliggende doel te bewerkstellingen.
  • Hoe verhoudt de subsidiariteit zich tot de rechtstaat?
    Waar de exclusionary kracht van regels wordt verkleind, zoals bij zorgplichten en kaderrichtlijnen, leidt dit tot grotere flexibiliteit, maar zet het ook de deur weer open voor willekeur.
    In het algemeen kan men stellen dat de eisen van flexibele wetgeving niet altijd goed te verenigen zijn met rechtsstatelijke eisen van algemeenheid en rechtszekerheid. Het kan weliswaar leiden tot rechtvaardiger resultaten, maar doet wel afbreuk aan de rechtszekerheid. In zo'n stijl van wetgeven is de regel hooguit een van de instrumenten om de doelen te bereiken, maar heeft die geen zelfstandige waarde als regel.
  • Hoe verhoudt de subsidiariteit zich tot de democratie?
    Alleen besluitvormingsprocessen die plaats bieden voor een ruime hoeveelheid perspectieven, opvattingen en overwegingen kunnen regels genereren die voldoende exclusionary kracht hebben. De representatieve democratie is bedoeld om zo'n afwegingsproces te faciliteren. Deze staat er als het ware dus garant voor dat een diversiteit van perspectieven aan bod komt waardoor we meer redenen hebben om aan te nemen dat daar alle voors en tegens aan de orde zijn gekomen.
    Het is natuurlijk mogelijk dat de besluitvorming op decentrale niveaus beter aan deze eis voldoet dan de besluitvorming uit Den Haag. Maar ook dan moet men zich wel blijven afvragen of het afwegingsproces dat daar plaatsvindt wel ruimte biedt aan een diversiteit van belangen. En ook moet men zich afvragen of de samenstelling van de lagere regelgevende organen wel zo is dat de uiteenlopende belangen voldoende naar voren kunnen worden gebracht en in de besluitvorming worden betrokken.
  • Welke twee dingen doet een juridisch beslisser ten aanzien van een feit?
    - Hij vertaalt een feitelijke gebeurtenis in een juridische categorie.
    - Hij schaart het bijzondere geval onder het bereik van een algemene regel.
  • Wat wordt bedoeld met 'hermeneutische cirkel'?
    Wederzijdse afhankelijkheid wordt aangeduid met de term hermeneutische cirkel.
    Bijvoorbeeld bij het vertalen van een feitelijke gebeurtenis naar een juridische categorie: de interpretatie van de regel hangt af van de kwalificatie van de feiten, maar de kwalificatie van de feiten hangt weer af van de interpretatie van de regel. Dit treedt ook op bij de vertaling bijzonder->algemeen.
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.