Samenvatting Rechtshandeling en overeenkomst

-
ISBN-10 9013151736 ISBN-13 9789013151732
196 Flashcards en notities
9 Studenten
  • Deze samenvattingen

  • +380.000 andere samenvattingen

  • Een unieke studietool

  • Een oefentool voor deze samenvatting

  • Studiecoaching met filmpjes

Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.

Samenvatting 1:

  • Rechtshandeling en overeenkomst
  • Jacob Hijma C C van Dam Wilhelmus Antonius Marie van Schendel Willem Lodewijk Valk Auke Reitze Bloembergen
  • 9789013151732 of 9013151736
  • 2019

Samenvatting - Rechtshandeling en overeenkomst

  • 1.2 Rechthandeling

  • 1.2 De wet heeft geen definitie van rechtshandeling gegeven. Maar wat houdt het begrip rechtshandeling in en hoe pas je het toe?
    1. Artikel 3.33 geeft aan wat voor een rechtshandeling nodig is: een rechtshandeling vereist een op rechtsgevolge gererichte wil, die zich door een verklaring heeft geopendbaard. Niet elke handeling met juridische gevolg is een rechtshandeling, voor een rechtshandeling is een rechtsgevolg beoogd. Te verstaan onstaan, gewijzigd raken of tenietgaan van een bepaalde juridische relatie.
  • Welke rechtsfeiten zijn er? En noem daar voorbeelden
    Om te weten welke rechtsfeiten er zijn, moeten wij het begrip rechtfeit weten: Gebeurtenissen, omstandigheden, handelingen, tijdsverlopen MET rechtsgevolg- dus: een feit waaraan dus het ontstaan,gewijzigd raken, of tenietgaan van een juridische relatie is verbonden.

    - Blote rechtsfeit ( niet - handeling) : rechtsfeiten met rechtsgevold zijnde geen menselijke handelingen. Zoals geboorte, verjaring en geboorte.  
    - Arbeidsovereenkomst
    - Koop en huur contract
  • Rechtshandelingen kunnen zowel eenzijdig als meerzijdig zijn, definieer de begrippen en benoem een aantal voorbeelden.
    Voor een eenzijdige rechtshandeling behoeft slechts één persoon zijn op rechtsgevolg gerichte te willen openbaren. Daarvoor is geen instemming vereist. --> vernietiging van een koopovereenkomst, opzegging van een huur of arbeidscontract.

    Een niet gerichte eenzijdige rechtshandeling is de totstandkoming hiervan noch de instemming van een ander persoon, noch de ontvangst door een bepaald andere persoon naadzekijk. Testament en of verwerping of aanvaarding van een erfenis.

    meerzijdig overeenkomst --> meer dan 1 persoon noodzakelijk, 6.127 bw
  • 1.3 De obligatoire overeenkomst

  • Wat is een overeenkomst? Hoe is de relatie tussen rechtshandeling en overeenkomst te beschouwen?
    Een obligatoire overeenkomst is een meerzijdige rechtshandeling, waarbij een of meer partijen jegens een of meer andere een verbintenis aangaan (art. 6:213 lid 1 BW. De kwalificatie als een meerzijdige rechtshandeling maakt duidelijk, dat de verhouding tussen de begrippen rechtshandeling en overeenkomst als een genus-specialis-relatie is te beschouwen. Iedere overeenkomst is een rechtshandeling, maar omgekeerd is niet iedere rechtshandeling een overeenkomst.
  • 2.1 Inleiding

  • Waar is de totstandkoming van alle rechtshandelingen geregeld?
    In boek 3 3:33-3:38 BW en aanvullend in boek 6 (totstandkoming van overeenkomsten) 6:217-225 BW
  • Welke bepalingen zijn van toepassing op verbintenisscheppende onvereenkomsten?
    Bepalingen van boek 3 en boek 6 naast elkaar
  • 2.2.2 Verklaring (25-30)

  • Een wilsverklaring kan in ieder vorm geschieden , bijzondere. Vormen dienen altijd in acht te worden genomen.

    wat het gevolg is van het overtreden van wettelijk vormschrift is artikel 3:39 bw
  • Hoofdregel: een wilsverklaring kan in iedere vorm gescheiden, soms moet een bijzondere vorm in acht worden genomen. Art. 3:39 bepaalt dat als een wettelijk vormvoorschrift is overtreden, de wilsverklaring nietig is.
  • Artikel 3:37 lid 1 bw- handgebaren of hoofdkin , kan je ook iets mee verklaren zonder woorden. Men spreekt dan wel van een stilzwijgende wilsverklaring
  • Behalve de wet kan ook een voorafgaande rechtshandeling het in acht nemen van een bepaalde vorm voorschrijven: bijv. in de algemene voorwaarden. Vaak worden dergelijke bedingen in algemene voorwaarden vermoed onredelijk bezwarend te zijn (art. 6:237 sub m). In geval van een geschil zal de gebruiker van de voorwaarden moeten aantonen dat hij een redelijk belang bij de voorgeschreven vorm heeft. Slaagt hij daarin niet, dan kan de consumentwederpartij het beding vernietigen (art. 6:233 sub a).
  • Een tot een persoon gerichte verklaring moet om haar werking te hebben, die persoon hebben bereikt
  • Verklaringen kunnen ook in een of meer gedragingen besloten liggen. Met een handgebaar of een hoofdknik kan men zijn wil evengoed verklaren als met woorden. Men spreekt van ‘stilzwijgende wilsverklaringen’. Ook zuivere passiviteit kan een verklaring inhouden. Steeds hangt het ervan af wat de wederpartij (of geadresseerde) in de gegeven omstandigheden uit het gedrag redelijkerwijs mocht afleiden.
  • Schriftelijke verklaringen , moeten de wederpartij bereiken , door middel van het ontvangen van de verklaring .
    maatstaf is daarbij of de afzender op grond van verklaringen of gedragingen van de geadresseerde mocht aannemen dat deze op het adres kon worden bereikt.
  • De in feite door A afgelegde verklaring geldt soms rechtens als een verklaring van B. Een dergelijke toerekening ligt besloten in het leerstuk van de vertegenwoordiging, maar doet zich ook daarbuiten voor, met name bij rechtspersonen.
  • De tijdstip waarop de verklaring haar werking krijgt en waarop derhalve de rechtshandeling tot stand komt is van belang,  voor de werking
  • Wanneer een communicatiemiddel of bode een verklaring onjuist overbrengt, geldt de verminkte verklaring niettemin als een verklaring van de afzender, art. 3:37 lid 4 BW. Er geldt een uitzondering voor het geval de ontvanger de gevolgde wijze van overbrenging aan de afzender had voorgeschreven (zie het slot van het artikel). Als A’s aanbod voorschrijft dat B per e-mail antwoordt, draagt dus A en niet B het risico van verminking.
  • Risicocorrectie artikel 3:37 lid 3 bw , de omstandigheden dat de verklaring de wederpartij niet heeft bereikt voor de verzender zijn Peking komt. 

    als de wederpartij een adres geeft en d afzender het daartoe stuurt dan , alhoewel de verklaring se wederpartij niet heeft bereikt er wel een juridische binding is ontstaan, omdat de afzender er redelijkerwijs van mocht uitgaan dat hij daar de geadresseerde kon bereiken
  • Art. 3:37 lid 4 heeft alleen betrekking op de vraag of de overgebrachte verklaring als een verklaring van de afzender geldt en doet er niet aan af dat de afzender de overgebrachte verklaring niet wilde in de zin van art. 3:33. Als A’s tot B gerichte aanbod ‘100 eendagskuikens voor 25 euro’ door een door A gekozen bode of communicatiemiddel wordt verminkt tot ‘1000 eendagskuikens voor 25 euro’, geldt de overgebrachte verklaring weliswaar ogv art. 3:37 lid 4 als een verklaring van A, maar zal toch geen aanbod voor 1000 kuikens tot stand komen, omdat B tegenover A’s beroep op art. 3:33 niet zal kunnen aanvoeren dat hij gerechtvaardigd vertrouwde in de zin van art. 3:35 BW.
    Art. 3:37 lid 4 bevat slechts een in het algemeen aannemelijke oplossing voor het ‘technische’ probleem dat een verklaring verminkt is overgebracht. Is die oplossing niet aannemelijk, dan behoort de wilsvertrouwensleer van art. 3:33 en 3:35 de doorslag te geven en niet de hulpregel van art. 3:37 lid 4 BW.
  • In welke artikel staat de wilsverklaring en wat voor vorm heeft de wilsverklaring ?
    Artikel 3.37 een wilsverklaring kan in iedere vorm geschieden, de regel is dat de bijzondere vorm in acht moet worden genomen in een uitzondering. In 3.39 staat de overtreding van een wettelijke voorschrift.
  • Een verklaring die nog niet is ontvangen, kan men intrekken door haar met een sneller communicatie middel overgebrachte verklaring (in te halen).

    het moet de wederpartij eerder bereiken dan of gelijktijdig met de ingetrokken verklaring (artikel 3:37 lid 5)
  • Wat volgt uit art. 3:37 lid 3 BW?
    Een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring moet, om haar werking te hebben, die persoon hebben bereikt. Als de verklaring de wederpartij niet/niet tijdig heeft bereikt, dan heeft de verklaring geen werking. Ook is het moment van bereiken beslissend voor het tijdstip waarop de verklaring haar werking krijgt en waarop derhalve de rechtshandeling tot stand komt.
  • Wat wordt er bedoeld met de risicocrrectie 3:37 lid 3
    Het niet bereiken van verklaring komt voor rekening geadresseerde, dus als de wederpartij de verklaring niet of niet tijdig bereikt, nimmer werking verkrijgt. Dit komt omdat de afzender zijn wil heeft verklaard, maar dat heeft hij niet gedaan ten opzichte van zijn wederpartij.

    Dit geldt niet als de wederpartij een onjuiste adres opgaf, hij kan zich niet op beroepen dat zij niet heeft ontvangen. Hetzelfde geldt indien zij niet zelf vergiste maar haar hulppersonen/echtgenoten etc. Van de wederpartij.
  • Wat is de risicocorrectie van art. 3:37 lid 3 ?
    Een verklaring die de wederpartij niet/niet tijdig bereikte, heeft toch haar werking, indien het niet/niet tijdig bereken het gevolg is 'van zijn eigen handeling, van de handeling van personen voor wie hij aansprakelijk is, of van andere omstandigheden die zijn persoon betreffen en rechtvaardigen dat hij het nadeel draagt'.
  • Waarom blijft er bij schriftelijke verklaringen weinig ruimte over voor de risicocorrectie?
    Door de normatieve uitleg van 'bereiken' en 'ontvangen' uit het arrest Centavos/Stichting Nieuwenhuis
  • Wanneer krijgt de verklaring haar werking en komt derhalve een rechtshandeling tot stand?
    Op het moment dat de verklaring de wederpartij heeft bereikt. Bereiken kan in feitelijke zin zijn, maar ook in juridische zin. Dus wanneer het op een adres is aangekomen waarvan de afzender redelijkerwijs ogv verklaringen/gedragingen van de geadresseerde mocht aannemen dat deze op het adres kon worden bereikt.
  • Wat is het gevolg van het niet/niet tijdig bereiken van de verklaring?
    Dan heeft de verklaring geen werking, tenzij er sprake is van de risicocorrectie art. 3:37 lid 3 BW. Het moment van bereiken is dan het tijdstip waarop de verklaring zonder storende omstandigheid zou zijn ontvangen.
  • Hoe kan een verklaring worden ingetrokken?
    Door een verklaring met inhoudende een intrekking te sturen die de wederpartij eerder of gelijktijdig met de ingetrokken verklaring bereikt (art. 3:37 lid 5)
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Samenvatting 2:

  • Rechtshandeling en overeenkomst
  • Jac Hijma
  • of
  • 1st

Samenvatting - Rechtshandeling en overeenkomst

  • 1.2 De rechtshandeling

  • Begrip rechtshandeling
    Een op rechtsgevolg gerichte wil, die zich door een verklaring heeft geopenbaard.
  • Wat is een rechtsgevolg?
    Het ontstaan, gewijzigd raken of tenietgaan van een bepaalde juridische relatie.
  • Is een onrechtmatige daad een rechtshandeling?
    Nee, een onrechtmatige daad is weliswaar een voor het recht relevante handeling, en roept ook een rechtsgevolg in het leven (verbintenis tot schadevergoeding) maar daarmee is zij nog geen rechtshandeling: het gedrag is op puur feitelijk gevolg gericht, terwijl het recht er een verbintenis aan koppelt.
  • In welk wetsartikel vinden we de onrechtmatige daad?
    Artikel 6: 162.
  • Noem een aantal voorbeelden van rechtshandelingen...
    Het sluiten van een koop- of arbeidsovereenkomst en het opzeggen van een huurcontract.
  • Wat is een rechtsfeit?
    Een feit waaraan rechtsgevolg - dus het ontstaan, gewijzigd raken of tenietgaan van een juridische relatie - is verbonden.
  • Welke handelingen vallen onder de omvangrijke rubriek rechtsfeit?
    De rechtshandelingen, maar ook sommige menselijke handelingen zoals de onrechtmatige daden welke tot rechtsgevolgen leiden. In de 3e plaats zijn er de blote feiten  (niet handelingen) waaraan het recht rechtsgevolgen verbindt, bijv. geboorte of overlijden.
  • Wat is het verschil tussen normale handelingen en rechtshandelingen?
    Het verschil is dat rechtshandelingen een rechtsgevolg beogen te hebben en menselijke handelingen niet.
  • Wat is het verschil tussen rechtshandelingen en rechtsfeiten?
    De wil van de partij(en). Bij een onrechtmatige daad heb je enkel de wil tot de feitelijke gedraging, niet tot het rechtsgevolg, de boete.
  • Wat is een meerzijdige rechtshandeling?
    De meerzijdige rechtshandeling wordt door meer dan één persoon verricht. Meestal is deze soort handeling een overeenkomst (tot stand gekomen door aanbod en aanvaarding art. 6:217).
  • Zijn er ook meerzijdige rechtshandelingen die geen overeenkomsten zijn?
    Ja, deze komen niet tot stand via het model van aanbod en aanvaarding, maar ze bestaan  uit een aantal parallel lopende wilsverklaringen. Men spreekt wel van ‘Gesamtakte’. Dit doet zich bijvoorbeeld voor wanneer een vergadering van aandeelhouders van een vennootschap een meerderheidsbesluit neemt.
  • Wat is een eenzijdige rechtshandeling?
    De eenzijdige rechtshandeling wordt door één persoon verricht. Zij wordt vaak gebruikt om een bestaande contractuele relatie te beëindigen.
  • Wat is vereist voor de geldigheid van deze eenzijdige rechtshandelingen?
    Dat de bewuste handeling tot een bepaalde andere persoon wordt gericht.
  • Voorbeelden van een gerichte eenzijdige rechtshandeling:
    Opzegging van een huurovereenkomst of vernietiging van een koopovereenkomst.
  • Er zijn ook niet gerichte eenzijdige rechtshandelingen, bijvoorbeeld:
    Het maken van een testament en de verwerping of aanvaarding van een erfenis. Voor de totstandkoming is naast geen instemming ook geen ontvangst door een andere persoon vereist.
  • Het onderscheid tussen eenzijdige gerichte en eenzijdige niet-gerichte rechtshandelingen komt in diverse wetsartikelen tot uitdrukking. Noem een voorbeeld:
    Art. 3:32 lid 2 en art. 3:34 lid 2.
  • Onder welk rechtsgebied vallen rechtshandelingen?
    Door de plaatsing van de titel rechtshandelingen in boek 3 BW valt zij onder het vermogensrecht. 
  • Bestaan er meer rechtsgebieden waarin rechtshandelingen worden verricht?
    Ja, bijvoorbeeld het personen- en familierecht, rechtspersonenrecht of procesrecht. Voor deze rechtshandelingen is de schakelbepaling van art. 3:59 opgenomen. Dit artikel stelt dat de regels van de rechtshandelingentitel buiten het vermogensrecht van overeenkomstige toepassing zijn, voor zover de aard van de rechtshandeling of van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet.
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Samenvatting 3:

  • Rechtshandeling en overeenkomst
  • Jac Hijma
  • 9789013112696 of 9013112692

Samenvatting - Rechtshandeling en overeenkomst

  • 1 Algemene inleiding

  • Wat is vereist voor het ontstaan van een rechtshandeling?

    Een op een rechtsgevolg gerichte wil die zich door een verklaring heeft geopenbaard. (Wil en verklaring art. 3.33 BW)

  • De wet geeft geen begripsomschrijving van 'rechtshandeling', al zijn er wel aanwijzingen voor te vinden (bijv. in art. 3:33 BW).
  • Wat is het verschil tussen een meerzijdige en een eenzijdige "gerichte" rechtshandeling?

    Voor een meerzijdige rechtshandeling zijn meerdere partijen nodig vb overeenkomst. Voor een eenzijdige rechtshandeling is één partij nodig vb opzeggen huurovereenkomst. De ander hoeft niet in te stemmen bij een eenzijdige rechtshandeling maar fungeert als de ontvanger.

  • De rechtshandeling onderscheidt zich van andere handelingen doordat zij op het intreden van een rechtsgevolg is gericht (het ontstaan, gewijzigd raken of tenietgaan van een juridische relatie).
  • Wat is een eenzijdige niet-gerichte rechtshandeling?

    Een rechtshandeling met één partij, waarbij noch de instemming of ontvangst door een ander persoon noodzakelijk is. vb testament.

  • Ook al is een onrechtmatige daad een voor het recht relevante handeling, het is geen rechtshandeling omdat het intredende rechtsgevolg niet is beoogd.
  • Wat zijn de voorwaarde voor een overeenkomst?

    Een meerzijdige rechtshandeling, een of meer partijen jegens een of meer partijen een verbintenis aangaan.

  • Wat wordt bedoeld met het autonomie- of zelfbeschikkingsprincipe?
    De bevoegdheid van elk individu om de eigen rechtspositie te bepalen. Dit is het 'moederbeginsel' van de contractsvrijheid.
  • Wat zijn de drie grondbeginselen van de obligatoire overeenkomst?

    Contractsvrijheid, vormvrijheid en verbindende kracht van de overeenkomst.

  • Meerzijdige rechtshandeling:
    Een op rechtsgevolg gerichte handeling die door meer dan 1 persoon wordt verricht. (Bijv. overeenkomst na aanbod en aanvaarding.)
  • Wat houdt contractsvrijheid in?

    Het staat partijen vrij een overeenkomst te sluiten met wie zij wensen, met de inhoud die zij wensen en op het moment dat zij dat wensen.

  • Eenzijdige rechtshandeling: wordt door slechts 1 persoon tot stand gebracht.

    Vaak is hier voor de geldigheid vereist, dat de handeling tot een bepaalde andere persoon wordt gericht die als ontvanger fungeert maar zelf geen handeling inbrengt. (Bijv. opzegging huur-/arbeidscontract.) -> eenzijdig gerichte rechtshandeling.

    Als voor de totstandkoming geen instemming of ontvangst van andere bepaalde persoon vereist is -> eenzijdig niet-gerichte rechtshandeling.
  • Een meerpartijenovereenkomst is een overeenkomst tussen meer dan 2 partijen, dit wordt geregeld in art. 6:213 BW.
  • Wat zijn de grondbeginselen van het contractenrecht (de obligatoire overeenkomst)?
    1. Contractsvrijheid;
    2. Vormvrijheid (consensualisme);
    3. Verbindende kracht van de overeenkomst (pacta sunt servanda).

    Tezamen zorgen deze principes ervoor dat iedere overeenkomst, hoe ook gesloten, rechtens als verbindend zal worden aangemerkt.
  • Contractsvrijheid is niet uitdrukkelijk in de wet vastgelegd. Op dit beginsel zijn tevens uitzonderingen: de grens ligt daar waar de contractsvrijheid in conflict komt met een belang van hogere orde (art. 3:40 BW). 
  • 1.2 De rechtshandeling

  • Waar wordt de rechtshandeling geregeld in het wetboek?
    Titel 3.2 (artikel 3:33 ev)
  • Waarom is in het BW geen omschrijving opgenomen van het begrip "rechtshandeling"?
    Omdat in de juridische literatuur geen eenstemmigheid bestaat, en dat het in een dergelijke situatie voor een wetgever, die 'slechts' tot taak heeft een in de praktijk werkbaar regelstelsel te verschaffen, niet verstandig is om zich - in casu door het opstellen van een definitie - op een bepaalde theorie vast te leggen.
  • 1.2.1 3. Begrip rechtshandeling

  • Wat is een rechtshandeling?
    Een op rechtsgevolg gerichte handeling
  • Het rechtsbegrip 'overeenkomst' is speciales van het rechtsbegrip 'rechtshandeling'. Zie art. 3:33 BW,  art.6.261 BW en art. 6:213 BW. 
  • Wat bepaalt art. 3:33 BW over wat voor een rechtshandeling nodig is?
    Een rechtshandeling vereist een op rechtsgevolg gerichte wil, die zich door een verklaring heeft geopenbaard. 
  • Wat wordt verstaan onder rechtsgevolg?
    Het ontstaan, gewijzigd raken of tenietgaan van een bepaalde juridische relatie.
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Samenvatting 4:

  • Rechtshandeling en overeenkomst
  • Jac Hijma
  • 9789013071368 of 9013071368
  • 6e [geactualiseerde] dr.

Samenvatting - Rechtshandeling en overeenkomst

  • 1 Hoofdstuk 1 Algemene inleiding

  • wat is de belangrijkste bron van verbintenissen?
    de overeenkomst.
  • Een overeenkomst is een ....... handeling?
    Een meerzijdige handeling.
  • wat is een formele overeenkomst?
    dat is een overeenkomst waar de wet een vormvereiste aan stelt. 
  • bevat het BW een definitie van het begrip rh?
    NEEN, de wet geeft wel vereisten voor een rh in artikel 3:33 BW (soort van werkdefinitie).
    • Een overeenkomst schept verbintenissen ex. artikel 6:213.


    Twee gezichten van de overeenkomst:
    • Een overeenkomst wordt ook wel eens een contract genoemd en verbintenissen contractenrecht.
    • Het ontstaan van een overeenkomst is het ontstaan van een rechtsverhouding.


    Overeenkomst is een species van de genus rechtshandeling.
  • pak artikel 3:33 BW erbij en geef aan wat dit artikel weergeeft?
    dit artikel geeft aan dat voor de tsk van een rh een op een rechtsgevolg gerichte wil die zich door een verklaring heeft geopenbaard vereist is.
  • wat geldt als uitgangspunt ten aanzien van verklaringen?
    dat deze in beginsel elke vorm kunnen hebben en in een of meer gedragingen besloten kunnen liggen (artikel 3:37 BW).
  • wat is een consensuele overeenkomst?
    een consensuele overeenkomst is een vormvrije overeenkomst (consensualisme - grondbeginsel van het contractenrecht).
  • hoe noemen we een verklaring die in een of meer gedraging(en) besloten liggen?
    een stilzwijgende verklaring.
  • bevat het Burgerlijk Wetboek een definitie van het begrip rechtshandeling?
    NEE, de wet geeft wel vereisten voor een rechtshandeling in artikel 3:33 BW (soort van werkdefinitie).
  • waar in de wet vinden we de definitie van ovk?
    in artikel 6:213 BW ; een ovk is een meerzijdige rh en vormt daardoor een species van het begrip rh.
  • welke titel uit het wetboek is voor alle rechtshandelingen geschreven?
    voor zowel de meerzijdige als de eenzijdige rechtshandelingen is titel 3.2 (art. 3:32-59 BW) geschreven.
  • in welke twee vormen zijn rh onder te verdelen?
    in eenzijdige en meerzijdige rh.
  • wat is een eenzijdige rh?
    bij deze soort rh treedt het rechtsgevolg in door de wilsverklaring van een persoon.
  • wat is een meerzijdige rh?
    dan is voor het intreden van het rechtsgevolg de wilsverklaring van twee of meer personen nodig. Een rh - dus een op rechtsgevolg gerichte handeling - die door meer dan een persoon wordt verricht.
  • welke titels uit het Wetboek zijn voor alle obligatoire overeenkomsten van toepassing?
    titels 3.2 en 6.5.
  • waarin kunnen we eenzijdige rh onderverdelen?
    ongerichte en gerichte (ongerichte = het maken van een testament; ongerichte = het doen van een aanbod, opzegging).
  • wat vereisen gerichte eenzijdige rh in tegenstelling tot de ongerichte eenzijdige rh?
    een geadresseerde om rechtsgevolg te hebben terwijl bij de ongerichte eenzijdige rh enkel de wilsverklaring van een persoon voldoende is.
  • in welke artikelen verbindt de wet consequenties aan het onderscheid tussen gerichte en ongerichte rh?
    in artikel 3:32 2e lid BW en 3:34 tweede lid BW. 
  • noem eens voorbeelden van meerzijdige rh?
    het aangaan van een huwelijk, het sluiten van een ovk.
  • waarin kunnen meerzijdige rh onderverdeeld worden?
    in ovk en andere rh (voorbeelden hiervan zijn het besluiten van een vergadering of een AVA).
  • wat is een obligatoire ovk?
    de verbintenisscheppende ovk - denk aan koop, huur en arbeidsovk. 
  • welke titels uit het Wetboek zijn voor alle obligatoire ovk van toepassing?
    titels 3.2 en 6.5.
  • waar zijn rh geregeld in het wetboek?
    als onderdeel van het vermogensrecht in het algemeen in Boek 3.
  • waar in het wetboek is de obligatoire ovk geregeld?
    in Boek 6 (titel 6.5 artt. 6:213-279). 
  • waarin wordt de obligatoire ovk weer onderverdeeld?
    in wederkerige ovk (koopovk) en niet wederkerige ovk (schenking). 
  • waar moet goed op worden gelet bij schakelbepalingen?
    op de voorbehouden die daarin soms worden gemaakt.
  • noem de sleutelwoorden voor de tsk van ovk?
    wil en vertrouwen, aanbod en aanvaarding.
  • welk aspect onderscheid de rh van een gewone handeling?
    het aspect dat zij op het intreden van rechtsgevolg moet zijn gericht.
  • waarom is een OD geen rh?
    een OD is weliswaar een voor het recht relevante handeling en roept ook een rechtsgevolg in het leven (een verbintenis tot schadevergoeding) maar daarmee is zij nog geen rh. het gedrag is hier op puur feitelijk gevolg gericht terwijl het recht er eigener beweging een verbintenis aan koppelt.
  • wat houdt de menselijke autonomie in?
    de bevoegdheid om de eigen rechtspositie te bepalen (het moederbeginsel van het contractenrecht).
  • hoe kan een rechtsfeit worden omschreven?
    als een feit waaraan rechtsgevolg - dus het ontstaan, gewijzigd raken of tenietgaan van een juridische relatie - is verbonden. 
  • is een OD als rechtsfeit te definieren en waarom wel / niet?
    JA, omdat een OD leidt tot een rechtsgevolg.
  • wat zijn 'blote feiten'?
    niet handelingen waaraan het recht rechtsgevolg verbindt en die daarmee de status van rechtsfeit hebben (geboorte/overlijden).
  • waarom zijn er aan de kwalificatie van een rechtsfeit geen rechtsgevolgen verbonden?
    omdat de gedachtegang immers andersom verloopt: een feit wordt een rechtsfeit genoemd omdat - en dus nadat - geconstateerd is dat aan dat feit een of meer rechtsgevolgen verbonden zijn.
  • hoe komt een ovk tot stand?
    een ovk wordt tot stand gebracht doordat de ene persoon een aanbod doet dat vervolgens door de andere persoon wordt aanvaard (6:217 BW). 
  • is instemming van de andere persoon bij een eenzijdige rh vereist?
    NEEN; die andere persoon brengt de rh niet zelf mede tot stand (zijn instemming is niet nodig) maar hij fungeert als ontvanger van de verklaring, als geadresseerde. 
  • noem eens voorbeelden van eenzijdige niet gerichte rh?
    het maken van een testament en de verwerping of aanvaarding van een erfenis. Hiervan is noch de instemming van een andere persoon, noch de ontvangst door een bepaalde persoon noodzakelijk. 
  • welke titel uit het wetboek is voor alle rh geschreven?
    voor zowel de meerzijdige als de eenzijdige rh is titel 3.2 (artt. 3:32-59 BW) geschreven.
  • welke titel is naast titel 3.2 mede van toepassing op de rh die een ovk is?
    dan is voor haar naast titel 3.2 ook het overeenkomstenrecht van belang, neergelegd in titel 6.5. 
  • welke ruimte kan men de schakelbepaling van artikel 3:59 BW geven?
    de wetgever heeft men name gedacht aan analoge toepassing in het personen,- en familierecht, tav procesrechtelijke rh wordt op voorzichtigheid aangedrongen. Het werkterrein van het artikel mag wel ruim worden genomen en men heeft er wel op gewezen dat de bepaling zelfs niet tot het privaatrecht is beperkt: onder omstandigheden zal een bepaling van titel 3.2 analoog kunnen worden toegepast op (r) handelingen van publiekrechtelijke aard, zoals op een tussen overheidslichamen gesloten ovk als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke belangen. 
  • is iedere ovk een rh?
    JA.
  • is iedere rh een ovk?
    NEEN.
  • is een liberatoire ovk onder de in artikel 6:213 BW neergelegde definitie te scharen?
    NEEN. 
  • welke titels dienen ook te worden geraadpleegd wanneer het een in de wet met name genoemde ovk betreft?
    Boek 7 (of 7a) BW. 
  • wat is een onbenoemde ovk?
    een ovk die niet uitdrukkelijk in de wet is geregeld. Deze wordt enkel beheerst door de algemene regels van de titels 3.2 en 6.5.
  • wat zijn gemengde ovk?
    ovk die de typische kenmerken vertonen van twee of meer benoemde ovk.
  • noem eens een voorbeeld van een gemengde ovk?
    een pensionovk - deze bevat zowel huur (van woonruimte) als koop (van voedsel). 
  • welke rechtsregels moeten nu worden toegepast wanneer de wetsbepalingen van de tot de gemengde ovk behorende contracten tot verschillende resultaten leiden?
    in dit geval heeft de wetgever gekozen voor de cumulatieleer - 6:215 BW: in beginsel moeten rechtsregels van benoemde contracten naast elkaar worden toegepast. (zie uitzonderingen in het wetsartikel. 
  • wat is een hoofdovk?
    een ovk die zelfstandig een reden van bestaan heeft, zoals bijv. alle benoemde ovk.
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Laatst toegevoegde flashcards

Waardoor vervalt het aanbod nog meer?
Het aanbod vervalt doordat het wordt verworpen (art. 6:221 lid 2). De verklaring van hem die het aanbod heeft verworpen, dat hij het alsnog wil aanvaarden, geldt dus als een nieuw aanbod. Deze hoofdregel geldt niet altijd onverkort, in arbeidsverhoudingen kan na een verwerpen van het aanbod soms het aanbod alsnog worden aanvaard. In het tegenaanbod ligt verwerping van het oorspronkelijke aanbod besloten.
Wat is een optie(beding)?
In art. 6:219 lid 3 wordt het beding waarbij een der partijen zich verbindt om, indien de wederpartij dat wenst, met haar een bepaalde overeenkomst te sluiten (‘optie’, ‘optiebeding’), uitgelegd als een onherroepelijk aanbod. Het optiebeding zelf is als het ware een onherroepelijk aanbod.
Wanneer is een aanbod onherroepelijk?
Een aanbod is onherroepelijk indien het een termijn voor de aanvaarding inhoudt of de onherroepelijkheid ervan op andere wijze uit het aanbod volgt. De inhoud van het aanbod -aan de hand van de wilsvertrouwensleer vast te stellen- is dus bepalend voor de herroepelijkheid. Behalve uit de omstandigheid dat een termijn voor de aanvaarding is bepaald, kan de onherroepelijkheid van het aanbod bijvoorbeeld volgen uit de omstandigheid dat vooraf duidelijk is dat de wederpartij enige tijd nodig zal hebben voor het maken van berekeningen, eer van haar een beslissing kan worden verwacht. In een dergelijk geval zal de wederpartij er veelal op mogen vertrouwen dat het aanbod niet zal worden herroepen gedurende de periode die zij redelijkerwijs voor het maken van de noodzakelijke berekeningen nodig heeft. 
Indien uit de inhoud van het aanbod niet volgt dat het onherroepelijk is, is het aanbod herroepelijk, maar niet meer nadat een verklaring houdende aanvaarding is verzonden (6:219 lid 2 eerste zin). Vanaf het moment dat de aanvaarding ‘op de bus zit’, behoeft de wederpartij van de aanbieder met de mogelijkheid van herroeping dus geen rekening meer te houden. Het moment van verzending van de aanvaarding is slechts bepalend voor de herroepelijkheid van het aanbod; de overeenkomst komt eerst tot stand op het moment dat de aanbieder de tot hem gerichte aanvaarding ontvangt (3:37 lid 3). Het belang van het tijdstip van totstandkoming blijkt met name in het geval van faillissement van de aanbieder: een na de faillietverklaring tot stand gekomen overeenkomst bindt de boedel niet. 
Wat wordt geregeld in art. 6:219?
Een aanbod kan niet meer worden herroepen wanneer het intussen is aanvaard. Door de aanvaarding is een overeenkomst tot stand gekomen, waaraan de aanbieder zich niet eenzijdig kan onttrekken (behalve in het geval van een vrijblijvend aanbod). Naar Nederlands recht kan degene die een aanbod doet echter ook voordat het is aanvaard, aan zijn aanbod gebonden zijn, in die zin dat hij het niet kan herroepen. Onze wetgever heeft in art. 6:219 een evenwicht proberen te bereiken tussen de belangen van de aanbieder en de wederpartij. In de gevallen waarin het belang van de wederpartij, om in haar verwachtingen niet te worden teleurgesteld, het meest spreekt, is het aanbod onherroepelijk. Een eventueel door de aanbieder uitgebrachte verklaring houdende herroeping, sorteert in die gevallen geen enkel effect: de aanbieder wordt aan zijn aanbod gehouden; dat hij ten tijde van de aanvaarding geen overeenkomst meer wil, doet niet ter zake. In de overige gevallen prevaleert het belang van de aanbieder en doet herroeping het aanbod vervallen. 
Hoe wordt de inhoud van het aanbod bepaald?
Welke de inhoud van het aanbod is, dient - evenzeer als bij de vraag óf er sprake is van een aanbod- te worden bepaald aan de hand van de wilsvertrouwensleer. De bewoordingen van het aanbod zijn derhalve niet doorslaggevend. Zo wordt algemeen aangenomen dat een openbaar aanbod van zaken geschiedt onder de voorwaarde ‘zolang de voorraad strekt’, óók als het aanbod die voorwaarde niet met zoveel woorden noemt: de wederpartij mag er in het algemeen niet op vertrouwen dat de aanbieder ook dan nog tot verkoop bereid is, wanneer zijn voorraad intussen is uitgeput. 
Wat is een openbaar aanbod?
Het aanbod kan, behalve tot een of meer personen, ook gericht zijn tot het publiek: advertenties, reclameborden, geprijsde artikelen in een warenhuis, automaten, enz. Men spreekt in dergelijke gevallen van een ‘openbaar aanbod’. Het openbare aanbod is in beginsel aan dezelfde regels onderworpen als het niet-openbare. De omstandigheid dat de persoon van de wederpartij bij een openbaar aanbod niet nader bepaald is, kan echter gevolgen hebben voor de afgrenzing van het bindende aanbod tegenover de uitnodiging om in onderhandeling te treden en voor de uitleg van de inhoud van een gedaan aanbod.
Wat is een aanbod?
Niet ieder initiatief dat op het sluiten van een overeenkomst is gericht, is een aanbod. Van een aanbod is eerst sprake wanneer een voorstel tot het sluiten van een overeenkomst wordt gedaan, dat alle essentiële elementen van die overeenkomst bevat, en op grond waarvan de wederpartij met een enkel ‘ja’ - de aanvaarding- de overeenkomst tot stand kan doen komen. Van een koopovk zijn soort en hoeveelheid steeds essentiële elementen, zonder welke de ovk niet kan bestaan, omdat de vereiste bepaalbaarheid ontbreekt (art. 6:227). Het aanbod is een eenzijdige gerichte rechtshandeling. Als A aan C meedeelt tot het sluiten van een bepaalde overeenkomst met B bereid te zijn, is geen sprake van een aanbod, ook niet wanneer B vervolgens door C wordt ingelicht. Als B verklaart van A’s bereidheid graag gebruik te maken, mag A zich dus nog bedenken. Dat is slechts anders in het geval C door A als boodschapper wordt gebruikt. In dat geval richtte A’s verklaring zich wel degelijk tot B; A schakelde C in om zijn verklaring aan B over te brengen.
Wat als een verklaring houdende aanbod niet overeenstemt met de wil?
Indien een verklaring houdende aanbod niet overeenstemt met de wil van degene die zich verklaard heeft, is de maatstaf van art. 3:35 beslissend voor de vraag of het aanbod tot stand komt (het vraagstuk van verklaring, wil en vertrouwen is eigen aan alle rechtshandelingen). Als het aanbod niet tot stand komt -bijvoorbeeld omdat geen sprake is van gerechtvaardigd vertrouwen- volgt uit art. 6:217 dat dan ook geen overeenkomst tot stand komt (aanbod en aanvaarding sluiten niet op elkaar aan) en uit art. 6:225 dat de ‘aanvaarding’ als een nieuw aanbod geldt.
Waarover gaan art. 6:217-225?
Voor het tot stand komen van een overeenkomst zijn ten minste twee wilsverklaringen nodig, die op elkaar aansluiten: aanbod en aanvaarding. Daarover gaan art. 6:217-225. De bepalingen over aanbod en aanvaarding van art. 6:217-225 vullen die over rechtshandelingen in het algemeen van titel 3.2 slechts aan. Het aanbod, de aanvaarding en de tot stand gekomen overeenkomst zijn daarnaast elk afzonderlijk onderworpen aan de bepalingen van titel 3.2.
Wat is een schijnhandeling en waarop kan een derde zich bij een schijnhandeling beroepen?
Schijnhandeling: handelingen om derden -bijvoorbeeld de fiscus- om de tuin te leiden, een of meer personen doen alsof een rechtshandeling met een bepaalde inhoud tot stand is gekomen, terwijl in werkelijkheid een andere of geen rechtshandeling is verricht. De gesimuleerde rechtshandeling heeft tussen hen die er ‘partij’ bij zijn, geen enkel gevolg: van een op rechtsgevolg gerichte wil in de zin van art. 3:33 is geen sprake, terwijl geen van ‘partijen’ zich op art. 3:35 zal kunnen beroepen. Derden die door de uiterlijke schijn op het verkeerde been worden gezet, kunnen zich echter op art. 3:36 beroepen (uiteraard mits aan de eisen van dat artikel is voldaan).