Samenvatting Samengevat vwo biologie

ISBN-10 900607876X ISBN-13 9789006078763
316 Flashcards en notities
5 Studenten
  • Deze samenvatting

  • +380.000 andere samenvattingen

  • Een unieke studietool

  • Een oefentool voor deze samenvatting

  • Studiecoaching met filmpjes

Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.

Dit is de samenvatting van het boek "Samengevat vwo biologie". De auteur(s) van het boek is/zijn . Het ISBN van dit boek is 9789006078763 of 900607876X. Deze samenvatting is geschreven door studenten die effectief studeren met de studietool van Study Smart With Chris.

Samenvatting - Samengevat vwo biologie

  • 1 Cellen, organen en orgaanstelsels

  • Wat is een cel?
    Zelfstandig functionerende organisatie-eenheid waaruit een organisme bestaat
  • Waar bestaat een cel uit?
    • Kern
      • Prokaryoten
    • Celplasma
      • Organellen
      • Grondplasma
        • bestaat uit: water 70%
        • (opgeloste) stoffen
  • Leg uit wat organellen in eukaryote cellen zijn
    Celdelen met bepaalde functies, door membranen begrensd (uitgezonderd ribosomen)
  • Wat hebben prokaryote cellen niet?
    • Kern
    • Mitochondriën
        • Golgisysteem
  • Wat zit er in eukaryote cellen?
    • Kern
      • Chromosomen
    • Centriolen
    • Celmembraan
    • Mitochondriën
    • (glad) endoplasmatisch reticulum (e.r.)
    • Ribosomen
    • Golgisysteem
    • Lysosomen
  • Waar bestaat een kern uit, wat bevat het en wat is daar de functie van?
    Bestaand uit kernplasma omgeven door een dubbelmembraan, de kernmembraan met kernporiën. Het bevat chromosomen, waarin erfelijke informatie in DNA is opgeslagen. De functie hiervan is de regeling van celprocessen, o.a. Transcriptie voor eiwitsynthese.
  • Hoe herken je centriolen en wat is daar de functie van?
    Ze zijn cilindervormig, twee per cel die loodrecht op elkaar liggen en bij celdeling naar de de celpolen gaan. De functie ervan is de verdeling van de chromosomen bij de celdeling; motoreiwitten zorgen voor de verplaatsing van de chromosomen naar de polen
  • Wat is een celmembraan en wat is hier de functie van?
    Deel van het membranenstelsel van de cel dat de cel aan de buitenzijde begrenst. De functie ervan is dat het een barrière vormt tussen binnen en buiten de cel. Het regelt de opname en afgifte va stoffen door een cel, vangt signalen op via receptormoleculen.
  • Wat zijn mitochondriën en wat is hun functie?
    Boonvormige organellen met eigen mitochondriaal DNA, omgeven door een dubbel membraan waarvan het binnenste sterk is geplooid. De functie is ATP-productie d.m.v. Aërobe dissimilatie.
  • Wat is het (gladde) endoplasmatisch reticulum (e.r.) en wat is hun functie?
    Holten- en kanalensysteem gevormd door bijna tegen elkaar liggende membranen; als er ribosomen op liggen, heet het ruw endoplasmatisch reticulum (bacteriën hebben geen .e.r.). Hun functie is het transporteren van stoffen binnen de cel.
  • Wat is motoreiwit?
    Eiwit dat zich met energie uit ATP langs een filament van het cytoskelet beweegt om o.a. Organellen te verplaatsen
  • Noem 5 dierlijke cellen en hoe ziet het eruit?
    1. Zenuwcel (als een klein boompje)
    2. Spiercel (als een vlieger met drie vormen in het midden
    3. Zaadcel (zwemmend visje)
    4. Beencel (grote tent van bovenaf met een rondje bovenaan)
    5. Kraakbeencellen (boonvormig met stippen)
  • Noem vier dierlijke weefseltypen
    1. Beenweefsel
    2. Zenuwweefsel
    3. Bindweefsel
    4. Kraakbeen
  • Wat zijn ribosomen en wat is hun functie?
    Het zijn bolvormige complexen van eiwitten en RNA-ketens op het ruw endoplasmatisch reticulum en vrij in het cytoplasma. De functie is eiwitsynthese door translatie, DNA in de celkern bevat hiervoor de code.
  • Wat is het Golgisysteem en wat is de functie ervan?
    Stapels schijfvormige compartimenten die blaasjes afsnoeren en opnemen. De functie is opslag en vorming van stoffen, o.a. Voor transport naar buiten de cel.
  • Wat zijn lysosomen en wat is hun functie?
    Kleine blaasjes met enzymen, gevormd door het Golgisysteem. Hun functie is vertering bij fagocytose, en van afgestorven celonderdelen.
  • Hoe houdt de cel zich in stand?
    Door het uitvoeren van chemische reacties, veelal een cascade (versterkende) reeks van reacties: de omzetting van één molecuul leidt tot de omzetting van duizenden moleculen, die elk weer een volgende reactie tot gevolg hebben.
  • Wat is homeostase?
    Het constant houden van de omstandigheden in een cel wordt door terugkoppeling gerealiseerd, bv. Door actief transport wordt de ionensamenstelling binnen een cel constant gehouden.
  • Waar hangt homeostase mee samen?
    Dynamisch evenwicht. Het wordt in stand gehouden in een complex netwerk van celprocessen met uiteenlopende lichaamsfuncties, bv.: handhaven constante lichaamstemperatuur, constante suikerspiegel bloed, bloedstolling en het voorkomen daarvan.
  • Wat doet een cytoskelet?
    Een cytoskelet van eiwitfilamenten geeft vorm aan de cel; deze filamenten worden ook als geleiding gebruikt waarlangs stoffen door motoreiwitten worden getransporteerd.
  • Wat zijn mogelijke reacties wanneer één molecuul leidt tot de omzetting van duizenden moleculen?
    • Homeostase
      • Dynamisch evenwicht
    • Cytoskelet
    • Eventueel voortbewegen door één of meer flagellen (bij zaadcel één), door ciliën (pantoffeldiertje) of amoeboïde bewegingen (amoebe, fagocyt); m.b.v. Motoreiwitten
  • Wat is een celmembraan en waar is het uit opgebouwd?
    De begrenzing van de cel.
    Het is opgebouwd uit:
    • Vetachtige stoffen; twee lagen vetachtige moleculen met fosfaatgroepen (fosfolipiden)
    • Eiwitten; transportenzymen en poriën in vetachtige molecuullagen; receptor- en identificatiemoleculen buiten op de celmembraan  
  • Wat zijn de functies van een celmembraan?
    • Bescherming en handhaving homeostase intern milieu van de cel
    • Regeling via receptoren voor hormonen en andere signaalstoffen
    • Selectiefpermeabel, dus doorlatend voor water maar minder permeabel voor de opgeloste stoffen, daardoor verschilt de samenstelling van de celinhoud permanent met die van de celomgeving
    • Transport; actief en passief
      • Door ionenpompen ontstaan osmotische verschillen. Deze zijn bij dierlijke cellen klein en bij plantencellen groter waardoor (mede dankzij een rekbare celwand) turgor ontstaat
  • Wat valt er onder passief transport (geen energieverbruik)?
    • Diffusie: kleine moleculen en ionen gaan ongehinderd door het celmembraan, bv zuurstof, koolstofdioxide en water
    • Osmose
  • Wanneer ontstaat er osmose?
    Als de opgeloste stoffen niet door het membraan kunnen en de concentratie aan beide zijden verschillend is; water gaat dan ongehinderd door het cel- en vacuolemembraan, en wel naar de oplossing met de hoogste osmotische waarde (hoogste concentratie opgeloste stoffen). De osmotische druk die een oplossing kan uitoefenen is evenredig met zijn osmotische waarde. Het niveauverschil ontstaat door het verschil in osmotische druk uitgeoefend door beide oplossingen.
  • Wat gebeurd er bij diffusie? Is het permeabel (=doorlaatbaar)?
    De opgeloste stof en oplosmiddel gaan ongehinderd van A naar B en omgekeerd; het membraan is permeabel voor beiden.
  • Wat gebeurd er bij osmose? Is het permeabel (=doorlaatbaar)?
    Bij osmose gaat alleen het oplosmiddel door het semipermeabel (=half doorlaatbaar) membraan van A naar B; de opgeloste deeltjes kunnen niet door de poriën van een membraan.
  • Wat is een fysiologische zoutoplossing en waarom wordt het zo genoemd?
    0,9 % NaCI oplossing (9 gram NaCI in 991 gram water) heeft een osmotische waarde gelijk aan die van bloedplasma en wordt daarom een fysiologische zoutoplossing genoemd.
  • Wat is osmose?
    Verplaatsing van water door een selectief permeabel membraan van een plaats met een lagere concentratie opgeloste stof naar een plaats met een hogere concentratie opgeloste stof
  • Hoe wordt de osmotische waarde van een oplossing bepaald?
    Osmotische waarde van een oplossing, osmotisch potentiaal, wordt bepaald door de concentratie opgeloste stof
  • Waardoor heeft osmotische druk concentratieverschil?
    • Hypertonische celinhoud, dus met een hogere concentratie opgeloste stoffen; die wordt gehandhaafd door actief transport door enzymen in de celmembraan en vacuolemembraan
    • Hypotonische oplossing, (in de poriën van de celwand) die de cel omgeeft, dus met een lagere concentratie opgelost stof
  • Welke soorten transport bestaan er?
    • Actief
    • Passief
      • Diffusie
      • Osmose
    • Exocytose
    • Endocytose
    • Ionenpomp
    • Cytoskelet
  • Wat is actief transport?
    Met verbruik van energie, door transportenzymen (permeasen) die moleculen en ionen door celmembranen verplaatsen
  • Wat is passief transport?
    Waarbij geen energie wordt verbruikt
    • Diffusie; verplaatsing van een stof door eigen beweging van de deeltjes, van een plaats met hogere concentratie naar een plaats met lagere concentratie
    • Osmose; verplaatsing van water door een selectief permeabel membraan 
  • Wat is exocytose transport?
    Het afgeven van stoffen door een cel via het samensmelten van blaasjes, gevormd door het Golgi-systeem, met de celmembraan
  • Wat is endocytose transport?
    De opname van deeltjes doordat de celmembraan zich insnoert om deze deeltjes en daarbij blaasjes vormt.
    Fagocytose is endocytose van vaste deeltjes.
  • Wat is ionenpomp transport?
    Een aantal stoffen passeert als geladen deeltje (ion) membranen van cellen; bv. Na+, H+
  • Wat is cytoskelet transport?
    Het bestaat uit eiwitfilamenten waarlangs motoreiwitten organellen transporteren met energie uit de omzetting van ATP
  • Wat is waterpotentiaal?
    Het geeft de energietoestand aan van water onder bepaalde omstandigheden en hieruit kan de richting van waterverplaatsing bepaald worden; water met een hogere waterpotentiaal wordt verplaatst naar een plek met een lagere waterpotentiaal.
  • Welke krachten spelen een rol bij waterpotentiaal?
    • Druk, waaronder turgor en luchtdruk
    • Osmotische druk, met toename van opgeloste stof neemt de waterpotentiaal af
    • Adhesie- en cohesiekrachten
    • Luchtvochtigheid
    • Zwaartekracht
  • Waar heeft waterpotentiaal invloed op?
    • Watertransport in planten
    • Vorming weefselvloeistof en werking van de nieren bij dieren
  • Wat is hemolyse?
    Het vrijkomen van hemoglobine uit rode bloedcellen nadat deze gebarsten zijn. Dit vindt plaats in een oplossing met zeer lage osmotische waarde: de omgevende vloeistof wordt dan rood.
  • Wat zijn de kenmerken van plantaardige organellen?
    • Grote vacuole (=ruimte in een plantencel omgeven door een membraan; niet aanwezig in nog delende cellen zoals cambium - delingsweefsel)
    • Plastiden (=met pigment en/of reservestof; 3 typen die in elkaar kunnen overgaan)
  • Hoe ontstaat een grote vacuole?
    Door het samenvloeien van veel kleine vacuolen in jonge cellen
  • Wat is de functie van een grote vacuole?
    • Turgor; celspanning, druk van de celmembraan op de celwand die weinig rekbaar is; geeft stevigheid aan plantencel en plantaardig weefsel
      • Dit is het gevolg van: selectiefpermeabel; vacuole- en celmembraan
      • Osmose; waardoor de cel water opneemt en druk ontstaat op de celwand
    • Opslag; vacuolevocht kan bevatten: zouten, suikers, afvalstoffen, zuren/basen en soms kleurstoffen zoals anthocyaan dat rood is in zuur milieu, paars in neutraal en groen in basisch milieu
  • Noem de typen plastiden, wat het zijn en wat hun functie is.
    • Chloroplasten; bladgroenkorrels met chlorofyl. De functie is fotosynthese en het bevindt zich in bladmoes (vulweefsel in bladeren), sluitcellen (van huidmondjes in blad en stengel) en schorsparenchym (groen weefsel van jonge stengels)
    • Chromoplasten; kleurstofkorrels met pigmenten als caroteen (oranjerood) en/of xanthofyl (geel/oranje) in bloemkronen en vruchten. De functie is lokken van insecten en andere dieren
    • Amyloplasten; zetmeelkorrels. De functie is zetmeelopslag in wortels, bollen, knollen en zaden; tijdelijk in groen weefsel
  • Waar bevindt zich een celwand?
    Alleen aanwezig om de celmembraan van planten, schimmels en bacteriën. Het behoort NIET tot de cel.
  • Wat is de samenstelling van een celwand?
    • Middenlamel; van pectine 'plaksel' tussen twee cellen
    • Primaire celwand van cellulose; elastisch zodat celstrekking nog mogelijk is
    • Secundaire celwand van cellulose; verdikking, vooral bij houtvaten en vezels
      • Eventueel aangevuld met: houtstof, bij houtige plantdelen; meestal gaat de cel binnen zo'n wand dood
      • Kurkstof; vormt een ondoorlaatbare laag
      • Cellulose ontbreekt bij: stippels, plaatsen waar plasmaverbindingen door de primaire celwand lopen van de ene naar de andere cel voor uitwisseling van stoffen
  • Wat gebeurd er bij de plasmolyse van een plantencel?
    Het celmembraan laat los van de celwand t.g.v. Waterverlies in een milieu met een hogere osmotische waarde. Het waterverlies gaat door tot het vacuolevocht dezelfde concentratie opgeloste deeltjes heeft als het omringende milieu
  • Wat gebeurd er bij omgekeerde plasmolyse (deplasmolyse)?
    Als een geplasmolyseerde cel in water wordt teruggezet, zwelt de cel weer op, totdat de celmembraan weer tegen de celwand ligt.
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Laatst toegevoegde flashcards

Waardoor oefenen de diverse hormonen hun werking alleen uit op specifieke weefsels of organen (doelweefsels of doelorganen)?
Elke receptor is specifiek gevoelig voor één enkel hormoon.
Wat is de eerste stap van de werking van een hormoon?
Dat het zich bindt aan specifieke receptoren van de doelcel. Deze receptoren zijn grote eiwitten die zich zowel op het membraan van de doelcel als in het cytoplasma of in de celkern kunnen bevinden. Cellen zonder receptoren voor het betreffende hormoon reageren niet op dit hormoon.
Welke vorm van signaalverwerking wordt gebruikt bij stress of tijdens een noodsituatie?
Directe verbinding van neuronen en klieren, waardoor signalen snel worden verwerkt.
Wat gebeurd er bij positieve feedback op het hormoonniveau?
Hiervan is sprake wanneer door het effect van een bepaald hormoon de eigen productie wordt verhoogd. Hierdoor kan heel snel een hoge concentratie van dat hormoon worden bereikt. Uiteindelijk wordt ook deze reactie weer door negatieve feedback gestopt, zodra de benodigde hormoonconcentratie bereikt is.
Wat hebben de klieren in het enodcriene systeem?
Sensorische cellen die reageren op veranderingen in de samenstelling van bloed en andere lichaamsvloeistoffen. De klieren verhogen of verminderen de productie van hormonen als reactie op zo'n signaal, totdat het signaal weer uitdooft zodra de gewenste hormoonconcentratie wordt bereikt. Het resultaat van de reactie van de klier op het signaal zorgt er dus zelf voor dat het signaal weer wordt geremd of opgeheven. Dit proces wordt negatieve feedback genoemd. Het hormoonniveau in het lichaam blijft op deze manier op een optimaal peil.
Wat wordt er in de relatie van het endocriene systeem en het zenuwstelsel gedaan?
Het communiceert welke hormonen geproduceerd moeten worden, wanneer ze er moeten zijn en waar ze moeten zijn.
Wat zijn de twee belangrijke systemen van het lichaam die de afgifte van hormonen reguleren?
  1. Het endocriene systeem
  2. Het zenuwstelsel
Welke factoren regelen de afgifte van hormonen in het lichaam?
  • Lichaamsvloeistoffen
  • Het hormoon zelf
  • Neuronen
Wat speelt een belangrijke rol bij het handhaven van de optimale hormoonconcentratie?
De lever, door hormonen in het bloed af te breken. Het evenwicht tussen productie  en afbraak stelt het lichaam in de juiste concentraties voor elk hormoon te bereiken.
Wanneer worden er lichamelijke effecten door hormonen veroorzaakt?
Wanneer de juiste concentratie (hoeveelheid per liter bloed) hormonen in de bloedstroom aanwezig is. In gevallen waarin de concentratie van een bepaald hormoon te laag is, scheidt de bijbehorende producerende endocriene klier meer hormonen af tot de noodzakelijke hormonale bloedconcentratie is bereikt.  Anderzijds zal een verhoogde concentratie hormoon in het bloed de klier tijdelijk doen stoppen met de hormoonproductie.