Samenvatting Stofwisseling I

-
780 Flashcards en notities
1 Studenten
  • Deze samenvatting

  • +380.000 andere samenvattingen

  • Een unieke studietool

  • Een oefentool voor deze samenvatting

  • Studiecoaching met filmpjes

Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.

PREMIUM samenvattingen zijn gecontroleerd op kwaliteit en speciaal geselecteerd om je leerdoelen nog sneller te kunnen bereiken!

Samenvatting - Stofwisseling I

  • 1 week 1

  • Waar komt de energie uit ons voedsel voor het grootste deel uit?
    Voor het grootste deel uit vetten, eiwitten en suikers. Alcohol kan ook energie leveren.
  • Waar kunnen vetten, eiwitten, suikers en alcohol in om worden gezet?
    Deze kunnen allemaal worden omgezet in acetyl-CoA, oftewel azijnzuur, dat via de citroenzuurcyclus en de oxidatieve fosforylering zorgt voor de productie van ATP.
  • Hoe wordt energie uit ATP gehaad, welke verbinding?
    ADP is gebonden aan een fosfaatgroep, dit is de binding waar we de energie uit halen. Omdat ADP negatief geladen is, kost het energie om gebonden te zijn aan de tevens negatief geladen fosfaatgroep. Dit is waarom ATP energie kan leveren voor processen in ons lichaam: deze energie komt vrij als deze binding wordt verbroken.
  • Welk organel speelt een belangrijke rol bij de vorming van ATP in de spel?
    Het mitochondrium speelt een belangrijke rol bij de vorming van ATP in de cel. Het mitochondrium bestaat uit een buitenmembraan met transporteiwitten en een binnenmembraan. Tussen deze twee membranen zit de tussenmembraan ruimte met daarin de matrix.
  • Wat is de eerste stap van de dissimilatie van glucose? Waar vindt dit plaats?
    De glycolyse, vindt plaats in het cytoplasma.
  • Wat gebeurt er vervolgens met het glucose als het binnenkomt?
    Glucose wordt eerst gefosforyleerd door hexokinase (HK) of glucokinase (GK) tot glucose-6-fosfaat en vervolgens omgezet in fructose-6-fosfaat, waarbij een ATP-molecuul wordt gebruikt.
  • Wat gebeurt er daarna met de fructose-6-fosfaat?
    Daarna wordt nog een ATP-molecuul toegevoegd en ontstaat fructose-1,6-bifosfaat. Dit is de investeringsfase in de glycolyse.
  • Wat gebeurt er daarna met de fructose-1,6-bifosfaat?
    Het fructose-1,6-bifosfaat splitst en vormt twee pyruvaatmoleculen.
  • 1.1 Overige vragen WG2

  • Welke glucose transporter gebruikt de hepatocyt bij de opname van glucose? Is dat logisch? Welk ander weefsel bezit deze GLUT?
    GLUT2, dit is logisch, omdat het een hoge capaciteit heeft en een lage affiniteit. Hij is insuline onafhankelijk, dus altijd aanwezig op de membranen van de hepatocyten. De betacel in de pancreas heeft ook GLUT2, zodat deze bij een hoge concentratie glucose in het bloed ook veel glucose kan opnemen, waardoor insuline wordt afgegeven. 


    We hebben een lage affiniteit en een hoge capaciteit nodig -- > dus glut 2. Er moet ook meer opgenomen worden.
  • Welke weefsel bevatten GLUT 1/3 transporters. Waarom?
    ·GLUT1 en 3 vindt je op andere weefsels, en die hebben een hoge affiniteit en een lage capaciteit. ze zijn continu van glucose afhankelijk en hebben daarom een hoge affiniteit. onder andere op hersencellen en bloedcellen??Voor basale glucose op niveau houden. 

    GLUT 1: heeft een lage capaciteit voor glucose en een grote affiniteit. Komt voor in bloed hersen barriere. Zo zit het ook bij lage concentratie netje of Vmax. Door lage capaciteit is er een constante glucose stroom. 
  • Waar zit GLUT4?
    ·GLUT4 zit op spier- en vetcellen en is insulineafhankelijk. wanneer de concentratie insuline toeneemt, nemen deze cellen dus meer glucose op (glycogeenvoorraad, energie)
  • Waar zit GLUT 5?
    ·GLUT5 zit op de enterocytcellen en is een fructose transporter
  • 1.Waar en hoe vindt de afbraak van aminozuren plaats? Beschrijf wat er met de aminogroep gebeurt en met het resterende koolstof skelet.
     



    Wordt afgebroken in de lever. In spieren worden aminozuren met complexe zijgroepen afgebroken. Bij afbraak komt ammoniak vrij wordt omgezet naar ureum. Ureumcyclus zorgt voor ontgifting ammoniak. Als er iets mis is met ureumcyclus dan kunnen er ernistige dingen ontstaan -- > schadelijk voor bloedhersenbarriere.
     
    Stikstofgroep wordt uitgewisseld voor ketongroep.
     
    Je kan er vervolgens andere aminozuren van maken. Sommige kunnen tot gluconeogenese leiden, andere als vervangingsproducten van citroenzuurcyclus.
     
    -transaminatie: aminogroep gaat naar een ketonzuurreceptor door aminotransferase
    -oxidatieve deaminatie: oxidatie van een aminozuur heeft ketonzuren en ammoniak als resultaat
    -verwijdering van een watermolecuul (dehydratase): dit maakt een aminozuur instabiel. het uiteindelijke resultaat is alfa-ketonzuur en ammonia. 

     

    het koolstofskelet kan omgezet worden tot een bemiddelaar in de glycolyse, CZC of vetmetabolisme. het degraderen gebeurt in lysosomen en proteasomen. vertakte aminozuren kunnen alleen in de spieren worden verwerk
  • 1.2 Afbraak vetten

  • Waar kan triacylglycerol door lipases in worden afgebroken?
    Triacylglycerol kan door lipase worden afgebroken tot glycerol en vetzuren. Er kunnen ook andere structuren worden gevormd.

    Bij de afbraak van triacylglycerol kan er één vetzuurgroep worden verwijderd, wat resulteert in diacylglycerol (glycerol + 2 vetzuren). Wanneer twee vetzuurgroepen worden verwijderd, is het restant monoacylglycerol (glycerol + 1 vetzuur).
  • Wat zijn vetzuren?
    Vetzuren zijn bouwstenen voor triglyceriden en fosfolipiden. Een vetzuur bestaat uit een koolstofketen (C-atomen) en een zuurgroep (COOH). De verbindingen tussen koolstofatomen kunnen bestaan uit enkele of dubbele bindingen. 
  • Welke drie typen vetzuren zijn er?
    • Verzadigde vetzuren: géén dubbele bindingen in de koolstofketen.
    • Enkelvoudig onverzadigde vetzuren: één dubbele binding in de koolstofketen.
    • Meervoudig onverzadigde vetzuren: meerdere dubbele bindingen in de koolstofketen.
  • Wat zijn essentiële vetzuren?
    Een paar meervoudige onverzadigde vetzuren kan de mens niet zelf synthetiseren: de essentiële vetzuren. De mens mist namelijk enzymen om bepaalde dubbele bindingen in een vetzuur aan te brengen. De vetzuren worden essentieel genoemd, omdat we ze niet uit onze voeding kunnen missen.
    Omega-3 vetzuren zijn ook voorbeelden van meervoudig onverzadigde vetzuren.
  • Wat is cholesterol?
    Cholesterol is een vetachtige stof en een essentiële bouwsteen voor het celmembraan. Cholesterol komt van de Griekse woorden cholé (gal) en stereos (vast). Het komt vaak voor in de vorm van cholesterolesters, dit zijn verbindingen tussen cholesterol en een vetzuur.
  • Wat zijn fosfolipiden?


    Fosfolipiden bestaan uit een hydrofiele kop (fosfaatgroep, met diverse modificaties, zoals ethanolamide in het voorbeeld) en 2 hydrofobe vetzuurstaarten. Glycerol vormt de brug hiertussen. Een celmembraan bestaat uit een dubbele laag van fosfolipiden, zoals in de figuur is weergegeven.
  • Wat is de vertering van vetten in de mond?
    De vertering van vetten start al in de mondholte. Hier is ‘linguaal lipase’ aanwezig. Dit enzym wordt door klieren van de lingua (tong) geproduceerd.  Het linguaal lipase zet triglyceriden om in diacylglycerol en vetzuren. Linguaal lipase heeft een optimale werking bij een pH van 4. -- > linguaal lipase is bij mensen alleen bij kleine kinderen (neonaten ?) aanwezig
  • Waarom is het gunstig dat linguaal lipase een optimale werking heeft bij een lage pH?
    Voedsel komt na doorslikken binnen enkele seconden in de maag terecht. De maag produceert maagzuur, waardoor de pH in de maag laag is. Omdat linguaal lipase een goede werking heeft bij een lage pH, kan het enzym in de maag doorgaan met de afbraak van triglyceriden.
  • Wat is vertering van vetten in de maag?
    Maaglipase wordt door cellen van de maagwand geproduceerd. Maaglipase zet triglyceriden om in diacylglycerol en vetzuren. Om te kunnen functioneren in de maag heeft maaglipase een optimale werking in een zuur milieu, met een pH van rond de 4.  

    -- > secretie van maag lipase door de chief cells wordt gestimuleerd door gastrine.
  • Wat zijn overeenkomsten tussen linguaal lipase en maaglipase?

    Beide enzymen zetten triglyceriden om in diacylglycerol en vetzuren

    Beide enzymen hebben een optimale werking bij een lage pH
  • Hoe draag pancreas bij aan afbraak vetten?
    De pancreas (alvleesklier) produceert verschillende enzymen die de verschillende soorten vetten kunnen afbreken. Hierbij ontstaan diverse afbraakproducten. De pancreas geeft deze enzymen af aan het duodenum (de twaalfvingerige darm). Dit is het eerste gedeelte van de dunne darm.

    De drie pancreas enzymen zijn:
    - cholesterolesterase
    - fosfolipase A2
    - pancreaslipase + colipase
  • Wat doet cholesterolesterase (pancreasenzym afbraak vet)?
    Zet cholesterolester om naar choleserol + vetzuren.
  • Wat doet fosfolipase A2?
    Zet fosfolipiden om in lysofosfolipiden
  • Wat doet pancreaslipase + colipase?
    Zet triglyceriden en diacylglycerol om in monoacylglycerol + vetzuren. 

    Pancreas lipase zet de afbraakproducten van linguaal lipase en maaglipase (diacylglycerolen) om tot monoacylglycerolen en vetzuren. Daarnaast zet het ook triglyceriden om tot monoacylglycerolen en vetzuren.


    Colipasezet zelf geen vetten om in afbraakproducten; het is eencofactor. Dit betekent dat colipase aanwezig moet zijn zodatpancreas lipasezijn functie kan uitoefenen.
  • Pancreasenzymen zijn werkzaam in basisch milieu
  • Wat wordt in duodenum naast pancreassap nog meer uitgescheiden en wat is de functie hiervan?
    Gal 
    - pH in dunne darm verhogen 
    - emulsificatie van vetten
  • Hoe zorgt gal voor emulsificatie van vetten?
    In gal zitten galzouten die vetten in kleine druppels kunnen verdelen. Dit proces wordt emulsificatie genoemd. De oppervlakte van de vetdruppels wordt vergroot, waardoor lipasen beter hun werk kunnen doen. Galzouten maken van de vetdruppels steeds kleinere druppels. Uiteindelijk blijft er een microscopisch kleine druppel over: een micel. Deze micel is gevuld met verschillende vetten.
  • Hoe wordt van een emulsion droplet een mixed micelle gevormd?
    Breakdown of emulsion droplets to mixed micelles. 

    Breakdown of emulsion droplets to mixed micelles. 
    A, The core of the emulsion droplet contains TAGs, DAGs, and cholesteryl esters. On the surface are fatty acids, MAGs, lysolecithins, and cholesterol. Adsorbed to the surface are pancreatic lipase and possibly bile salts. As the lipases hydrolyze the TAGs at the surface, the TAGs from the core replace them, causing the droplet to shrink. 

    B, A multilamellar liquid-crystalline layer of fatty acids, MAGs, lysolecithins, cholesterol, and bile salts builds up on the surface of the emulsion droplet, causing a small piece to bud off as a multilamellar vesicle.

     C, The addition of more bile salts to the multilamellar vesicle thins out the lipid coating and converts the multilamellar vesicle to a unilamellar vesicle. 

    D, Further addition of bile salts leads to formation of a mixed micelle, in which hydrophobic lipid tails face inward and polar head groups face outward.


  • Naast de emulsificatie van vetten heeft gal ook als functie de pH van de dunne darminhoud te verhogen. Hoe wordt dit gedaan?
    Gal is een basische vloeistof die bijdraagt aan het neutraliseren van de zure chymus (voedselbrij) die uit de maag komt. De pancreas enzymen, die werkzaam zijn in een basisch milieu, kunnen hierdoor beter hun werk doen.
  • Welke stoffen kunnen worden opgenomen door de enterocyten?
    - glycerol 
    - cholesterol 
    - lysofosfolipiden 
    - monoglyceride 
    - vetzuren     

    -- > zonder pancreasenzymen zouden we onze vetten dus nauwelijks kunnen opnemen
  • Hoe kunnen vetten het membraan van de enterocyt passeren?
    Veel van de vetten kunnen middels passieve diffusie het membraan van de enterocyt passeren. Langere vetzuren en cholesterol hebben een transporteiwit nodig dat membraanpassage mogelijk maakt.

    De lipiden komen de enterocyt binnen middels:
    1. Nonionische diffusie 
    2. Incorporatie in het membraan van de enterocyte (collision) 
    3. Carrier-mediated transport 
  • Hoe kunnen glycerol, korte en middellange vetzuren de enterocyt passeren?
    Deze relatief kleine vetzuren (+ glycerol) kunnen na opname door het apicale celmembraan direct de enterocyt weer uit diffunderen aan de basolaterale zijde: de basis van de cel die aan bloedvaten en bindweefsel grenst. Vervolgens kunnen deze vetzuren direct in de capillairen (kleine bloedvaten) terecht komen, zie afbeelding.
    Deze vetzuren worden vervoerd gebonden aan het bloedeiwit albumine.
  • Wat gebeurt er met opname cholesterol, lysofosfolipiden, monoacylglycerol en lange vetzuren in de enterocyt?
    Deze grotere vetten worden na opname eerst bewerkt in de enterocyt. 

    1) In het glad endoplasmatisch reticulum worden de vetzuurketens samen met monoacylglycerol weer opgebouwd tot triglyceriden. Ook worden de lysofosfolipiden weer opgebouwd tot fosfolipiden en het cholesterol weer tot cholesterolesters.


    2) Vervolgens worden hier apolipoproteïnen (eiwitten) bijgevoegd, die in het ruwe endoplasmatisch reticulum gemaakt worden. 


    3) Daarna worden deze stoffen naar het Golgi apparaat getransporteerd, waar deze stoffen samen een chylomicron vormen.


    4) Van het Golgi apparaat scheiden zich blaasjes met chylomicronen af die samensmelten met het basolaterale membraan.


    5)Vervolgens kunnen de chylomicronen de lymfevaten in diffunderen.
  • Wat is chylomicron?
    Een chylomicron is een lipoproteïne: een deeltje dat in het bloed grotere vetten transporteert.
  • Waar bestaat een chylomicron uit?
    Een chylomicron bestaat uit een buitenmembraan van diverse apolipoproteïnen (eiwitten) en fosfolipiden. In het deeltje bevinden zich triglyceriden, lange vetzuurketens,cholesterolesters en cholesterol, zie afbeelding.
  • Een chylomicron wordt opgebouwd in het Golgi apparaat van de enterocyt. Wat gebeurt er daarna vervolgens?
    Vervolgens worden de chylomicronen afgegeven aan de lymfevaten, omdat een chylomicron te groot is om door de fenestraties (openingen) van de capillairen te diffunderen. De lymfevaten monden uiteindelijk uit in de vena subclavia, waardoor de chylomicronen in het bloed terecht komen.
  • Hoe worden vetten in het lichaam vervoerd?
    Korte en middellange vetzuren kunnen in vrije vorm (alleen gebonden aan albumine) in de bloedbaan vervoerd worden. Deze kunnen direct door de cellen van perifere weefsels worden opgenomen.
    Het merendeel van de vetten wordt echter vervoerd in de vorm van lipoproteïnen, zoals chylomicronen.
  • Hoe kunnen de triglyceriden, vetzuren in chylomicronen opgenomen worden door het perifere weefsel?
    De chylomicronen die in de enterocyt zijn gevormd, komen via het lymfestelsel in de systemische circulatie terecht.

    Om in de perifere weefsels te worden opgenomen, is er afbraak van deze chylomicronen nodig. Dit gebeurt door middel van het enzym lipoproteïne lipase. Dit enzym bevindt zich in het vaatbed van vet- en spierweefsel.

    Lipoproteïne lipase breekt de triglyceriden die zich in de lipoproteïnen bevinden af tot glycerol en vetzuren.

    De vetzuren worden vervolgens opgenomen in de cel. De overblijfselen (“remnants”) van chylomicronen worden vervolgens opgenomen in de lever
  • Een lipoproteïne is een deeltje wat in het bloed de grote vetten transporteert. Er bestaan verschillende soorten lipoproteïnen die hun naamgeving te danken hebben aan de dichtheid (“density”):
    • VLDL    very low-density lipoprotein
    • LDL       low-density lipoprotein
      • IDL        intermediate-density lipoprotein
    • HDL      high-density lipoprotein
  • Wat zijn chylomicronen?
    Chylomicronen zijn dus de lipoproteïne partikels die de vetten uit het dieet vervoeren. Zoals je bij het invulverhaal gezien hebt, moeten chylomicronen eerst worden afgebroken door lipoproteïne lipase zodat vetzuren en glycerol kunnen worden opgenomen door de perifere cellen.
    Vervolgens worden de overblijfselen van de chylomicronen (“remnants”), die weinig triglyceriden bevatten en veel cholesterol, door de lever opgenomen.
  • Wat is VLDL?
    De lever maakt zelf ook vetten die in lipoproteïnen verpakt moeten worden voor transport. Hiervoor wordt onder andere very low-density lipoprotein (VLDL) door de lever gemaakt.
    VLDL bevat net als chylomicronen veel triglyceriden en daarnaast cholesterol, fosfolipiden en apolipoproteinen.
    Net als chylomicronen moeten de triglyceriden uit het VLDL eerst door lipoproteïne lipase worden afgebroken tot vetzuren (FA) en glycerol, voordat het door de perifere weefsels kan worden opgenomen.
  • Wat doen IDL en LDL?
    Nadat de triglyceriden uit VLDL zijn opgenomen, bevat de lipoproteïne veel cholesterol.
    De lipoproteïne wordt dan LDL of  IDL genoemd, afhankelijk van de dichtheid van de lipoproteïne.
    Deze lipoproteïnen kunnen vervolgens cholesterol aan cellen afgeven voor o.a. de opbouw van het celmembraan. Klieren die steroïdhormonen maken uit cholesterol zijn afhankelijk van de LDL receptor voor de opname van cholesterol. Mutaties in het gen voor de LDL receptor resulteren in familiaire hypercholesterolaemie (FH).
  • Wat doet HDL?
    Naast VLDL maakt de lever ook high-density lipoprotein (HDL).
    HDL neemt overtollig cholesterol uit de cellen op en brengt dit naar de lever. De lever kan overtollig cholesterol uitscheiding in gal.
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Laatst toegevoegde flashcards

Waar kan pyruvaat naar worden omgezet?
- Pyruvate wordt omgezet naar lactaat en afgevoerd naar de lever. In rode bloedcel.
Om te voorkomen dat er een tekort aan NAD+ ontstaat zorgt de omzetten van pyrvate naar lactaat ervoor dat NAD+ vrijkomt.

- Pyrvate wordt omgezet naar AcCoA. 

Wanneer is glycolyse irreversibel?
2x investeren is irreversibel en de vorming van ATP na PEP is irreversivel. 
Wat moet er in de glycolyse geïnvesteerd worden?
2x ATP investeren -- > F-1,6-BP -- >ontstaan twee stofjes met ieder 3 C atomen. DHAP kan ook uit glycerol ontstaan.
Wat is de glycolyse?
Glycolyse:
1.Glucose naar glucose 6-fosfaat
Eindproduct glycolyse is pyruvaat 
Wat is belangrijk om vet goed in de vetcel vast te houden?
Om het goed vast te kunnen houden in de vetcel en ervoor te zorgen dat de vetten er niet uitlekken is het van belang om Hormone sensitive lipase te remmen (HSL). Dit is het lipase dat de vetten zelf maken en ten tijden dat wij de energie voorraad moeten aanspreken dan wordt dit actief. Adrenaline zal dit aanspreken. Na maaltijd zal insuline HSL onderdrukken en wordt vet in vetweefsel opslaan.
 
Welke processen worden door insuline gestimuleerd?
-Lever en spier: opslag glucose, in vorm van glycogeen.

-Lever: De glycolyse en de vorming van vetten
-Lever: afstaan van vetten
-Spieren: hier wel opname glucose door insuline gereguleerd
-Vetcel: opname glucose
-Vetcel: opname vrije vetzuren en opbouw naar triacylglycerol
Welke processen in lipogenese worden door insuline gestimuleerd?
 
Insuline stimuleert de vorming van vetzuren in de lever, het vervoer van VLDL en vervolgens ook de opname in vet en ook de opname van glucose. Want GLUT4 zit in het vet en is afhankelijk van insuline
Wat gebeurt er met vetten die in de lever worden gemaakt?
- De vetten die in lever worden gemaakt worden afgegeven in vorm van lipoproteïne, VLDL (bestaat uit triglyceriden, cholesterol en specifieke eiwitten). Lever wil vet liever niet zelf opslaan dus afgevoerd in vorm van VLDL.

- Gaat naar vetweefsel en wordt daar herkent door enzym lipoproteinelipase (zit in vaatwand bloedvaatjes van vetweefsel). Dit enzym kan diversie lipoproteïne herkennen.

- Worden de vettenzuren daaruit gehaald en naar binnen diffunderen en weer opgebouwd naar triacylglycerol (opbouw net als in darm). En in die vorm vastgehouden en opgeslagen in vetweefsel.

- De glycerol die daarvoor nodig is kan de vetcel zelf maken maar hij heeft als uitgangsmateriaal glucose nodig. Via tussenstap van glycolyse kan daar glycerol uitgemaakt worden. Dan kunnen vetzuren daaraan gekoppeld worden.
 
Wat is lipogenese?
: Lever kan zelf vetten maken. Wordt sterk gestimuleerd door insuline. Wanneer we veel meer glucose eten dan we op dat moment nodig hebben en de opslag in vorm van glycogeen in verzadigd. Dan gaan we glucose afbreken in glycolyse en dan ontstaat stap die we kunnen gebruiken om vetten te maken.
De meeste vetzuren moeten weer opnieuw opgebouwd worden via enterocyt. Wat is hier voor nodig?
hier ATP voor nodig. Bij activeren helpt CoA = Coenzym A om een vetzuurstaart weer opnieuw te koppelen aan glycerol. Als dit drie keer gebeurt hebben we een triglyceride.
 
Coenzym A wordt uit vit. B complex gevormd.