Samenvatting Strafprocesrecht

-
ISBN-13 9789013121799
361 Flashcards en notities
4 Studenten
  • Deze samenvatting

  • +380.000 andere samenvattingen

  • Een unieke studietool

  • Een oefentool voor deze samenvatting

  • Studiecoaching met filmpjes

Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.

Dit is de samenvatting van het boek "Strafprocesrecht". De auteur(s) van het boek is/zijn prof B F Keulen prof G Knigge. Het ISBN van dit boek is 9789013121799. Deze samenvatting is geschreven door studenten die effectief studeren met de studietool van Study Smart With Chris.

PREMIUM samenvattingen zijn gecontroleerd op kwaliteit en speciaal geselecteerd om je leerdoelen nog sneller te kunnen bereiken!

Samenvatting - Strafprocesrecht

  • 1.1 Inleiding

  • Achtergrond positie van verdachte en raadsman --> art. 6 EVRM (rechten: practical en effective).

  • De positie van de verdachte als een persoon 'charged with a criminal offence' wordt beheerst door de onschuldpresumptie en het nemo teneur-beginsel.
    • Onschuldpresumptie: verdachte moet voor onschuldig worden gehouden, totdat zijn schuld in het strafproces bewezen is;
    • Nemo teneur-beginsel: niemand is gehouden bewijs tegen zichzelf te leveren tegen en  niemand kan gedwongen worden aan zijn eigen veroordeling mee te werken.
  • 1.2.1 Twee begrippen verdachte

  • Art. 27 Sv geeft twee verschillende definities van de term verdachte. Definitie hangt samen met het verschil in procesfase.
    • Art. 27 lid 1 Sv: geeft omschrijving voordat de vervolging is aangevangen. Eerste lid eist een redelijke verdenking --> redelijk vermoeden van schuld. 
    • Art. 27 lid 2 Sv:  na aanvang van de vervolging. Tweede lid eist geen redelijke verdenking. 
  • - Verdachte en vervolgde zijn synoniemen; een persoon die wordt vervolgd, is doorgaans tevens iemand die verdachte is in de zin van art. 27 lid 1 Sv.
  • 1.2.2 Redelijk vermoeden van schuld

  • Art. 27 Sv twee vragen:

    1. In welke gevallen kan een burger als verdachte worden aangemerkt?;
    2. En kan tegen die burger worden opgetreden? --> artt. 53 en 54 Sv: arrestatie van de verdachte.

    Indien het in art. 27 Sv redelijke vermoeden van schuld ontbreekt, mag er niet tot arrestatie worden overgegaan. Term verdachte fungeert dus als een beperkende voorwaarde tijde uitoefening van bevoegdheden. 
  • Het criterium van art. 27 lid 1 Sv bestaat uit drie te onderscheiden elementen:
    1. Vermoeden dat betrekking heeft op schuld aan een strafbaar feit
    • Vermoedelijk schuldig heeft gemaakt aan een een strafbaar feit --> primair vermoedelijk daderschap);
    • Schulduitsluitingsgronden spelen geen rol bij de 'schuld' waarop art. 27 lid 1 Sv doelt;
    • Ook dader die overduidelijk ontoerekeningsvatbaar is, kan als verdachte worden aangehouden;
    • Over rechtvaardigingsgronden wordt verschillend gedacht
    2. Vermoeden dat redelijk is
    • Subjectief vermoeden niet voldoende;
    • Objectief gerechtvaardigd zijn (bescherming art. 27 willekeurig overheidsoptreden);
    • Graad van verdenking 
    3. Vermoeden van schuld voortvloeit uit feiten en omstandigheden 
    • Strikt genomen is deze eis overbodig naast de eis van een objectief gerechtvaardigd vermoeden (steunt immers op objectieve gegevens). Wettekst sluit ieder misverstand op dit punt uit: door het vermoeden expliciet te koppelen aan de feiten en omstandigheden wordt buiten twijfel gesteld dat het vermoeden daaraan moet worden getoetst;
    • Feiten en omstandigheden die zich op het moment van het justitiële opreden voordoen;
    • Toetsing ex ante: onvoldoende door de feiten gestaafd vermoeden niet alsnog met terugwerkende kracht redelijk wordt, als achteraf blijkt dat de opsporingsambtenaar het bij het rechte eind had. 
  • Wet stelt geen bijzondere eisen aan de wijze waarop het vermoeden ontstaat --> vraag is steeds: is de beschikbare informatie in voldoende mate betrouwbaar?
  • Marginale toetsing van de rechter: beoordeelt niet oude opsporingsambtenaar de persoon in kwestie terecht als verdacht heeft aangemerkt, maar of hij die persoon als zodanig heeft kunnen aanmerken (beoordelingsvrijheid opsporingsambtenaar).
  • 1.2.3 De functie van het formele bedegrip 'verdachte'

  • Na aanvang vervolging geldt formeel criterium --> verdachte is degene tegen wie de vervolging zich richt. Reden hiervoor is dat de rechtspositie van de persoon die wordt vervolgd, nog moet worden geregeld onafhankelijk van de vraag of t.a.v. die persoon (nog) een redelijk vermoeden van schuld bestaat.
  • In wettelijke regeling fungeert de term verdachte als een kleurloos, technisch begrip.
  • Verdachte blijft verdachte heten, indien het termijn van de hoger beroep nog niet is verstreken of het OM tegen de vrijspraak in beroep gaat.
    • Materiële begrip van de term verdachte:
    Vervult een waarborgfunctie; het beoogt burgers te beschermen tegen willekeurige en ongegronde ingrepen en hun rechten en vrijheden.
    • Het formele begrip van de term verdachte: 
    - Fungeert niet als een voorwaarde die het overheidsoptreden beperkt --> gaat om toekenning aan de burger van rechten.
    - Gaat juist om de vraag in welke gevallen de overheid tegen de burger mag optreden
  • Materiële uitleg van de term verdachte ligt alleen in de rede als het gaat om een beperkende voorwaarde bij de toepassing van dwangmiddelen. De wetgever gebruikt de term simpel om de persoon aan te duiden die als verdachte is aangemerkt, de persoon dus tegen wie het opsporingsonderzoek zich richt. Een formele uitleg van die term is dan dus aangewezen.
  • 1.2.4 Vergelijking met art. 6 EVRM

  • Art. 6 EVRM --> Sprake van 'criminal charge': indien de Nederlandse staat jegens de betrokkene een handeling heeft verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontleden dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het OM een strafvervolging zal worden ingesteld. 
    • 'Criminal Charge' vaak al sprake voordat de vervolging naar het Nederlandse recht formeel aanvangt --> geen verdachte in de zin van art. 27 lid 2 Sv kan wel een vervolgde zijn in de zin van art. 6 EVRM;
    • Uit 'official notification' of uit ander optreden van de autoriteiten kan opmaken dat hij in staat van beschuldiging is gesteld --> geldt dan als vervolgde in de zin van art. 6 EVRM
  • Art. 6 EVRM en art. 27 lid 2 Sv --> gemeen dat dat bestaan van een redelijke verdenking niet is vereist (zou kunnen worden gesproken over een formeel begrip)
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.