Samenvatting Taalverwerving, taalgebruik, taalvariatie

-
166 Flashcards en notities
6 Studenten
  • Deze samenvatting

  • +380.000 andere samenvattingen

  • Een unieke studietool

  • Een oefentool voor deze samenvatting

  • Studiecoaching met filmpjes

Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.

PREMIUM samenvattingen zijn gecontroleerd op kwaliteit en speciaal geselecteerd om je leerdoelen nog sneller te kunnen bereiken!

Samenvatting - Taalverwerving, taalgebruik, taalvariatie

  • 1 Taalverwerving, taalgebruik, taalvariatie

  • activatiespreiding
    activatie straalt uit naar nauw verwante woorden en kennis
  • Adjectief
    Bijvoeglijk naarwoord
  • Adverbiaal
    bijwoord
  • affix
    voor- midden- en achtervoegsel (pre-, suf- en circumfix
  • Agens
    Handelend persoon
  • Allofoon
    Verschillende varianten van hetzelfde foneem. Oranje, band.
  • Allomorf
    achtervoegsel als -pje, -tje enz.
  • Anafora
    Verwijst terug naar een eerder genoemd nominaal constituent. Er komt elke dag een jongen langs, maar ik weet niet hoe hij heet.
  • Antecedent
    taalelement dat naar een ander taalelement terugverwijst
  • assimilatie van klanken
    klanken passen zich aan (voetzoeker, zakdoek)
  • Balansschikking
    Bijzinnen:
    - worden voorafgegaan door een ontkenning (niet, nauwelijks)
    - ingeleid door 'of'
    - O +  PV staan naast elkaar
    - niet te vervangen door één zinsdeel
    - nooit vooropgeplaatst kan worden.
    'Nauwelijks was de vergadering geopend, of Paul begon al te zeuren'       
    Ik twijfel er niet aan of Charlotte zal Jan wel overhalen'
  •  Actieve (bedrijvende) vorm
    vorm van werkwoord in bedrijvende zin
  • Principe van de fonologie
    voor elke spraakklank een aparte letter of lettercombinatie. Elk foneem wordt door een apart grafeem weergegeven
  • Principe van de afleiding / etymologie
    herkomst/geschiedenis van een woord is bepalend voor de schrijfwijze van een woord of spraakklank.
  • Principe van syllaben
    verenkelen en verdubbelen
  • Principe gelijkvormigheid / analogie / morfologie
    gelijkvormigheid = schrijven woord of voor- achtervoegsel op dezelfde manier: (web want webben, onttrekken want onteigenen)
    Overeenkomst (analogie) = woorden worden op dezelfde manier gevormd (grootte want lengte, hij vindt want hij werkt)
  • Principe van de standaarduitspraak
    Spellen van een woord met de klanken die we horen in de standaarduitspraak van dat woord. (Niet srijfer of schraaiver maar schrijver
  • Beknopte bijzin
    Bijzin zonder O en PV
  • Passieve doorbepaling
    het zien van het journaal door Wim. We hebben van een kat door Lieke. Het topsalaris wordt door Henk verdiend.
  • Bepaling van gesteldheid
    Hongerig, Vers lus ik die vis wel, als kind was hij gevoelig voor aardbeien, vers lus ik die vis wel.
  • Betrekkelijk voornaamwoord met impliciet antecedent
    Met wie wordt die bedoeld
    Wie het weet, mag het zeggen. (Degene die het weet, mag het zeggen)
    (wie zoet is krijgt lekkers).
  • Betrekkelijk voornaamwoord
    Zijn aanwijzende voornaamwoorden die het begin inleiden van een bijvoeglijke zin.
    Het boek, dat daar ligt (dat = betrekkelijk, het boek = antecedent)
    De vriend op wie ik vertrouw (wie = betrekkelijk, de vriend = antecedent).
  • Bewerende zinnen
    Zinnen waarmee iemand een mededeling doet
  • Bevelende zin
    Een zin in de gebiedende wijs (doe de deur dicht)
  • Bezittelijk voornaamwoord
    jouwe, mijne
  • bijvoeglijke bepaling
    bepaling bij zelfstandig naamwoord of zelfstandig voornaamwoord.
    Een idioot hardrijdende Opel
  • Bijvoeglijke bijzin
    zit een bijvoeglijke bepaling in de zin
  • Bijwoordelijke bepaling
    waar, wanneer, waarom, waarmee, etc.
    Graad, tijd, middel, modaliteit (hoogstwaarschijnlijk, gelukkig, misschien), oorzaak, plaats, reden.
  • Brabbelen
    1e taalverwerving, acht maanden
  • Clitisch woord
    syntactisch los element zonder klemtoon (
  • Coarticulatie
    Uitspraak van een letter wordt beïnvloed door de letter ervoor of erna. De 'k' is kaas klinkt anders dan de 'k' in kies
  • Codewisseling
    Overschakelen van ene naar andere taal
  • Cognitief systeem
    alle kennis en vermogens die een mens heeft
  • Coherentie
    Telkens het onderwerp noemen (De jongen ging naar buiten. Toen ging de jongen naar het bos. De jongen keek naar de uil)
  • Cohesie
    AUBERGINE. voornaamwoorden gebruiken. Pak de aubergine, snij ze in plakjes.
  • Cohortmodel in woordherkenning
    Als iemand een woord begint, begin je al het mentale lexicon te raadplegen. Hoor je 'ka' dan begin je al met denken aan de woorden die beginnen met 'ka'.
  • Communicatieve competence
    Kennis  over handelen in verschillende gebruikssituaties. Je vraagt bij de AH niet: geef me postzegels, maar je vraagt mag ik van u postzegels?
  • Congrueren
    Vormovereenkomst tussen elementen. Voorbeeld: Onderwerp en persoonsvorm (persoon en getal).
  • Connotatie
    Hangt samen met detonatie. gevoelswaarde, stilistische waarde en de sociale betekenis van een woord. Uiting is gepast (pragmatisch).
  • Denotatie
    Letterlijke betekenis
  • Constituent
    Soort zinsdeel (NC en VC)
  • Contact met doeltaal
    Doeltaal is 2e taal die geleerd wordt.
  • Contexteffecten in woorderkenning
    Context bij info vergemakkelijkt het herkennen van woorden
  • Continuïteit van spraakgeluid
    Spraakklanken lopen vloeiend in elkaar over.
  • Conversationele implicatuur
    Interpreteren van de boodschap
    Niet rechtstreeks iets zeggen
    A: ‘Ga je vanavond mee naar de film?’
    C: ‘Mijn boekenkast is in elkaar gezakt’
    C. kan niet mee naar de film, omdat hij zijn boekenkast moet maken. 
  • Coöperatie principe
    Onderling afstemmen van sprekers en hoorders
    Het coöperatieprincipe berust op 4 aannames:  
    1. relevantie-aanname: de gespreksbijdrage van de laatste spreker is relevant voor de voortgang van het gesprek
    2. kwaliteits-aanname: de spreker geeft naar beste weten de juiste informatie en niet expres verkeerde informatie
    3. kwantiteits-aanname: de spreker geeft precies de juiste hoeveelheid informatie die in een gegeven communicatie situatie vereist is.
    4. Stijl: spreek duidelijk en niet dubbelzinnig.
  • Creooltaal
    Talen die zich in korte tijd hebben ontwikkeld en niet een duidelijke voorouder hebben.
  • Deixis
    Verwijzing naar referent aanwezig in de context (Ik ga op woensdag hardlopen)
  • Denotatie
    Hetgene wat je met woorden kunt aanduiden. Letterlijk!!!
  • Derde persoon
    hij, zij, het
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Voorbeelden van vragen in deze samenvatting

activatiespreiding
3
Adjectief
3
Adverbiaal
3
affix
3
Pagina 1 van 42