Samenvatting Week 2: Centraal Dogma

-
36 Flashcards en notities
8 Studenten
  • Deze samenvatting

  • +380.000 andere samenvattingen

  • Een unieke studietool

  • Een oefentool voor deze samenvatting

  • Studiecoaching met filmpjes

Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.

Samenvatting - Week 2: Centraal Dogma

  • 1 Week 2: Centraal Dogma

  • Welke processen vinden niet plaats in prokaryote cellen na transcriptie?
    - Er is geen processing bij het pre-mRNA, zoals 5' capping, polyadenylering en RNA splicing
    - Het mRNA hoeft zich niet te verplaatsen van de kern naar het cytoplasma om daar getransleerd te worden
  • Aan de 5' kant vindt capping plaats na transcriptie. Wat is het nut hiervan?
    - Het stabiliseert het molecuul.
    - Is herkenning voor export
    - Is belangrijk voor de translatie
  • Waar staat snRNP voor?
    Small Nuclear RiboNucleoProtein
  • Bij polyadenylering worden er voor ongeveer 200 nucleotiden lang A's toegevoegd. RNA polymerase herkent op een gegeven moment de sequentie AAUAAA en stopt dan. Het enzym PolyA-polymerase zet dan al die 200 nucleotiden achter de streng.
  • Zowel introns als exons worden getranscribeerd naar RNA. Eerst wordt het gecapt en daarna begint splicing. Dit houdt in dat intronen worden verwijderd uit het RNA. Hierna volgt nog polyadenylering en dan heet het mRNA. De sequentie AG|GU laat het begin zien en AG|G (met daarvoor heel veel C en U) laat het einde zien. Middenin zit een Branchpoint A Deze A gaat samen met de 5' kant van de intron.
  • Waar bevindt zich de OH-groep van het staartje van de lasso?
    Aan de 3' kant. De branchpoint zit namelijk aan de 3' kant er daar mist nog een stukje wat niet in de lasso gaat.
  • SnRNP's zijn RNA-eiwit complexen die helpen bij de splicing. Er zijn vijf verschillende: U1, U2, U4, U5 en U6 (U3 dus niet). 
    - U1 bindt aan de 5' kant waar moet worden gesplicet
    - U2 bindt aan de branchpoint
    - U4, U5 en U6 binden bij het splicen
    Alle U's samen vormen het spliceosoom. Wanneer gesplicet wordt gaat U1 van het complex af en blijft de rest aan de loep zitten.
  • Wat zijn consensussequenties bij splicing?
    De herkenningsbasen in het pre-mRNA:
    - Aan het begin AG|GU
    - In het midden branchpoint A
    - Aan het einde C/U...AG|G
  • Hoeveel verschillende mogelijke leesramen zijn er?
    Drie. Je kunt namelijk beginnen met tellen op een van de drie.
  • Wat is het startcodon?
    AUG
  • Waartussen bevindt zich het open reading frame?
    De nucleotidensequentie tussen AUG en het stopcodon
  • tRNA moleculen zijn adaptors. Ze zijn ongeveer 80 nucleotiden lang. Het heeft de vorm van een klaverblad door de waterstofbruggen die onderling worden gevormd. Het heeft in ieder geval twee belangrijke bindingsplaatsen: het anticodon en de plaats van waar het aminozuur moet binden.
  • Zijn er evenveel tRNA's als er mogelijke nucleotidevolgordes zijn
    Nee, want niet voor alle sequenties is een tRNA nodig
  • Hoe heten de enzymen die er voor zorgen dat aminzuren worden gekoppeld aan het tRNA?
    Aminoacyl-tRNA synthetasen
  • Werking van de enzymen bij tRNA (figuur 7-30)
  • Gaan aminozuren van de N-terminus naar de C-terminus of andersom?
    Van de N-terminus naar de C-terminus
  • Hoe wordt de band tussen C en N genoemd?
    Peptideband
  • Wat zijn proteases?
    Enzymen die eiwitten kunnen afbreken. De eiwitten worden geübiquitineerd en dat is een teken voor deze enzymen om met de afbraak te beginnen. Het grote eiwitcomplex is dan een proteasoom
  • Antibiotica blokkeren de eiwitsynthese in alleen prokaryoten
  • Waarmee begint de DNA replicatie?
    ORI
  • Waarmee begint de transcriptie?
    Promotor
  • Waarmee begint de translatie?
    Met het startcodon AUG
  • Hoe elongeert DNA replicatie?
    In de replicatievork
  • Hoe elongeert transcriptie?
    Met een replicatiebubble
  • Hoe elongeert de translatie?
    Met het open leesraam
  • Hoe termineert de DNA replicatie?
    Bij een telomeer of bij een andere replicatievork
  • Hoe termineert de transcriptie?
    Bij de poly A-staart: AAUAAA
  • Hoe termineert translatie?
    Bij een van de stopcodons
  • Verschil tussen upstream en downstream:
    Upstream is richting de 5'-kant en downstream is richting de 3'-kant
  • Waar hangt de oplosbaarheid van eiwit van af?
    1. Polariteit van de zijketens (deze kunnen hydrofoob en hydrofiel zijn)
    2. pH van de oplossing
    3. Temperatuur van de oplossing
    4. Aanwezigheid van zouten
    5. Aanwezigheid van polaire oplosmiddelen (zoals alcohol)
  • Noem vier algemene eigenschappen van interacties die zwak zijn
    1. Een covalente binding is meer dan 20 keer sterker
    2. Ze zijn dynamisch: makkelijk te verbreken
    3. De sterkte van de binding is sterk afhankelijk van de aanwezigheid van water
    4. pH is een belangrijke factor (verandering van de pH zorgt voor verandering van de lading van het eiwit en hierdoor wordt de structuur en functie van het eiwit ook anders)
  • In wat voor type cel vind je een ORC?
    Prokaryote cellen
  • Bij wat voor proces is het ORC belangrijk?
    Replicatie
  • Welk proces begint na binding aan een promotor?
    Transcriptie
  • Waar staan ORC en ORI voor?
    ORC: Origin Recognition Complex
    ORI: Origin of Replication
  • Plaats van replicatie vork en bubbel
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Voorbeelden van vragen in deze samenvatting

Wat zijn consensussequenties bij splicing?
4
Aan de 5' kant vindt capping plaats na transcriptie. Wat is het nut hiervan?
4
Welke processen vinden niet plaats in prokaryote cellen na transcriptie?
4
Waar staat snRNP voor?
4
Pagina 1 van 7