Samenvatting Wetenschapsfilosofie voor geesteswetenschappen / druk 1

-
ISBN-10 9089644423 ISBN-13 9789089644428
636 Flashcards en notities
23 Studenten
  • Deze samenvatting

  • +380.000 andere samenvattingen

  • Een unieke studietool

  • Een oefentool voor deze samenvatting

  • Studiecoaching met filmpjes

Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.

Dit is de samenvatting van het boek "Wetenschapsfilosofie voor geesteswetenschappen / druk 1". De auteur(s) van het boek is/zijn Michiel Leezenberg. Het ISBN van dit boek is 9789089644428 of 9089644423. Deze samenvatting is geschreven door studenten die effectief studeren met de studietool van Study Smart With Chris.

PREMIUM samenvattingen zijn gecontroleerd op kwaliteit en speciaal geselecteerd om je leerdoelen nog sneller te kunnen bereiken!

Samenvatting - Wetenschapsfilosofie voor geesteswetenschappen / druk 1

  • 1 Inleiding

  • Wat verbindt de verschillende geesteswetenschappen?
    De bronnen waarmee zij zich bezighouden lopen sterk uiteen. ook de technieken die men hanteert verschillen.
  • 1.1 De taken van de wetenschapsfilosofie

  • Wetenschapsfilosofie bestudeert de werkwijzen van uiteenlopende vakgebieden, in het bijzonder de manier waarop er wordt geargumenteerd. Het schetst een beeld van de wetenschap dat de bijzondere aard van wetenschappelijke kennis en wijzen van argumenteren tot uitdrukking brengt. Hiermee kan men epistemologische/kentheoretische uitspraken beoordelen die traditioneel met kennis verbonden worden.

  • Waar komt het begrip 'geesteswetenschappen' vandaan?

    Vanuit het Duits: Geisteswissenschaften. Elders in Europa wordt het moral sciences, sciences humaines of liberal arts genoemd. 

  • Over wat voor vragen buigt de wetenschapsfilosofie zich?

     

    het bestudeert de werkwijzen van uiteenlopende vakgebieden, in het bijzonder de manier waarop er wordt geargumenteerd. 

  • Een wetenschapsfilosofische theorie heeft een normatieve lading (= aangevend wat normaal en gewenst is) en moet worden beoordeeld op zijn filosofische adequaatheid. Ze moeten een beeld van de wetenschap schetsen dat in hoofdlijnen overeenstemt met de gevestigde wetenschappelijke praktijken.

  • Welke twee taken dienen wetenschapsfilosofen te vervullen en waarom?

    1. een beeld van wetenschap schetsen die de bijzondere aard van de wetenschappelijke kennis en van de wijzen van argumenteren tot uitdrukking brengt. Waarom: omdat dat ons helpt de epistemologische of kentheoretische aanspraken te beoordelen die met wetenschappelijke kennis zijn verbonden (normatieve lading). Filosofische adequaatheid is vereist. 
    2. een beeld van wetenschap schetsen dat in hoofdlijnen overeenstemt met gevestigde wetenschappelijke praktijken. Waarom: omdat we er anders niets aan hebben. Historische adequaatheid is dus ook vereist. 

  • Wat is de tweeledige taak van wetenschapsfilosofen?

    In eerste plaats worden ze geacht een beeld te schetsen van de wetenschap dat de bijzondere aard van wetenschappelijke kennis en wijzen van argumenteren tot uitdrukking brengt. Een wetenschapsfilosofische  theorie heeft een normatieve lading en moet daarom beoordeeld worden op zijn filosofische adequaatheid.

     

    In de tweede plaats wordt van wetenschapsfilosofen gevraagd een beeld van wetenschappen te schetsen dat in hoofdlijnen overeenstemt met gevestigde wetenschappelijke praktijken. Van een wetenschapsfilosofische beschouwing wordt historische adequaatheid geëist. 

  • Wetenschapsfilosofen hebben zich traditioneel sterk op de natuurwetenschappen geroriënteerd. 

  • Welk doel stelt het vak van de wetenschapsfilosofie zich voor de lezer?

    Middelen en kaders leveren die behulpzaam kunnen zijn bij de bestudering van (in dit geval) de geesteswetenschappen en die kunnen helpen om keuzes voor bepaalde benaderingen expliciet en beredereerd te maken. 

  • Wat is filosofische adequaatheid?

    Het criterium dat eist dat een wetenschapstheorie in overeenstemming is met filosofische (vb epistemologische) ideeën en opvattingen.

  • Wetenschapsfilosofie heeft een beschrijvende en een normatieve taak. 

  • Voor 1970 stond filosofische adequaatheid voorop. Daarna was er meer nadruk op historische adequaatheid. Dit kwam onder andere door het boek "The structure of scientific revolutions" van T.S Kuhn.

  • Wat is historische adequaatheid?

    Het criterium dat eist dat een theorie of beschrijving in overeenstemming is met de historische kennis over het feitelijk handelen van de bestudeerde personen. 

  • Wetenschapsfilosofie heeft dus zowel een beschrijvende als een normatieve taak. Het draait vaak om de methodologie: de kwaliteitscontrole op de wetenschappelijke productie

  • 1.2 Kennis en waarheid

  • Fundamenteel onderscheid tussen echte kennis (episteme) en opinies (doxa

  • Welk onderscheid maakten de Grieken al tussen twee typen inzichten/ideeën en wat zijn de verschillen?

    1. Episteme: kennis, tijdloze, noodzakelijke waarheden, met inzicht in oorzaken en sluitende antwoorden. De wetenschapper streeft naar episteme door rationeel en methodisch te werk te gaan. 

    2. Doxa: opinies, denkbeelden verbonden aan een standpunt of typerend voor een tijd of plaats. 

  • Episteme

    echte kennis, wordt geassocieerd met tijdloze, noodzakelijke waarheden, met inzicht in de werkelijke oorzaken, met sluitende antwoorden op de vraag waarom dingen zijn zoals ze zijn

  • Ontwikkeling zeventiende eeuw--> wetenschappelijke revolutie: nadere uitwerking idee verschil episteme en doxa (wetenschappelijke kennis geassocieerd met het beschikken over inzicht in de werkelijkheid : het gaat om kennis van de objectieve werkelijkheid, niet om subjectieve indrukken) 

  • Welke nieuwe ideeën over wetenschap ontstaan in de 17de eeuw tijdens de wetenschappelijke revolutie?

    1. wetenschappelijke kennis is het het beschikken over inzichte in de werkelijkheid die onafhankelijk van de menselijke geest bestaat
    2. het draait om kennis van de objectieve werkelijkheid en niet van subjectieve indrukken
    3. wetenschap moet ons vertellen wat de samenhang is tussen verschijnselen en gebeurtenissen
    4. wetenschappelijke uitspraken moeten corresponderen met de feiten. 

  • Doxa

    opinies, denkbeelden die gebonden zijn aan een standpunt en die typerend zijn voor een bepaalde periode, groep of individu.

  • Empirische wetenschap--> zintuigelijke ervaring 

  • Wat dacht men in de 17de eeuw dat een zuivere bron van wetenschap vormde en hoe moesten wetenschappers hiermee omgaan?

    De zintuiglijke ervaring (empirische wetenschap). Van wetenschappers werd verwacht dat ze rapporteerden wat ze zagen, dat hun ervaring reproduceerbaar was, hun bevindingen moesten in exacte, kwantitieve vorm worden gepresenteerd, uit ware premissen moeten ware conclusies worden afgeleid. 

  • Tijdens de wetenschappelijke revolutie in de 17e eeuw krijgt wetenschappelijke kennis een nadere uitwerking: Kennis van de objectieve werkelijkheid, niet die van subjectieve indrukken. Inzicht in de werkelijkheid die onafhankelijk van de menselijke geest bestaat. 
  • Wetenschappelijke kennis is waardevrij--> 'Als alle wetenschappelijke vragen zijn beantwoord, zijn onze levensproblemen nog helemaal niet aangeroerd' (Wittgenstein) 

  • Voor de zuivere bron wordt verwezen naar de zintuiglijke ervaring --> empirische wetenschap. Alleen wat men ziet, niet wat de ervaringen bij je oproepen. 
  • Vereisten voor wetenschappelijke kennis: 

    • ervaring waarover gesproken wordt is reproduceerbaar, oftewel, meerdere getuigen
    • Waarheid is universeel: waar voor iedereen op alle plaatsen en tijden
    • Bevindingen dienen in een zo exact mogelijke, kwantitatieve vorm gepresenteerd te worden. 

Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Laatst toegevoegde flashcards

Wat verbindt de verschillende geesteswetenschappen?
De bronnen waarmee zij zich bezighouden lopen sterk uiteen. ook de technieken die men hanteert verschillen.
Twee grondprincipes van de universiteit?
  • Academische vrijheid
  • Eenheid van onderwijs en onderzoek

--> 1809 universiteit van Berlijn

Welke invloed heeft Wilhelm von Humboldt gehad? (1767-1835)
Hij voert diepgaande veranderingen ind e structuur van het hoger onderwijs door. --> Bildungsdictator
Ook als geesteswetenschapper maakt hij naam.
Welke gebeurtenis markeerde het hoogtepunt en ook het einde van de Verlichting?
De Franse Revolutie in 1789
Welke drie factoren kunnen het ontstaan van de geesteswetenschappen verklaren?
  • Het Kantiaanse onderscheid tussen de mens als transcendentaal subject en als empirisch object
  • De Duits-idealistische notie van Geist
  • De opvatting dat alle cultuurverschijnselen wezenlijk historisch en veranderlijk zijn. 
Waarin verschillen de epistemes van de renaissance/klassieke tijd (1650-1800) en de moderne tijd (na 1800)?
De geleerden uit de Renaissance ordenden de wereld volgen Foucault op grond van overeenkomsten van dingen. Het systeem van de wereld heeft dus dezelfde structuur als het systeem van de kennis. (vb plant met oogvorm)

  • Het teken verplaatst zich van de wereld naar de menselijke geest. Het teken behoort dus uitsluitend tot de sfeer van kennis.
  • De functie van tekens verandert. In plaats van samenhangen of overeenkomsten tussen dingen te markeren, dienen zij nu om dingen een plaats te geven door hen te onderscheiden. Tekens vormen het instrument van de analyse, zij markeren de identiteit van dingen en hun verschillen 
  • Tekens die conventioneel in het leven zijn geroepen krijgen de voorkeur boven natuurlijke tekens. 
Verschillen met Kuhn?
  • paradigmaverandering bij Kuhn voltrekt zich binnen een discipline of vakgebied, volgens Foucault vindt verandering van episteme plaats op een breder vlak en komt ze aan het licht in een vergelijkend onderzoek naar op het eerste gezicht los van elkaar staande gebieden van weten.
  • Foucaults tijdschaal is groter dan die van Kuhns theorie. Foucault onderscheidt slechts een paar epistemische breuken.

--> Binnen een episteme kunnen zich dus nog diverse wetenschappelijke revoluties voltrekken
Paradigma?
  • een leerboekvoorbeeld, ofwel een model van goed wetenschappelijk gedrag dat aan de studenten in een vakgebied wordt aangeboden voor oefening en navolging. 
  • tweede bredere hoofdbetekenis die het meest gebruikt en misbruikt wordt. Het geheel van theoretische en methodologische begrippen, overtuigingen en verwachtingen inclusief metafysische veronderstellingen en wetenschappelijke waarden, dat een gemeenschap van vakgenoten erop nahoudt. 
Normale wetenschap?
wordt gekenmerkt door een verregaande overeenstemming onder de beoefenaars van een specifiek vakgebied.
Hypothetisch-deductieve model, ook wel schema van verklaring?

De opvatting dat het explanandum deductief uit een algemene wet of hypothese moet volgen.